Jacobus
drs. L.P. Dorenbos
Schreeuw om Leven – Hilversum
Titel:
Jacobus
drs. L.P. Dorenbos
Hilversum – Stichting Schreeuw
om Leven
NUR
707
Trefwoorden: bijbel, profetie, israël
©
Stichting Schreeuw om Leven – Hilversum 2005
Ruitersweg
35-37, 1211 KT Hilversum
Tel. 035 624-4352, Fax 035
624-9141
E-mail info@schreeuwomleven.nl
Internet
www.schreeuwomleven.nl
Bijbelcitaten NBG vertaling
1951
Coördinatie Alex
C.F. van Vuuren & Joop B. Buker
Medewerking Jeannette
Bemelmans, J.A.G. Delhaas
Omslag
en vormgeving Cees Baanvinger, Zoetermeer
Joop B. Buker, Joel
assist, Bloemendaal
In de serie brochures In twee jaar
de Bijbel door volgt
drs.
L.P. Dorenbos het rooster van Schreeuw om Leven
Bijbellezen.
In twee jaar de Bijbel door
In
het kader van het Schreeuw om
Leven Bijbelleesplan:
“In twee jaar de Bijbel door”
geeft drs. L.P. Dorenbos dagelijks in een persoonlijke notitie zijn
gedachten weer tijdens het lezen van het bijbelgedeelte voor die dag
ter bemoediging en als een oproep en een stimulans om te lezen, te
herlezen en te doen wat er staat, zonder de pretentie dat het zou
gaan om een gedegen bijbelstudie.
Mogen de lezers erdoor
gezegend worden.
Inhoudsopgave
|
Voorwoord |
|
|
|
|
|
Jacobus |
5 |

Jacobus 1:1-11
14 mei [2]
|
1:1 |
Jacobus… groet de twaalf stammen in de verstrooiing. |
|
1:3 |
…dat de beproefdheid van uw geloof volharding uitwerkt. |
|
1:5 |
…in wijsheid tekort schiet, dan bidde hij God daarom,… |
|
1:6 |
…hij moet bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende,… |
|
1:7 |
…dat hij iets van de Here zal ontvangen,… |
|
1:10 |
…want als een bloem in het gras zal hij vergaan. |
Jacobus
groet de twaalf stammen in de verstrooiing. Er waren Joden
teruggekeerd uit de ballingschap. Maar slechts een klein
gedeelte. Van de tien stammen was vrijwel niemand weergekeerd.
De terugkeer van Juda was nodig, omdat de Messias geboren zou worden
uit de Joden, zoals de Here God al aan Abraham, Isaäk en Jakob
beloofd had. Maar de overgrote meerderheid leeft verstrooid onder de
volkeren. De verloren tien stammen, daar hebben we het meestal niet
over. Maar Jacobus schrijft deze brief ook aan hen. Ze hadden er dus
kennelijk weet van, waar deze stammen zaten. Vandaag hebben we het
daar nauwelijks over, maar in Jeremia 31 en andere plaatsen wordt
duidelijk over de eenheid en de eenwording van de tien en de twee
stammen gesproken. De belofte was gegeven aan het nageslacht van
Abraham, aan alle zonen van vader Jakob. En hij heeft ze ook allemaal
een zegen gegeven. De splitsing in het rijk kwam omdat Salomo aan het
einde van zijn leven zijn heidense vrouwen hun kinderen aan de
Moloch liet offeren. Toen kwam het oordeel van de splitsing van het
rijk. Lees het maar na. Maar de belofte blijft de belofte. Het wordt
weer één. Dus horen ook de 10 stammen in de
verstrooiing erbij net als alle anderen van de andere twee stammen
die ook nog niet teruggekeerd zijn. Dat zal een grote volksverhuizing
worden. We hebben het dan over miljoenen en miljoenen. Ze worden als
het zand der zee, zegt God. En dat zijn er dus veel meer dan de 14
miljoen Joden die we nu kennen. Waar zitten deze stammen? Daar
zullen we nog versteld van staan. God zal ze opwekken en
terugbrengen. Zouden wij daar als Nederlanders ook bij horen? We
mogen het daar over hebben, maar moeten vooral niet speculeren. God
zelf zal zijn wet in hun binnenste leggen. Wat een geheim, wat een
verrassing, wat een verwachting. Als wij, door Gods genade, weet
hebben van deze dingen, dan mogen we ons daar naar uitstrekken. God
volvoert zijn plan. Israël blijft Israël. En wij zijn geënt
op de stam Israël. We moeten dan vooral niet roemen tegen de
wortel. De stam.
