Daniël






drs. L.P. Dorenbos

























Schreeuw om Leven – Hilversum


Titel: Daniël
drs. L.P. Dorenbos
Hilversum – Stichting Schreeuw om Leven

ISBN 90-71732-40-1
NUR 707


Trefwoorden: bijbel, profetie, israël

© Stichting Schreeuw om Leven – Hilversum 2005
Ruitersweg 35-37, 1211 KT Hilversum
Tel. 035 624-4352, Fax 035 624-9141
E-mail info@schreeuwomleven.nl
Internet www.schreeuwomleven.nl

Bijbelcitaten NBG vertaling 1951

Coördinatie Alex C.F. van Vuuren & Joop B. Buker
Medewerking Hanneke Bemelmans, J.A.G Delhaas,
A.H. Kliphuis-Krans

Omslag en vormgeving Cees Baanvinger, Zoetermeer
Joop B. Buker, Joel assist, Bloemendaal

In de serie brochures In twee jaar de Bijbel door volgt
drs. L.P. Dorenbos het rooster van Schreeuw om Leven
Bijbellezen.










In twee jaar de Bijbel door



In het kader van het Schreeuw om Leven Bijbelleesplan:
“In twee jaar de Bijbel door”
geeft drs. L.P. Dorenbos dagelijks in een persoonlijke notitie zijn gedachten weer tijdens het lezen van het bijbelgedeelte voor die dag ter bemoediging en als een oproep en een stimulans om te lezen, te herlezen en te doen wat er staat, zonder de pretentie dat het zou gaan om een gedegen bijbelstudie.

Mogen de lezers erdoor gezegend worden.








Inhoudsopgave



Voorwoord




Daniël

5







Daniël 1:1-21

1 april [2]



1:1

In het derde jaar der regering van Jojakim, de koning van Juda,…

1:2

en hij bracht ze naar het land Sinear,…

1:8

Daniël nu nam zich voor, zich niet te verontreinigen met de koninklijke spijze…

1:9

Toen schonk God aan Daniël gunst en barmhartigheid…

1:12

Neem toch met uw dienaren gedurende tien dagen de proef:…

1:15

en na verloop van tien dagen bleek hun uiterlijk schoner…

1:17

En aan deze vier knapen gaf God kennis en verstand van allerlei geschriften en wijsheid, terwijl Daniël inzicht had in allerlei gezichten en dromen.

1:20

In elke zaak, waarbij het aankwam op wijs inzicht en waarover de koning hen ondervroeg, bevond hij hen tienmaal voortreffelijker dan al de geleerden, al de bezweerders in zijn ganse rijk.


In het derde jaar van koning Jojakim. Hoe zat het ook al weer? Het volk had gezondigd. Het was de Here een gruwel. De maat was vol. Zij offerden hun kinderen aan de Moloch. God had profeten gezonden en die hadden hen ge­waarschuwd, maar ze gehoorzaamden niet. Ze hadden een voorhoofd als van steen. Ze gingen door met hun afgoderij. Lees het maar. De ene koning na de andere. Soms ging het even goed, maar dan ging het weer slecht. De afgoden stonden steeds weer op de loer. Dan verliet God hen weer. Na verloop van tijd kwamen ze weer tot inkeer en dan vergaf God, want God heeft zelf het meeste heimwee naar zijn volk. Het is immers zijn oogappel. Hij heeft een eeuwigdu­rend verbond met hen gesloten. Het gaat om zìjn eer. Wat moeten de volken rondom wel denken als God het niet meer houdt met zijn volk. Ze zullen zeg­gen: “Wat eeuwig verbond? Kijk nou eens, hun God heeft zijn volk verlaten.”

De ballingschap is dan ook in de eerste plaats een vreselijke zaak voor de eer van de HERE. Daar gaat zijn volk. Ja, natuurlijk, ze hebben het zelf op hun geweten, want Hij heeft ze, door zijn profeten, keer op keer gewaarschuwd. Maar ze hebben de profeten met de nek aangekeken, hen zelfs gedood. Nu is het te laat. Koning Nebukadnezar is gekomen en heeft de stad Jeruzalem inge­nomen. De tempel is verwoest, het gerei uit de tempel geroofd en de ballingen meegenomen. Daar waren ook Daniël en zijn vrienden bij.

Vervolgens haalt de koning een aantal jongemannen uit het koninklijk ge­slacht naar het hof. Hij voedt ze op. Hij laat ze het fijnste van het fijnste eten. Maar Daniël had zich voorgenomen zich niet te verontreinigen met de spijzen van de koning. Daar heb je al meteen een confrontatie, want dat kon niet. Je mag van alles, maar het is absoluut verboden om te twisten met de eisen en opdrachten van de koning. Die zijn onverbiddelijk. Maar Daniël en zijn vrien­den zeggen het toch. En God schonk Daniël genade in zijn ogen. Wat een wonder. Wat een risico nam deze man. Ze krijgen alleen maar groenten en wa­ter. Maar wat zou er gebeuren als de koning bemerkt dat deze mannen minder schoon van gestalte zijn? Daniël vraagt om voor tien dagen de proef op de som te nemen. En ja hoor, zij zijn veel mooier dan al die anderen. Ze worden aan het hof geroepen om de koning te dienen met wijsheid. Hun wijsheid is tienmaal groter dan die van al de andere wijzen. Hoe is het mogelijk? Geen wonder dat de koning hen raadpleegt. Van balling tot tweede man in het rijk. Het is onvoorstelbaar. Wie had dat gedacht? Zo gaat het, de mens wikt, maar God beschikt. Daarom is het zo belangrijk om heel dicht bij God te leven. Niet links en niet rechts te gaan. Dan blijf je in de bescherming en nabijheid van koning Jezus. En rijd je toch eens een scheve schaats, dan moet je dat meteen ongedaan maken. Blijf dicht bij de Bron.

Het is zo vaak voorgekomen dat de mensen het niet verwachtten, maar dat uit de één of andere onverdachte hoek iemand opstaat en de leider wordt van het land. Ons gebed mag dan ook altijd zijn dat God leiders wil geven die zijn Naam kennen. Eigenlijk is iedereen een leider op zijn of haar plaats. Maar hij die leiding geeft, moet een dienstbare houding aannemen om degene die hij leidt maximaal zijn mogelijkheden te geven. Dat zijn we wel eens een beetje vergeten, maar toch komt het daar op aan. Die ontmoeting ’s morgens op het station is bijvoorbeeld belangrijk om daar de ander te ontmoeten om dan sa­men iets positiefs op te bouwen. Het is constant initiatief nemen. Heerlijk om met God te gaan. Dan kom je altijd goed uit. Bedenk: het is aan God op welke plaats Hij je zet. Daniël kreeg de hoogste plaats. Maar Jezus zegt: hij die dient, is de meeste. In het dienen van de ander wordt de samenleving ge­bouwd. Daarom is het zo belangrijk dat de één de ander uitnemender acht dan zichzelf. De Bijbel is een eerlijk boek en legt alles bloot. Wie de schoen past trekke hem aan. Glorie voor zijn Naam.



