OPWEKKING
De ongehoorde
kreet van talloos velen
- nog voor een naam hen is gegeven -
wordt gesmoord in kleine kinderkelen,
die als mens niet mogen leven.
Ach Heer, hoe
kunnen wij vertolken
de smart van het aardse tranendal,
de moord op ongeboren volken;
voor de wereld slechts een niemendal.
Mijn God,
reken het ons niet aan;
wij, die onze last wél mogen dragen.
Als wij voor uw rechterstoel staan,
wat is dan óns antwoord op Uw vragen?
Wij hebben
ons een wereld geschapen,
die ijlings voortraast naar haar doem;
waar jongeren slechts de vruchten rapen
van hun ouders' voze, valse roem.
Mijn kind, Ik
ben toch ook voor jou gestorven;
en vergaf Ik niet aan wie Mij sloegen?
Waarom ontken je wat Ik heb verworven?
Hoor de kleinen, die er niet om vroegen!
De ontelbare
schare voor Mijn troon.
Ja, een ieder heb Ik een naam gegeven.
In een taal, wonderbaar en schoon
bezingen zij de vreugd van eeuwig leven.
Daarom, geef
ook jij hun nu een naam;
schrijf hem op de lakenzee.
Doorbreek de wereldse, valse schaam,
dan telt voor Mijn troon jouw Néén
Jochanan
Castelijn