Het is een kort maar krachtig briefje. Het
begint al goed. Vreugde als we in beproeving zijn. Dat is gemakkelijk
gezegd, maar moeilijk gedaan. Toch staat het er. Het gevolg is dat
het volharding uitwerkt. Dat wel. Als we staande blijven, worden we
er weerbaar, sterker van. Daar kunnen velen van ons over meepraten.
Dat moeten we dan ook vasthouden en dat is ook onze voorbereiding
op mogelijke volgende beproevingen. We moeten dus leren van de
beproevingen die we krijgen. Het moet doorwerken. Want dan zien
we steeds meer op Jezus die zijn leven gaf voor ons, voor mij.
Als
we in wijsheid tekort schieten – en hoeveel wijsheid schieten
we niet te kort, we weten vaak niet wat we met dit of met dat aan
moeten – dan is er weer een eenvoudig antwoord: bidden en God
geeft het. Hij hoort ons gebed. Hij geeft wijsheid wat je moet doen.
Maar dan moeten we wel bidden in geloof. Daar komt alweer de
kern. Hoe vaak bidden we niet in ongeloof? We bidden wel, maar we
geloven het niet. Dat betekent dat we meer geloven in ons ongeloof en
ons eigen denken, dan dat we het werkelijk van God verwachten.
Dom eigenlijk, want bidden helpt, zegt Jacobus. Dus stoppen met
ongeloof en gelovig gaan bidden. Proberen en volharden en doen.
Juist als je in beproevingen bent, dan is gelovig bidden heel
belangrijk en een geweldige steun. Hij geeft antwoord en je weet wat
je op een gelovig gebed moet doen.
Indien je twijfelt, dan
moet je niet denken iets van de HERE te ontvangen. Wat denk je wel?
Jacobus legt het allemaal heel beeldend uit: een golf, innerlijk
verdeeld, ongestadig. Het is allemaal waar. We herkennen ons daar
direct in. Niet doen dus. Gelovig bidden. Op de Heer vertrouwen.
Kennelijk waren er armen die opzagen tegen de rijken. Ze geloofden
allebei. Maar een rijke die zich verlustigt in zijn rijkdom zal
vergaan als een bloem! De arme wordt opgeroepen om zich in
Christus op te trekken. In Hem is er geen onderscheid. En de rijke
wordt opgeroepen om in zijn geringheid te roemen. De bekende
bijbelse uitdrukking van de bloem valt af komt dan weer naar
voren. In Psalm 103 staat het en op andere plaatsen. Een heerlijk
beeld. Vaak staat het in de relatie met dat alles vergaat, maar het
is goed hier aan te denken: het Woord van God houdt stand in
eeuwigheid. We roemen in Jezus. Hij geeft kracht. Alles wat we in
onszelf zoeken zal vergaan. Een bemoediging en een waarschuwing.