Daniël 2:1-23

2 april [2]



2:1

waardoor zijn geest verontrust werd en het met zijn slaap gedaan was.

2:11

Wat de koning vraagt, is te zwaar, er is niemand anders, die het de koning zal kunnen te kennen geven dan de goden, die echter niet bij de stervelingen wonen.

2:19

Toen werd de verborgenheid aan Daniël in een nachtgezicht geopenbaard. Daarop loofde Daniël de God des hemels;…

2:20

want Hem behoort de wijsheid en de kracht!

2:21

Hij zet koningen af en stelt koningen aan, Hij verleent wijsheid aan wijzen en kennis aan hen die inzicht hebben,…

2:22

Hij weet wat in het duister is, en het licht woont bij Hem.

2:23

en mij thans hebt bekendgemaakt wat wij van u gesmeekt hebben,…


Zeg nou zelf, het was toch geen eerlijke vraag. Jij hebt een droom gehad en een ander moet maar zeggen wat het betekent. Je kunt wel tot de wijzen beho­ren, maar ze hebben gelijk dat niemand ooit een droom uit het niets kan ver­klaren. Je kunt dat niet vragen. Dat is niet eerlijk. Ze hebben ook het lef om dat tegen de koning te zeggen. Maar de koning wordt boos. Hoe durven ze. Hij vertrouwt ze niet. Ze willen hem iets op de mouw spelden.

Kennelijk is het een vreselijke droom geweest, die hem zeer heeft verontrust. Zijn eigen hachje zal wel op het spel staan. Hij wilde helemaal zeker zijn, dat hem niets kan overkomen. Hij móét het te weten zien te komen. Zijn besluit staat vast. Als de geleerden het niet weten, dan gaan ze eraan. Ook Daniël hoort het. Ook hij zou eraan gaan. Hij overlegt met zijn vrienden. Wat te doen? Ze moeten barmhartigheid afsmeken bij de God des hemels.

Dan wordt de verborgenheid Gods aan Daniël geopenbaard in een nachtge­zicht. Het is niet voor te stellen. Daniël is er ook helemaal van ondersteboven. Het is toch geweldig. God is machtig. Hij regeert het grote wereldgebeuren. Hij treedt handelend op. Als wij denken: “hoe moet het nu allemaal,” dan is Hij er! Wat zijn we toch kleine ongelovige mensjes. Wij denken het allemaal zelf te moeten uitzoeken. Wat Daniël doet is dè weg. Hij zoekt het uit, be­spreekt het met zijn vrienden en ze weten dat ze barmhartigheid van de Heer moeten afsmeken. God moet het doen. God moet een weg banen. Wij moeten gehoorzaam zijn.

Kijk eens naar het dankgebed van Daniël. Je zou het uit je hoofd moeten leren. God, Gij zijt groot. U geeft de wijsheid en de kennis. U zet koningen af en stelt koningen aan. Dus als we naar de politiek kijken dan komt het aan op gebed. Smeken we Hem om genade. Here God, help. Here God, red. We gaan ten onder. En dan is Hij er. Hij troont op de gebeden van zijn onderdanen Heerlijk toch. Het zijn zijn barmhartigheden dat wij niet omgekomen zijn. Zijn trouw is groot. Hij is er altijd in leven en in sterven. Wij zijn des Heren. Dank U, Heer, voor zoveel liefde voor ons.

Dank U. Dank U, dank U, duizendmaal oneindig dank.




Daniël 2:24-49

3 april [2]



2:28

Maar er is een God in de hemel, die verborgenheden openbaart;…

2:32

Het hoofd van dat beeld was van gedegen goud, zijn borst en armen waren van zilver, zijn buik en lendenen van koper,

2:33

zijn benen van ijzer, zijn voeten deels van ijzer deels van leem.

2:38

ja, in wiens hand Hij de mensenkinderen, waar zij ook wonen, de dieren des velds en het gevogelte des hemels heeft gegeven,…

2:44

Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid,…

2:48

hij maakte hem tot heerser over het gehele gewest Babel.


Zo is het. Er is een God in de hemel die verborgenheden openbaart. Dat is het antwoord aan de koning toen. Dat is het antwoord aan de koning nu. Niet meer en niet minder. Dat is ons getuigenis. God maakt bekend wat er in de toekomst gaat gebeuren. Wat een getuigenis. Ook voor vandaag. God heeft bekend ge­maakt wat er in de toekomst gaat gebeuren. De Here Jezus is gekomen. Hij heeft bekend gemaakt wat er in het laatst der dagen zal gebeuren. Hij sprak. Hij maakt het duidelijk. Hij regeert het grote wereldgebeuren. Wij moeten gehoorzaam lezen en leven. God heeft alles in Zijn hand.

We moeten bekend maken wat Hij heeft gezegd. Dat is geopenbaard in zijn Woord. Daar haalt Daniël het ook vandaan. Van daaruit getuigt hij, daar doet hij niet geheimzinnig over. Daar is hij niet bescheiden over. Temidden van de machthebbers van die dagen roept hij dit luid en duidelijk. Ze staan meesmui­lend, spottend om hem heen. Wat denkt deze nieuwlichter wel te kunnen be­weren? Een God die verborgenheden bekend maakt. Nou, dat zullen ze dan zelf wel eens beoordelen. Wat denken die Joodse betweters wel, die armzalige ballingen.

Dan komt het verhaal, de uitleg. En tot grote verbazing van de koning en van al de wijzen blijkt het verhaal te kloppen. Niet te geloven. Wat een God! Daar kan niemand tegen op. Dat is te gek voor woorden. Het hele verhaal komt er uit. Rijken die over elkaar heen tuimelen, rijken die tegen elkaar vechten. Rij­ken die verdwijnen. Wereldschokkende gebeurtenissen, met naam en toenaam genoemd. Het gaat erom dat de koning heel goed begrijpt dat al die aardse rij­ken wel heel wat lijken, maar dat ze te gronde gaan. Dat het in feite degenera­tie is en ondergang. Steeds maar weer. Dan zal dat laatste koninkrijk komen dat alle koninkrijken zal vernietigen. Dan is het afgelopen.

Wat een heerlijk perspectief. Daar gaat het heen. Aan dat laatste koninkrijk komt geen einde, dat haalt de Here Jezus aan in Markus 1:15. De prediking van de Here Jezus gaat over dat Koninkrijk. Bekeert u want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Gelooft het evangelie. Wat moeten we roepen? Wat moeten we proclameren? Dát eeuwige Koninkrijk. Niets meer en niets minder. Heerlijk toch te mogen leven vanuit dat perspectief, vanuit die zeker­heid. Het kan niet stuk, het is geweldig. Wat een evangelie.

En geloof je het niet? Haast je, want vandaag is het begin van de rest van je leven. Het is hel of hemel. Kies nu. Laat er geen gras over groeien. Want als dat Koninkrijk komt, dan is het te laat. Wie wil nu niet een gratis reis krijgen naar dat eeuwige leven door de verzoening van de zonden door het offer van de Here Jezus? Dat wil toch niemand missen? Glorie voor zijn Naam.