Jacobus 1:12-27
15 mei [2]
|
1:13 |
Laat niemand,… zeggen: Ik word van Godswege verzocht. |
|
1:14 |
…komt dit voort uit de zuiging en verlokking zijner eigen begeerte. |
|
1:17 |
Iedere gave,… daalt van boven neder,… |
|
1:18 |
…heeft Hij ons voortgebracht door het woord der waarheid,… |
|
1:20 |
…want de toorn van een man brengt geen gerechtigheid voor God voort. |
|
1:21 |
…neemt met zachtmoedigheid het in u geplante woord aan,… |
|
1:22 |
En weest daders des woords… |
|
1:25 |
…wie zich verdiept in de volmaakte wet, die der vrijheid,… zal zalig zijn in zijn doen. |
|
1:26 |
…zijn tong niet in toom houdt,… diens godsdienst is waardeloos. |
|
1:27 |
…en zichzelf onbesmet van de wereld bewaren. |
Verzoeking.
God verzoekt niet. Dat is duidelijk. Als we verzocht worden komt het
vanuit de zuiging en de verlokking. Die zijn er dus. Wie zegt dat ze
er niet zijn? Er is een trekkende kracht naar de zonde. Daar moeten
we dus weerstand aan bieden. Weerstand bieden dat kost inspanning.
Komen er verkeerde gedachten op dan moet je je
weerstandmechanisme in werking stellen. Wat is dat? Dat is wandelen
in de liefde. Wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een
ander niet. God liefhebben en de naaste als jezelf. We hebben er zo
vaak zo’n vroom gedoetje van gemaakt. De vormen weten we wel en
de dogma’s kennen we van buiten. Maar de praktijk, daar
komt het nu juist op aan!
Wat is het gevolg als we geen
weerstand bieden tegen de zonde: de begeerte groeit en het einde is
de dood. Nou, nou, is dat niet een beetje overdreven? Niet voor
Jacobus. Hoevelen zijn er al niet het slachtoffer van de begeerte en
de verlokking? Het hoeft niet direct lichamelijk dood te zijn, het
kan ook geestelijk dood zijn voor de HERE. Niet op koers voor de
hemel, maar richting hel. We kunnen daar niet concreet genoeg over
spreken. Dat doet Jacobus dan ook. En dat moeten wij vandaag dus ook
doen. Er is alle aanleiding toe. Want de verleiding en verlokking
komen vanuit alle kanten op je af.
Dus niet dwalen. Het van
God verwachten vanwaar alleen maar het volmaakte komt. Hij heeft ons
gemaakt door het Woord der Waarheid. En wat een Waarheid! Hij
sprak en het was er. Hij sprak en ik ben er. Dat is de waarheid.
Eerstelingen onder de schepselen, eerstelingen van dat Rijk van
recht en gerechtigheid. Het Koninkrijk der hemelen. Nu al
zichtbaar in ons.
Neemt met zachtmoedigheid het in u geplante
Woord aan! Dat houdt je te snelle spreken tegen en helpt je om te
leren luisteren. Dat voorkomt boosheid en vuile taal. Dat moet je dan
ook doen!
Dan gaat het verder. Jacobus schrijft over daders
van het woord. Dat is heel concreet. Het woord der waarheid. Dus pas
op. Alles wat daar niet bij hoort, daar moet je je tegen verzetten.
Het is uit het leven gegrepen. We kunnen het zo toepassen in ons
eigen leven. Doe je wat God zegt, de wet volbrengen, dan heb je
optimale vrijheid. De wet is er niet om te knechten, maar om je
maximale vrijheid te geven. Het is dan ook de wet der vrijheid.
Probeer het maar, pas het maar toe en je zult zien dat het werkt.
Niet zeggen en toch niet doen. Dan kom je geheid verkeerd uit. We
kunnen daar uit ervaring over meepraten. Dom toch eigenlijk, terwijl
het zo duidelijk is hoe de vork in de steel zit. We trappen er steeds
weer in.
Als je wel godsdienstig bent, maar je doet het niet
wat je belijdt, dan is dat waardeloos. Nou, nou, ook dat is een
krasse opmerking. We zijn echter verleerd om de dingen bij de
naam te noemen. Daarom is er zoveel schijnheiligheid in ons
leven en in het christelijk gedoe. Daar moet de beuk in. Dat moet
ontmaskerd worden. De naaste liefhebben is het grote genot, en ons
van de wereld onbesmet bewaren. We worden dus kennelijk besmet. En
daar moeten we ons voor bewaren. Opnieuw: daar moeten we ons voor
inzetten. Daar moet je voortdurend wat aan doen. Dat is niet een
eenmalige zaak, maar een permanent gebeuren. Doen dus. We hebben
er onze handen vol aan.
Jacobus 2:1-13
16 mei [2]
|
2:1 |
…houdt uw geloof… vrij van aanzien des persoons. |
|
2:6 |
Doch gij hebt de arme smadelijk behandeld. |
|
2:8 |
Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf,… |
|
2:10 |
…wie… op één punt struikelt, is schuldig geworden aan alle (geboden). |
|
2:13 |
…barmhartigheid (echter) roemt tegen het oordeel. |
Weer
gaat het hier over rijken en armen. Kennelijk werden de rijken
voorgetrokken in de gemeente. En dat is tegen de manier waarop
God wil dat we met elkaar omgaan. Het gaat om de gelijkheid in
Christus. Daar past geen onderscheid des persoons bij. Jacobus
is daar heel scherp over. Hij waarschuwt. Het gaat om de verhoging,
door het geloof in Christus, voor rijk en arm gelijk. Daarom is de
vervulling van de wet: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Jezus
zegt dat aan dit gebod, samen met dat van het liefhebben van God, de
ganse wet en de profeten hangt. Jacobus legt het hier verder uit.
Zondig je tegen één gebod van de wet, dan heb je de
hele wet overtreden. Het komt er dus op aan om in alle aspecten en
onderdelen van ons leven de liefde en de kracht van Jezus te laten
werken. Dan komt het goed. Dan is er geen onzekerheid en heen en
weer geslinger. Daar moeten we ons op richten! Glorie voor de Naam
van God. Hij is onze Koning. Dan hebben we maximale vrijheid. Dan
komt Hij. Dan komt dat Koninkrijk. Dan zijn en willen we barmhartig
zijn. Zoals God het bedoelt en zoals de Here Jezus in zijn grote
liefde naar ons toegekomen is.
Wij hebben er een handje van
dat we naar de mensen kijken en daar ons oordeel van laten
afhangen. Dat is gevaarlijk. Dat is niet goed. We letten dan op
uiterlijke dingen en niet op de dingen van God. Daar zit het leven
vol mee. We staan zo maar klaar met ons oordeel over dit of over dat.
Onderzoek je eigen gedrag maar eens. We hebben ook vaak een oordeel
zoals andere mensen over ons oordelen. We zijn zo met onszelf bezig,
dat we bang zijn dat mensen een slechte mening over ons hebben. Daar
moeten we voor oppassen. Daar komen heel wat
minderwaardigheidscomplexen uit voort. Het gaat erom, dat we ons met
elkaar en in ieder verblijden, die de liefde van Jezus door genade in
zijn leven heeft ontvangen. Daar moeten we genoeg aan hebben en daar
moet al het ander bij in het niet vallen. Die blijdschap mag ons deel
zijn. Als we dat ontdekken, dan worden we er steeds enthousiaster
van. Probeer het maar. Het werkt omdat het zo is.
Jacobus 2:14-26
17 mei [2]
|
2:17 |
…indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood. |
|
2:21 |
Is onze vader Abraham niet uit werken gerechtvaardigd, toen hij zijn zoon Isaäk op het altaar legde? |
|
2:24 |
Gij ziet, dat een mens gerechtvaardigd wordt uit werken en niet slechts uit geloof. |
|
2:26 |
Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood. |
Zouden
er in de dagen van Jacobus mensen zijn geweest die er wel een geloof
op na hielden, maar er niet naar handelden? Maar het is toch zo
vanzelfsprekend. Je kunt toch niet geloven zonder werken? Hoe
kun je daar nu een punt van maken? Blijkbaar toch wel. Je kunt wel
zeggen te geloven , maar als je weduwe en wees laat creperen? Als je
de ander niet uitnemender acht dan je zelf, enz., enz.? Dan is je
geloof dood. Jacobus haalt een zwaar voorbeeld aan, Zwaarder kun je
haast niet bedenken. Abraham die Isaäk offert. Dat was een
opdracht. Wat een opdracht! Toch deed hij het. Hij was gehoorzaam.