Ik kan begrijpen waarom Daniël en zijn vrienden zo enthousiast waren. Ze er­varen de macht en de majesteit van God. Het is ons overgeleverd om er zelf ook enthousiast over te zijn. Geprezen zij zijn Naam.




Daniël 3:1-30

4 april [2]



3:12

deze mannen hebben zich aan u, o koning, niet gestoord: uw goden vereren zij niet, en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, aanbidden zij niet.

3:16

Toen antwoordden Sadrach, Mesach en Abednego de koning Nebukadnezar: Wij achten het niet nodig u hierop enig antwoord te geven.

3:17

Indien onze God, die wij vereren, in staat is ons te bevrijden, dan zal Hij ons uit de brandende vuuroven… bevrijden;

3:18

maar zelfs indien niet – het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet vereren, en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, niet aanbidden.

3:24

Hebben wij niet drie mannen gebonden in het vuur geworpen?

3:25

Zie, ik zie vier mannen…

3:28

Geloofd zij de God… Hij heeft zijn engel gezonden en zijn dienaren bevrijd, die zich op Hem hebben verlaten,…

3:30

Toen bewees de koning Sadrach, Mesach en Abednego bijzondere gunst, in het gewest Babel.


Geen wonder dat de occulte heidense wijzen het niet hadden voorzien op Da­niël en zijn vrienden. Iedereen kon toch weten dat hun God met hen was. Hij had toch ook het leven van de wijzen gespaard, anders waren ze er allemaal aangegaan. Maar nee hoor, stank voor dank.

Na verloop van tijd richt de koning een beeld op van wel dertig bij drie meter, dus zo groot als een flat van zeven etages. Iedereen moet beeld aanbidden. Het geluid van muziekinstrumenten is het sein dat het beeld aanbeden moet wor­den. Was het misschien zo dat de Judeeërs ook muziekinstrumenten gebruik­ten, zodat ze van tevoren wisten dat ze in de val zouden lopen? In ieder geval wordt het de koning gemeld. De koning is boos en ontbiedt ze bij zich. Maar dan komt die beroemde tekst: “Zelfs indien onze God ons niet bevrijdt, wij zullen uw beeld niet aanbidden.” Dat is krachtige taal. Vertrouwen op God. Het is dus niet zo dat, wanneer mensen omkomen in de strijd voor de Heer, de HERE God de zaak niet in de hand heeft. Integendeel! Zijn martelaren strijden voor Hem. De engelen zijn overal. Ze zijn altijd bij ons. Ook al zien we ze niet. Het is maar goed dat we ze niet zien. Ze zijn daar waar het moeilijk is. Hoe vaak ervaren we niet de kracht van God in moeilijke omstandigheden. Hoevelen hebben niet getuigd van Gods kracht, liefde en nabijheid tijdens ziekte of op hun sterfbed. Dat is God. Daar zijn waar Hij het meeste nodig is. Zoals ook wordt gezegd in de zaligsprekingen: “Zalig zij…”

Dan worden ze gebonden en in de oven gegooid. Opstoken jongens, flink op­stoken. Maar ze verbranden niet. Dan ineens ziet de koning víér mannen in de oven wandelen. Die vierde is een engel Gods. Heerlijk, wat een bescherming. Engelen kunnen tegen een stootje, zijn vuurbestendig. In de nabijheid van Jezus zijn wij ook vuurbestendig. Want als we Hem volgen, kunnen we won­deren beleven.

Sadrach, Mesach en Abednego komen naar buiten. Ja, het zijn de dienaars van de allerhoogste God. Wat een zegen. Opnieuw is bevestigd dat God alles con­troleert. Het grote wereldgebeuren is in zijn hand. Wij moeten ervan getuigen. Niet links en niet rechts gaan. Ons vooral ook niet druk maken over de vervol­ging en over problemen die op je weg kunnen komen. God houdt ons vast. We zullen het steeds merken. En als we menen dat we het niet merken, dan moe­ten we denken aan deze getuigenissen. Het is ons immers overgeleverd om ons te bemoedigen. God is sterker en Hij is altijd bij ons. Heerlijk toch. Wat een zegen. Wat een kracht.

We moeten niet schromen om de Naam van God te loven en te prijzen wan­neer we getuigen en als we politiek bedrijven in de koninkrijken waar God ons geroepen heeft. De hele wereld kan dan wel doen of God er niet bij hoort, maar wij weten wel beter. Hij hoort erbij. De politiek is van Hem. Men moet verdraaid uitkijken om af te wijken van de wetgeving van God. De profetische proclamatie moet voorop staan. Daar gaat het hier ook over. Daniël spreekt over het heden, in het perspectief van de toekomst. Dat is nog eens krachtig en bemoedigend. God weet de toekomst. Wij leven zoveel eeuwen later. De nieu­we hemel en de nieuwe aarde zullen komen, zijn veel dichterbij dan toen. We zien het voor onze ogen. Prijs de HERE.




Daniël 4:1-37

5 april [2]



4:3

Zijn koningschap is een eeuwig koningschap, en zijn heerschappij van geslacht tot geslacht!

4:11

die boom was groot en sterk,…

4:13

en zie, een wachter, een heilige, daalde uit de hemel neer;…

4:17

dat de Allerhoogste macht heeft over het koningschap der mensen en dat geeft aan wie Hij wil, ja, zelfs de nederigste onder de mensen daarin aanstelt.

4:22

dat zijt gij, o koning,…

4:26

uw koningschap zal bestendig zijn van het ogenblik af, dat gij erkent, dat de hemel de heerschappij heeft.

4:27

Daarom, o koning, laat mijn raad u welgevallig zijn: doe uw zonden teniet door rechtvaardigheid en uw ongerechtigheden door erbarming jegens ellendigen – of er misschien verlenging van uw rust wezen moge.

4:30

Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb…

4:37

Nu roem, verhef en verheerlijk ik, Nebukadnezar, de Koning des hemels, wiens werken alle waarheid en wiens paden recht zijn, en die hen die in hoogmoed wandelen, vermag te vernederen.


Daniël schrikt als de koning hem de droom van de boom vertelt. De wachter haalt de boom om. Het is de hoogmoed van de machtige koning die wordt uit­gebeeld. “Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb.” Dan gaat in vervul­ling wat de uitleg van de droom is. De koning wordt uitgerangeerd. Hij geeft niet God, de Allerhoogste, de eer, maar beroemt zich op zijn eigen grootheid. Dan gaat het mis. Dan grijpt God in. Dan komt er een einde aan al die pracht en praal.

God is een rechtvaardig God. Hij ziet het grote wereldgebeuren. Hij stelt ko­ningen aan en zet ze af. Hij ziet of ze Hem willen dienen in rechtvaardigheid of dat ze in eigen trots en eigen recht de ellendigen verdrukken en het recht met voeten treden. Het kan een tijd goed gaan, maar dan komt het ingrijpen van God. Hij eist zijn eer op. Hij is de schepper van hemel en aarde. Hem komt alle roem en eer toe.

Na de gestelde tijd ziet de koning in dat hij de eer niet aan de Allerhoogste heeft gegeven. Hij belijdt zijn zonden en roept de Allerhoogste aan. Dan gaat in vervulling wat het volgende deel van uitleg van de droom was. Hij wordt hersteld in zijn koningschap. En hij roemt, verheft en verheerlijkt de aller­hoogste Koning, wiens werken alle waarheid en wiens paden recht zijn, en die hen die in hoogmoed wandelen vermag te vernederen.