Hij deed de werken, die God voor hem had toebereid. Die
gehoorzaamheid, die werken die hij voor God deed, zijn hem tot
gerechtigheid gerekend. Niet alleen het feit dat hij geloofde, maar
dat hij er ook naar handelde.
Zo word je een vriend van God,
net als Abraham. Doen wat God zegt. Daarbij kun je aan heel veel
denken. Het woord en de daad gaan samen. Het kan ook niet anders,
want het woord zet in beweging. We kunnen er vele voorbeelden van
geven. In ons eigen leven, maar ook vanuit de Bijbel. Geloof zonder
werken is dood. Daar heb je niets aan. Daarom moeten we aan de
slag, niet om daarmee onze behoudenis te bewerken of om er ons geloof
door te bewijzen en niet om door werken ons geloof te verkrijgen. Ook
niet omdat we er een soort werkheiligheid op na houden en die
koesteren. Neen, niets van dat alles. Geloof en werken zijn één.
Je doet het uit dankbaarheid en gehoorzaamheid. Omdat God jou heeft
liefgehad, wil je je naaste ook liefhebben als jezelf. En dan is er
zoveel dat op je pad komt. Daar hoef je niet ingewikkeld voor te
doen. Daar moet je gewoon je geloofsogen en hart voor open houden.
Dan weet je wat er gebeurt. Dat is de grootse ontwikkelingskracht die
je je maar kunt bedenken. Daar komt een geweldige samenleving uit
voort. Dat is de samenleving van liefde en goede werken. Als daar de
wereld meer van doortrokken wordt, dan gebeuren er wonderen. Dat
is opwekking. Daar mogen we ons elke dag opnieuw naar uitstrekken.
Stoppen met ons dode of werkheiligheidsgeloof en uit liefde
wandelen.
Jacobus 3:1-18
18 mei [2]
|
3:2 |
…wie in zijn spreken niet struikelt, is een volmaakt man,… |
|
3:5 |
Zo is ook de tong een klein lid en voert toch een hoge toon. |
|
3:8 |
Zij is een onberekenbaar kwaad,… |
|
3:11 |
Doet soms een bron uit dezelfde ader zoet en bitter water opwellen? |
|
3:18 |
Maar gerechtigheid is een vrucht, die in vrede wordt gezaaid voor hen, die vrede stichten. |
Jacobus
is goed in het beeldend voorstellen van een situatie. Nu gaat het
over spreken. Het gaat over de tong. Het is maar al te waar, wat hij
zegt. Het is een klein lid, maar toch voert het een hoge toon. Wat
wordt er ontstellend veel gezegd. En wat wordt er ontzettend veel
goeds en ontzettend veel verkeerds met de tong gedaan. De tong kan
geen mens bedwingen. We kunnen ontzettend veel bedwingen maar de
tong blijkbaar niet. Het is een onberekenbaar kwaad vol dodelijk
venijn. We weten er allemaal van. Je zou kunnen denken: Jacobus
overdrijft toch wel een beetje. Is het nu echt allemaal zo verkeerd?