Dit is een uit het leven gegrepen verhaal. God verdient al de eer. Hij is recht­vaardig en heilig. Hij is de waarheid en het recht. Jezus zegt: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” In de Bijbel wordt de weg van de waarheid gewe­zen, wordt op overduidelijke wijze duidelijk gemaakt hoe de verhoudingen liggen. God is de Schepper. Voorbeeld op voorbeeld laat zien hoe de verhou­dingen liggen en hoe het goed komt als we de weg van zijn geboden gaan. Zijn geboden zijn niet zwaar. Als we ze doen, is er zegen aan verbonden. Glorie voor Zijn naam. Ook vandaag kunnen we weer met Hem verder, en al de dagen van ons leven.




Daniël 5:1-30

6 april [2]



5:3

Daarop bracht men het gouden gerei dat uit de tempel, het huis Gods te Jeruzalem, was weggevoerd,…

5:5

en de koning zag de rug van de hand, die aan het schrijven was.

5:6

Toen verschoot de koning van kleur, en zijn gedachten verontrustten hem, en zijn knieën stieten tegen elkaar.

5:23

maar de God, in wiens hand uw adem is en die al uw paden beschikt, Hem hebt gij niet verheerlijkt.

5:25

Mene, mene, tekel ufarsin.

5:26

Mene: God heeft uw koningschap geteld en er een einde aan gemaakt;

5:27

Tekel: gij zijt in de weegschaal gewogen en te licht bevonden;

5:28

Peres: uw koninkrijk is gebroken en aan de Meden en Perzen gegeven.

5:30

In dezelfde nacht werd Belsazar, de koning der Chaldeeën, gedood.


Waarom moest het gerei uit de tempel van Jeruzalem gehaald worden, om daaruit op dat grote feest van duizend man te drinken? Was dat godslastering? Was dat heiligschennis? Was dat bewust gedaan? In ieder geval gebeurde het. En dan verschijnt een hand die op de muur schrijft. De koning ziet de hand op de muur schrijven. Hij schrikt vreselijk. Zijn gedachten worden onrustig. Zijn knieën stoten tegen elkaar.

Als alle wijzen het schrift niet kunnen uitleggen, wordt door tussenkomst van de koningin, Daniël erbij gehaald. Hij was blijkbaar in vergetelheid geraakt. Dan brengt Daniël Belsazar in herinnering wat zijn vader is overkomen. De conclusie van het verhaal staat in vers 23: “Hem, de Allerhoogste, hebt gij niet verheerlijkt.” Het schrift wordt uitgelegd: Belsazar, er komt een einde aan uw koningschap. Heel duidelijk. Het is afgelopen. En het hoofdstuk eindigt: “In diezelfde nacht werd Belsazar gedood.”

Gods hand op de muur. Wat schrijft Gods hand vandaag bij ons op de muur? Het is de vraag, die we ons allemaal moeten stellen. Het is een zegen als God op de muur van ons hart schrijft. Hij wil de woorden van zijn hart in ons hart leggen. Hij is de auteur van ons leven. Hij heeft het goede met ons voor. Maar als wij hoogmoedig zijn, eigenzinnig, in zonden leven en daarin ook volhar­den, dan moeten we ons niet verbazen dat het mis met ons gaat. We kunnen dan naar buiten toe nog een vertoning opvoeren, zoals het ook was aan het hof van deze koning. Want feesten konden ze daar wel organiseren. Maar in wer­kelijkheid heeft God er allang een einde aan gemaakt. Het gaat hier om wat er aan het hof, wat er in de hoogste politieke kaders gebeurt. Daar speelt God de eerste viool. Het kan een tijd duren, maar aan liederlijkheid en godslastering komt een eind. Hij neemt het niet. Hij grijpt in. Voor ons soms heel moeilijk te vatten. Want wie kan uitleggen waarom de geschiedenis verloopt zoals die verloopt? Dat kan toch niemand. Hele boeken worden volgeschreven over oor­zaak en gevolg. Maar de werkelijke krachten in het grote wereldgebeuren zijn in de hand van God. Dat wordt in het boek Daniël wel heel duidelijk.

Daarom is het ook zo belangrijk dat we de woorden van God lezen. Dat we gaan begrijpen van uit welke structuur en welk perspectief Hij, de Schepper, alle dingen bekijkt. Dat is de wijsheid die ons verder brengt. Dat is de echte geschiedschrijving. Daarom is het niet te eigenwijs om te stellen dat zij die kennis hebben van het Woord van God en daaruit blijvend willen putten, de optimale kennis hebben van het grote wereldgebeuren.

Het komt er wel op aan dat we in de Bijbel lezen wat er staat. We zijn de kluts aardig kwijt geraakt, doordat we al vroeg in onze jaartelling de profetie voor Israël en de volkeren hebben vertaald naar het instituut kerk. Dat is een leugen die ons op het verkeerde been gezet heeft. Daar plukken we nog steeds de wrange vruchten van. Maar we moeten ook onderzoeken wat voor consequen­ties dat heeft voor onze kijk op de geschiedenis èn de toekomst.

Het hoofdstuk eindigt met: “in dezelfde nacht werd Belsazar gedood.” Je moet je wel realiseren wat je kan overkomen als je heiligschennis pleegt. Kom niet aan de heiligheid van God. Erken dat God de macht heeft.




Daniël 6:1-29

7 april [2]



6:4

en de koning was van zins hem over het gehele koninkrijk te stellen.

6:5

maar zij konden geen enkele grond voor een aanklacht of iets verkeerds vinden,…

6:6

tenzij wij iets tegen hem vinden in de dienst van zijn God.

6:11

Zodra Daniël vernomen had, dat het bevelschrift geschreven was, ging hij naar zijn huis; nu had hij in zijn bovenvertrek open vensters aan de kant van Jeruzalem; en driemaal daags boog hij zich neder op zijn knieën en bad en loofde zijn God, juist zoals hij dat tevoren placht te doen.

6:17

De koning nam het woord en zeide tot Daniël: Uw God, die gij zo volhardend dient, die bevrijde u!

6:19

de koning… bracht de nacht vastend door;…

6:23

Mijn God heeft zijn engel gezonden en de muil der leeuwen toegesloten

6:26

Uw vrede zij groot!

6:27

en zijn heerschappij duurt tot het einde;

6:28

Hij bevrijdt en redt,…


Een overbekende geschiedenis. Daniël in de leeuwenkuil. Wie kent het niet? Zelfs mensen die nauwelijks iets van de Bijbel weten, herinneren zich nog wel iets van de leeuwenkuil. Dat verhaal werd in geuren en kleuren op school ver­teld. Het is ook een aangrijpend verhaal.

Alles draait hier om God. Daniël vertrouwt op zijn God. De mensen, zijn vij­anden weten dat. Zijn vijanden willen niet dat Daniël de grootste wordt in het rijk. Daar zullen ze een stokje voor steken. Ze proberen hem op zijn trouw aan God te pakken. Want op andere zaken lukt dat niet. Dan wordt de wet uitge­vaardigd dat voor een periode van dertig dagen alle mensen alleen aan de ko­ning iets mogen vragen.

En wat doet Daniël. Hij gaat naar huis, doet wat hij altijd deed, bidt met open vensters drie maal daags in de richting van Jeruzalem. Daniël, Daniël, je weet dat je je moeilijkheden op de hals haalt. Sluit dan toch minstens het raam. Het komt er toch niet op aan, dat je het raam open hebt. Dat is toch niet belangrijk. Je kunt toch ook in het verborgene bidden, Daniël? Daniël, je haalt de ellende zelf over je heen. De tegenstanders liggen al op de loer. En ja hoor, daar gaat Daniël in de leeuwenkuil. En wet is wet. Hoe het de koning ook verdriet, hij kan niet anders. Hij slaapt de hele nacht niet. De volgende morgen haast de koning zich naar de leeuwenkuil. Daniël roept: de Here God heeft de muil van de leeuwen gesnoerd. Niets is hem overkomen. Hij wordt uit de kuil gehaald en zijn vijanden gaan erin en worden allemaal verbrijzeld en opgegeten.

De God van Daniël trad handelend op. En de koning schrijft aan het hele rijk: Uw vrede zij groot. Voor de God van Daniël moeten jullie vrezen en beven; want Hij is de levende God, die blijft in eeuwigheid.

Wat een wonder! Een werelds vorst, de grootste vorst van die tijd, laat aan alle honderdentwintig gewesten schrijven dat de God van Daniël de levende God is, die leeft in eeuwigheid. Hoe is het mogelijk? Hoe kun je dat bedenken? Zou dat vandaag ook mogelijk zijn? Ja natuurlijk. Want God is niet veranderd. Op het moment dat het lijkt of alles verkeerd gaat, als zonde en occultisme zich huizenhoog opstapelen, dan komt God en haalt er een streep door. En al­les verandert, want God treedt handelend op.

Daarom moeten wij de vensters van onze harten open hebben naar het hemels Jeruzalem en driemaal daags bidden en smeken. Zoals Daniël deed. O Here God, weer af de smaad op uw Naam. Wil uw vijanden binden. Wil uw Naam verhogen temidden van de volken. Here God, U bent machtig. U bent de Ko­ning der koningen. U regeert het grote wereldgebeuren. U deed de wateren van de Rode Zee en de Jordaan uiteengaan. U liet de muren van Jericho val­len. U deed grote legers terug deinzen, enz. enz. Dank U, Here God, voor uw grote liefde voor ons en voor de wereld.




Daniël 7:1-28

8 april [2]



7:2

de vier winden des hemels brachten de grote zee in beroering,

7:3

en vier grote dieren stegen uit de zee op,…

7:4

Het eerste geleek op een leeuw, en het had adelaarsvleugels… en werd het een mensenhart gegeven.

7:5

het tweede, geleek op een beer;… sta op, eet veel vlees.

7:6

gelijk een panter;… En aan hem werd heerschappij gegeven.

7:7

een vierde dier, vreselijk, schrikwekkend en geweldig sterk;… en het had tien horens.

7:8

verhief zich een andere kleine horen, en drie van de vorige horens werden daarvoor uitgerukt;… en een mond vol grootspraak.

7:9

en een Oude van dagen zette Zich neder;…

7:10

duizendmaal duizenden dienden Hem en tienduizend maal tienduizenden stonden vóór Hem. De vierschaar zette zich neder en de boeken werden geopend.

7:12

en hun werd een levensduur gegeven tot tijd en wijle.

7:13

met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon;…

7:14

en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan,…

7:18

ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden.

7:21

Ik zag, dat die horen strijd voerde tegen de heiligen en hen overmocht.

7:25

hij zal er op uit zijn tijden en wet te veranderen, en zij zullen in zijn macht gegeven worden voor een tijd en tijden en een halve tijd;…

7:27

zijn koningschap is een eeuwig koningschap, en alle machten zullen het dienen en gehoorzamen.

7:28

en ik bewaarde deze woorden in mijn hart.


Wat een strijd. Wat een oorlog. Wat een geweld. Dit gezicht staat bol van de grote strijd tussen God en de duivel. We zien het voor onze ogen. We zien de grote mensenmoorder van den beginne, die niet zal rusten voordat hij de heili­gen in zijn macht heeft. Het vierde dier kan niet beschreven worden. Het is te erg om te omschrijven. Het zal verscheuren en tekeer gaan. Het zal verslinden. Met geen pen te beschrijven. Welke koninkrijken zijn dat nu precies? Het wordt met horens omschreven. Het is wel duidelijk dat dat laatste koninkrijk een wereldomvattend koninkrijk zal zijn en dat het de heiligen zal verslinden. Hebben we dat wereldomvattende koninkrijk, dat de heiligen zal overwinnen, al gezien? Waarschijnlijk niet. Dat moet dus nog komen. Dat zal dus ver­schrikkelijk zijn. Wat moeten we ons daar bij voorstellen?

Máár, het zijn de geboorteweeën van het eeuwige koninkrijk van God. Dat koningschap dat eeuwig zal zijn. Alle machten zullen Hem dienen en gehoor­zamen. Dat staat vast. Dat geeft ons ook volharding in de strijd van nu. Maar we zullen er wel doorheen moeten. We zitten midden in die strijd. We zien het beest tekeer gaan. Verschrikkelijk. Dan weer hier, dan weer daar hongersnood en ellende. Wat een toestand. Dat is niet van God. Dat is van de duivel. God schiep de hemel en de aarde en het was zeer goed. De zonde, de ellende hoort bij het rijk van de duivel.

Het lijkt wel of de duivel door middel van geld de hele wereld in zijn macht heeft. Het is niet te geloven hoe het geld deze wereld in de greep heeft. Je kunt niet God dienen en de mammon. Het is nog maar het begin; eerst ons eigen geld veilig stellen. Of daar nu een derde wereld om crepeert, dat doet allemaal niet ter zake. Als wij maar steeds meer geld hebben. Dat is toch geen vreemde taal voor ons? We zien toch de armoede in de wereld? We zien toch de zonde om ons heen? We zien toch de speculatie? We zien toch dat de kloof toe­neemt? Is er dan geen uitweg? Ja natuurlijk. Gehoorzamen aan Gods geboden. Zijn wil doen. Dat is omzien naar weduwen en wezen in hun druk. Geprezen zij de Here God. Dank U Heer dat U ons zoveel inzicht geeft om daar met kracht over te spreken. Here geef ons meer mensen en mogelijkheden om daarop in te gaan. Here help ons. Here vergeef ons. Here wek ons op. Here, dank u wel.

Daniël moet het allemaal aanzien. Wat een parallellen met de Openbaring. Hier wordt geschiedenis, profetie geschreven en honderden jaren later wordt het nog eens door de Here Jezus zelf aan zijn geliefde discipel Johannes op Patmos bekend gemaakt. Wat een eenheid in de Schrift. Het is geweldig. Wat betekent het allemaal? Wat een rare beesten. Dat is waar. Maar heeft u wel eens een leger in oorlog gezien? Vuurspuwende monsters. Onploffende ge­bouwen. Vliegtuigen die bommentapijten leggen. Is dat allemaal zo normaal? Is het een wonder dat Daniël het vierde dier niet eens meer kon beschrijven? Het was te vreselijk. Nou, daar kunnen we over meepraten, als we de ellende zien die mensen elkaar aan doen, zowel micro als macro. En dat is nog maar het begin. Het zal nog erger worden. De mensen weten niet waar ze het moe­ten zoeken. De mensen om ons heen zijn angstig. Alleen is het veilig schuilen bij die God die zijn koninkrijk gaat vestigen van recht en gerechtigheid. Glorie voor zijn Naam. Dank U Heer voor die grote zekerheid, dwars door het lijden van de wereld heen. Dwars door de grote afval, de grote vervolging, de grote verdrukking wordt dat eeuwige rijk gebouwd. Ieder zal zich daaraan onder­werpen. Glorie voor zijn Naam. Glorie voor zijn Naam. Prijs de Heer. Prijs de Heer. Amen.




Daniël 8:1-27

9 april [2]



8:3

een ram stond voor de stroom; hij had twee horens,…

8:4

Ik zag de ram stoten naar het westen, naar het noorden en naar het zuiden,… en hij deed naar zijn welgevallen en maakte zich groot.

8:5

zie, daar kwam een geitenbok… een opvallende horen tussen zijn ogen.

8:7

en er was niemand die de ram uit zijn macht redde.

8:9

maar die zeer groot werd tegen het zuiden, tegen het oosten en tegen het Sieraad,…

8:12

en hij wierp de waarheid ter aarde, en wat hij ook deed, gelukte hem.

8:13

Hoelang zal dit gezicht gelden… het prijsgeven van het heiligdom…

8:14

Tweeduizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechten hersteld worden.

8:15

Gabriël, doe deze het gezicht verstaan.

8:17

doelt op de tijd van het einde.

8:24

machtigen zal hij verderven, ook het volk der heiligen.

8:25

doch zonder mensenhanden zal hij vernietigd worden.


Geen wonder dat Daniël verbijsterd en ziek is. Wie kan zo’n ontstellend ge­zicht, zo dicht in de nabijheid van de heilige God met mensenkracht en beper­king verwerken en begrijpen. De koninkrijken worden heel concreet aange­duid. Er is dan ook alle reden om de koninkrijken die daarna opgestaan zijn de revue te laten passeren. Dat laatste koninkrijk zal verschrikkelijk zijn. Het hei­ligdom zal zijn prijsgegeven, de waarheid vertrapt. De heiligen zullen vallen. Wat de laatste koning onderneemt zal hem gelukken. Maar dan komt het einde onherroepelijk. Zonder mensenhanden zal hij vernietigd worden. God zelf zal ingrijpen, Hij zal er een einde aanmaken.

In de laatste krachtsinspanning van de grote tegenstander van God, de mensen­moorder van den beginne, zal alles op alles gezet worden om de hele wereld in zijn macht te krijgen. Het lijkt erop alsof het hem gelukken zal, maar dan komt het einde; zonder mensenhanden zal hij vernietigd worden. Daniël begrijpt heel goed: hier wordt over het einde gesproken. Dat wat vlak vooraf gaat aan de komst van het eeuwige koninkrijk van recht en gerechtigheid. Tegen Ga­briël wordt gezegd: ‘leg hem het gezicht uit.’ Gabriël is erbij, hij is de opper­dienaar van God. Net als Michaël. Zij zijn de aanvoerders van dat leger van duizend maal duizenden en tienduizend maal tienduizenden die de Here die­nen. Dat zijn de legioenen engelen die de Here Jezus kan roepen om de duivel weg te jagen. Dat is de macht van God waar niemand tegenop kan. Want wat wij nu voor ogen zien is de werkelijkheid niet. Het kan niet zo zijn dat de mens en de wereld geschapen zijn om kapot te gaan. Voor eeuwig verloren. We zien dat er een grote herschepping nodig is. Dat er grote machten zijn die tegen elkaar strijden. Dat er ook machten in onszelf zijn die ons danig op het verkeerde been kunnen zetten. Daar moeten we ons met kracht tegen verzet­ten. Dat kunnen we alleen als we heel eenvoudig bij koning Jezus blijven.

Dat is dan ook de betekenis van het boek Daniël. Als we door de grote ver­drukking niet meer zien welke kant het op gaat, dan is een ding zeker: het gaat naar het einde en daarna komt het eeuwige koninkrijk van God. Niets meer en niets minder. Dus wat te doen? Lees je Bijbel, bid elke dag, opdat je groeien mag. Niet bang, maar heldhaftig, de wapenrusting aantrekkend. Als dan de vurige pijlen komen, kunnen we ze afweren met het schild van het geloof en het zwaard des Geestes, dat is het Woord van God.




Daniël 9:1-27

10 april [2]



9:2

dat Hij over de puinhopen van Jeruzalem zeventig jaar zou doen verlopen.

9:3

om te bidden en te smeken, in vasten en in zak en as.

9:4

en deed schuldbelijdenis…

9:5

wij hebben gezondigd en misdreven,…

9:7

Bij U, Here, is de gerechtigheid, maar bij ons een beschaamd gelaat,…

9:13

door ons te bekeren van onze ongerechtigheden en acht te slaan op uw waarheid.

9:18

maar op grond van uw grote barmhartigheden.

9:19

o Here, vergeef!… Treed handelend op; toef niet om uwszelfswil, mijn God, want uw Naam is uitgeroepen over uw stad en over uw volk.

9:26

zal de stad en het heiligdom te gronde richten,…

9:27

En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang; in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is.


Daniël kende de Schrift. Hij wist van Jeremia. Jeremia had zijn profetieën op schrift gesteld. Na zeventig jaren zou het volk terugkeren. Daniël bad tot God. Hij deed belijdenis van de zonden van zijn volk. De Israëlieten hadden God verlaten. God had wel gesproken door de profeten, maar ze hebben niet naar hen geluisterd. Zij staan daar met een beschaamd gelaat. Het was voorspeld. Als zij de Here God verlieten, dan zou het onheil komen. En het onheil was gekomen. Ze waren in ballingschap gevoerd.

Dan pleit Daniël op de almacht en de belofte van God. Hij heeft Israël uit Egypte geleid. Hij heeft hen met machtige hand uitgeleid. Hij heeft Jeruzalem verkoren en zijn tempel gebouwd. Here, het is om uw barmhartigheden dat wij ons naar U uitstrekken. Wij hebben nergens recht op. Maar treed handelend op om uws Naams wil, want uw Naam is uitgeroepen over deze stad en over uw volk. Het is dat Daniël pleit op de beloften van God. Als de Naam van God is uitgeroepen over de stad en het volk, dan kan het niet zo zijn dat de stad ver­woest blijft liggen en het volk in ballingschap is.

De engel Gabriël komt en legt hem de droom uit. Hoe het zit met al die weken. Eén ding is daarbij zeker. Het volk zal terugkeren naar het land en naar Jeru­zalem. Maar strijd zal er zijn, keer op keer. En de stad en het heiligdom zullen weer te gronde gericht worden. De tempel zal verwoest worden. Het zal een week duren en in de halve week zal het spijsoffer ophouden. Dat duidt mijns inziens op het jaar 70, toen de tempel verwoest werd. De Romeinen kwamen en verwoestten het land. Zal het nu dan de voleinding zijn, nu het volk terug­gekeerd is in het land? We leven in enerverende tijden. We zien ook alles zo beperkt. Maar het wordt hier allemaal wel concreet omschreven. Het is dus gebeurd en het zal dus gebeuren. Er wordt over heel concrete zaken gespro­ken. We moeten de geschiedenis dan ook bestuderen. We moeten acht slaan op het grote wereldgebeuren. Want het gebeurt allemaal voor onze ogen. Er zal een einde zijn aan de verwoesting. Dat zal de voleinding zijn. Het zijn enerverende gebeurtenissen. Het getuigt van Gods grote almacht. Het getuigt ervan dat God het grote wereldgebeuren in zijn hand heeft. Het getuigt ervan dat Hij opmerkzaam is hoe zijn kinderen Hem zoeken en gehoorzamen.

Gabriël is er bij als Daniël belijdenis doet van zijn zonden en de zonden van zijn volk. Het gebed is dan ook de kracht waardoor wij op God kunnen blijven vertrouwen, ook in donkere tijden. Het gaat om de gemeenschap met God. Le­ven in gehoorzaamheid aan zijn geboden. Doen we dat niet, dan moeten we het ook zelf maar weten. Maar dan gaat het niet goed. Dat doet God niet, dat doen we zelf. We zitten vaak zo vol van beklag. We moeten niet klagen, maar God gehoorzamen. Wij hebben allemaal gezondigd en zijn des doods schul­dig. Wij zijn allemaal aan de vruchteloosheid onderworpen. De zonde heerst in ons sterfelijk lichaam. De één weet daar meer van dan de ander. Maar we weten allemaal dat het waar is. De zonde heerst alom in ons en om ons heen. Dat kan niet de werkelijkheid zijn zoals God het bedoeld heeft. Daar komt een einde aan. Net zoals Daniël in de profeten vond dat na zeventig jaar de bal­lingschap voorbij is. Zo mogen wij ook uit de profeten en de woorden van Jezus weten dat er een voleinding, een uitredding komt. Heerlijk om dat te weten. Daarom mogen we ons ook beijveren om ons in te zetten voor koning Jezus. Want dat is de richting die we moeten gaan. God is barmhartig, Hij wil ons op de weg zetten en houden. Weg dus met al onze weerbarstigheden, we moeten op die weg blijven lopen. Ga met God, dan ga je goed.



Daniël 10:1-11:28

11 april [2]



10:2

drie volle weken door met rouw bedrijven; smakelijke spijze at ik niet, vlees noch wijn…

10:5

daar zag ik een man in linnen klederen gekleed…

10:6

en het geluid van zijn woorden als het gedruis van een menigte.

10:7

zo bleef ik alleen over.

10:11

Daniël, gij zeer beminde man,…

10:12

Vrees niet, Daniël, want van de eerste dag af,… zijn uw woorden gehoord, en ik ben gekomen op uw woorden.

10:13

Maar de vorst van het koninkrijk der Perzen stond eenentwintig dagen tegenover mij; doch zie, Michaël, een der voornaamste vorsten, kwam mij te hulp, zodat ik daar,… de overhand behield;

10:14

en ik ben gekomen om u te verstaan te geven wat uw volk in het laatst der dagen overkomen zal; want wederom is het een gezicht aangaande de toekomst.

10:19

Vrees niet, gij zeer beminde man, vrede zij u, wees sterk, ja, wees sterk!

11:2

nog drie koningen zullen in Perzië opstaan,…

11:5

Dan zal de koning van het Zuiden sterk worden,…

11:7

En in die tijden zal een spruit uit haar wortels in zijn plaats oprijzen,…

11:15

En de koning van het Noorden zal komen,…

11:28

Dan zal hij naar zijn land terugkeren met rijke have, en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond; zo zal hij doen en naar zijn land terugkeren.


We hebben het tegenwoordig veel over bidden en vasten. Dat is een fantasti­sche zaak. Want op gebed zal de HERE handelen. “Als mijn volk zich veroot­moedigt en tot Mij bidt,” staat in 2 Kronieken 7 vers 14, “dan zal Ik horen.” “Thans zijn mijn oren en mijn ogen op deze plaats.” “Gods ogen doorlopen de ganse aarde om krachtig bij te staan hen wier hart volkomen naar Hem uit­gaat,” 2 Kronieken 16 vers 9. Fantastisch. De Here hoort. Daniël vast en bidt drie volle weken. Waarom? Dat staat er niet bij. Rouw bedrijven? Rouw over de zonden van zijn volk, zoals in hoofdstuk 9? Wat een machtig hoofdstuk. En heel actueel. Want de tegenstander van God is elke dag bezig om ons in de richting van de zonde en de ongehoorzaamheid te trekken. Ik vermoed dat de meeste zonden in onze hersenen plaatsvinden. Wat kunnen er rare en zondige gedachten in ons opkomen. Alleen al ons oordeel over anderen. De zonde gaat verder als we dat ook uiten. Jacobus spreekt daar ook over. “De tong zet het rad der geboorte in vlam.” Wat komt daar een ellende uit voort. Geen wonder dat David in Psalm 141 zegt: “HERE, stel een wacht voor mijn mond.” Laten we allemaal maar een Wacht aanvragen voor onze mond. Laten we vandaag eens proberen alle gedachten die niet bij God horen op een blaadje papier te zetten. Dat zal een dagvulling blijken te zijn.

Daniël bidt en dan komt een man tot hem in linnen klederen en zijn stem is als het gedruis der menigte. Geen wonder dat Daniël schrikt. Er blijft geen kracht in hem over. De man raakt hem aan, tot tweemaal toe, geeft hem kracht, waar­door hij op zijn voeten kan gaan staan en in staat is om te spreken.

Dan komt het geweldige. Daniëls gebed was allang gehoord! Deze man is al drie weken bezig om te komen, vanaf het allereerste gebed, maar hij kon niet komen want de koning der Perzen stond tegenover hem. Dat is wat. De Here God hoort de gebeden, maar de hemelse strijd gaat door. Het is geweldig. De boze gaat tekeer als een briesende leeuw. God voert zijn strijd. Wij moeten Hem biddend volgen. Elk terrein dat niet aan de duivel overgegeven is, is het terrein van God. We moeten in de slagorde staan van het hemelse overwin­ningsleger van koning Jezus.

Daniël wordt aangesproken met “gij zeer beminde man.” Vervolgens wordt uitgelegd wat er in de laatste dagen met het volk zal gebeuren. Het gaat daar over de koning van het noorden en de koning van het zuiden. Het is het ene rijk na het andere. God voert zijn grote strijd. Daarna in hoofdstuk 11 vers 28 staat er: “en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond.” Het gaat tegen de God van de hemel en de aarde. Het gaat tegen de God van Israël. Het gaat tegen Zijn volk. We leven in enerverende tijden. Door de eeuwen heen heeft de vorst der duisternis, gebruik makend van de mensenkinderen, het gemunt op de kinderen van het verbond, het heilig verbond. Als we de geschiedenis zien, dan slaat de schrik ons om het hart. Het is allemaal gebeurd. En dat wordt hier beschreven. In Daniël 10 vers 14 staat dat de man is gekomen om te vertellen wat het volk in het laatst der dagen overkomen zal. Het laatst der dagen is aangebroken met de komst van de Messias. Na zijn eerste komst verwachten we nu zijn wederkomst. Daar moeten we onze ogen voor open houden.



Daniël 11:29-12:13

12 april [2]



11:29

Ter bestemder tijd…

11:30

maar op de terugweg zal hij vergramd worden tegen het heiig verbond en tot daden overgaan; en, teruggekeerd, zal hij zijn belangstelling wijden aan hen die het heilig verbond verzaken.

11:31

Dan zullen strijdmachten door hem op de been gebracht worden; zij zullen het heiligdom, de vesting, ontheiligen, het dagelijks offer doen ophouden en een gruwel oprichten, die verwoesting brengt.

11:32

En degenen die zich misgaan tegen het verbond, zal hij door vleierijen tot afval bewegen, maar het volk dat zijn God kent, zal sterk zijn en daden doen.

11:35

opdat er onder hen loutering, schifting en zuivering teweeggebracht worde, tot aan de eindtijd; want deze toeft nog tot de vastgestelde tijd.

11:36

zelfs tegen de God der goden zal hij ongehoorde woorden spreken, en hij zal voorspoedig zijn, totdat de maat van de gramschap vol is; want wat vastbesloten is, geschiedt.

11:45

Hij zal zijn staatsietenten opslaan tussen de zee en de berg van het heilig Sieraad - maar dan komt hij aan zijn einde, zonder dat iemand hem helpt.

12:1

Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat; en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe. Maar in die tijd zal uw volk ontkomen: al wie in het boek geschreven wordt bevonden.

12:2

Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen.

12:3

En de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel, en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altoos.

12:4

Maar gij, Daniël, houd de woorden verborgen en verzegel het boek tot de eindtijd; velen zullen onderzoek doen, en de kennis zal vermeerderen.

12:6

hoelang toeft het einde dezer wonderbare dingen?

12:7

Een tijd, tijden en een halve tijd; en wanneer er een einde komt aan het verbrijzelen van de macht van het heilige volk, dan zullen al deze dingen voleindigd zijn.

12:9

Ga heen, Daniël, want deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd.

12:10

maar de verstandigen zullen het verstaan.

12:11

En van de tijd af dat het dagelijks offer wordt gestaakt en een gruwel wordt opgericht, die verwoesting brengt, zijn het duizend tweehonderd en negentig dagen;

12:12

welzalig hij die blijft verwachten en duizend driehonderd vijfendertig dagen bereikt.

12:13

Maar gij, ga het einde tegen, en gij zult rusten en opstaan tot uw bestemming aan het einde der dagen.


Een machtig verhaal, een openbaring. Aan de gruwel en verwoesting komt een einde. Bij alle vragen die in je vermenigvuldigen is één ding zeker: God zal opstaan en zijn rijk van recht en gerechtigheid grondvesten, waaraan geen ein­de komt. En wij, Hem gehoorzamende, zullen daar voor eeuwig deel mogen wonen. Wij sterven wel, maar we zullen opstaan en stralen als de glans van het uitspansel. Wat wil je nog meer! De zon komt nu op en de stralen begin­nen binnen te dringen. Het wordt weer een nieuwe dag. Niemand kan die stra­len weerstaan. Wat een schoonheid. Je voor te stellen dat wij zullen stralen als de stralen van het uitspansel. Dat is toch geweldig.

Het zal door strijd heen gaan. Want de koning van het noorden zal alles te doen om zich tegen het heiligdom te keren. Het is niet voor te stellen wat hij zal doen om het heilig verbond te ontwijden en tegen Gods volk tekeer te gaan. Maar wat zien wij? Het gebeurt. Het gebeurt! Het heilig verbond, Jeru­zalem, zijn land en zijn volk zijn de steen die de natiën proberen te heffen, maar zij zullen zich deerlijk verwonden. Wie Israël zegent, zal gezegend wor­den, wie Israël vervloekt, zal vervloekt worden Het gaat gebeuren. Je ziet het voor je ogen. Wat een profetie. Daniël is een moeilijk boek, zeggen we en dat is ook zo. Je kunt blijven bij de dingen die je niet begrijpt. Dat zijn er veel, maar Daniël zelf wordt erbij bepaald dat deze dingen verborgen blijven tot de eindtijd, maar de bedoeling is om duidelijk te maken dat God het grote we­reldgebeuren regeert. Hij zal Zijn plan volvoeren. Hij zal alles doen om de wereld weer te brengen zoals het van den beginne was. Het paradijs.

Blijf dicht bij wat je geopenbaard is. Blijf bij de geboden van God. Blijf leven en werken zolang het dag is. Denk aan deze woorden als de vervolging komt. Want die komt er. Een tijd van grote verdrukking zoals er niet geweest is. Dat zal verschrikkelijk zijn. Dat is niet voor te stellen. Maar het is wel zo. We moeten vandaag opstaan en zeker weten dat deze dingen uitlopen op het eeu­wig koninkrijk van God.

Daniël was in ballingschap. De Israëlieten waren weg uit hun eigen land. Wat een vernedering. Zij, het volk van het eeuwig verbond, weg van Jeruzalem. De stad in puin. De tempel in puin, niets meer van God. Alles weg. In balling­schap in het heidense en occulte Babel. Stel je voor dat wij ver weg in balling­schap waren, bijvoorbeeld ergens in Siberië. Weg van huis en haard. Niet in staat om God te loven en te prijzen. Geen kerk, geen school, geen christelijk getuigenis. En geen uitzicht op een uitweg, want de machthebber is zo sterk dat wij, met ons klein getal, daar helemaal niets tegen kunnen doen. Zo moe­ten ze zich gevoeld hebben daar in Babel. Lees de psalmen met de klaagliede­ren er maar op na. Het moet vreselijk zijn. Geen wonder dat Daniël in deze gezichten met veel vraagtekens eindigt. Maar de engel heeft het allemaal ge­zegd. Voor God staat alles vast. Het gaat gebeuren.

Waar maken wij ons nog druk over? Het gebeurt. Het ene koninkrijk volgt op het ander en zijn plan staat vast. Ik ga vandaag in de zekerheid van de grote kracht van God. Hij is mijn God. Hij is mijn Vader. Onder zijn eeuwige vleu­gelen schuil ik met al mijn verstand, met heel mijn hebben en houden. God leidt de geschiedenis naar het door Hem gestelde doel. Die uitkomst zal zeker zijn. Dàt zeker te weten, op zijn dragende vleugels te vertrouwen, dàt geeft ons het gevoel veilig te zijn, van nu tot in alle eeuwigheid. Dat wil ik niet mis­sen. U toch ook niet!