Dat is nogal wat: een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn. Maar
niets is minder waar. Wat doen we elkaar toch veel kwaad aan met onze
tong. Elk verkeerd woord is uit de boze. Het is dodelijk. Het is
venijn. Het is waar. Een woord vliegt zo maar uit onze mond. Het
begint met wat we allemaal in gedachten verkeerd doen. Het komt
uit ons denken en dan zeggen we het. We flappen er zoveel uit. We
zijn zo gauw klaar met ons oordeel. We gebruiken de tong om onze
eigen zin door te drijven, om ruzie te maken, om de ander af te
breken. Hoe vaak is het niet zo? Als we boos zijn dan kan er van
alles uitkomen. Jacobus overdrijft niet. Het is waar. En zien we
het breder, wat kunnen de mensen elkaar met woorden aandoen. Er
komen oorlogen uit voort. Dit moet mijn broeders, niet zo zijn. Dat
is duidelijk. Wat hebben we dan een ontzettende strijd te leveren om
onze tong te bedwingen. Ook hier weer zo’n prachtige
illustratie hoe één vlammetje een heel bos in brand kan
zetten. Zo moeten we ontzettend oppassen om niet door iets kleins
geheel verkeerd te gaan. Dan moeten we onze tong afbijten. Dan moeten
we wel drie keer nadenken, voordat we er iets uitflappen. We
zitten zo verkeerd. Indien we God liefhebben en onze naaste als
onszelf, dan willen we toch met onze tong niemand tekort doen.
De
tong is een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn. Nou, nou, als
het dan zo gevaarlijk is, dan mogen we wel bidden of God een wacht
voor onze lippen zet. Het is een gevaarlijk instrument. Terwijl het
bedoeld is om de HERE te loven en te prijzen. De duivel heeft er
alles aan gedaan om onze tong in zijn greep te krijgen om er dodelijk
venijn uit te laten spuiten. De zonde heeft vat op ons gekregen. Als
we dat dan weten, dan moeten we uit onze bron alleen maar zoet water
laten komen en geen bitter. Hoe moeten we dat doen? Nadenken wat we
zeggen. Beseffen dat we een ander ontzettend kunnen pijn doen met wat
we zeggen? Nadenken over wat de gevolgen zijn van wat we zeggen. In
principe ons inzetten om alleen maar positieve, opbouwende dingen te
zeggen. Nooit onszelf zoeken. Niet ons eigen recht zoeken. Liefde
laten spreken. We zouden een cursus moeten ontwikkelen hoe we ons
spreken beter kunnen gebruiken om elkaar in liefde te dienen en op te
bouwen. De wereld zou er veel beter uit zien als we daar ons best
voor deden. Wij kunnen er in ieder geval mee starten. En, zo nodig,
steeds weer opnieuw. We kunnen in ieder geval beginnen door eens na
te denken waar wij over de schreef gingen en waar wij ons
spreken moeten aanpassen, veranderen en zuiveren, om beter naar de
wil van God te spreken. Dat zal niet meevallen, want om jezelf te
verbeteren en te erkennen dat er bij je verandering nodig is,
lijkt wel de grootste onmogelijkheid die er bestaat. En toch staat
het er. Een zoete bron kan alleen maar zoet water voortbrengen.
Zullen we eens kijken hoe het ons af gaat?
Het laatste stukje
gaat over naijver en zelfzucht. Daar heerst wanorde en chaos. En zo
is het. Kwade praktijken. Haat en nijd. Dat heeft niets met liefde te
maken. Ook daarbij komt de tong vaak om de hoek. We moeten de
wijsheid zoeken, die van boven komt. Het komt weer op hetzelfde neer:
de liefde. Die uit zich in goede daden en eigenschappen. Daar moeten
we ons naar uitstrekken. Dat is hemelse wijsheid. Het is een
vrucht. Gerechtigheid, die in vrede wordt gezaaid, voor hen die vrede
stichten. Alleen over dit vers kun je al een boek schrijven. Waar
kiezen we voor? Wijze zachtmoedigheid, die van Boven komt.
Jacobus 4:1-17
19 mei [2]
|
4:1 |
…uit uw hartstochten, die in uw leden zich ten strijde toerusten? |
|
4:6 |
God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft hij genade. |
|
4:7 |
Onderwerpt u dus aan God, maar biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden. |
|
4:8 |
Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen. |
|
4:10 |
Vernedert u voor de Here en Hij zal u verhogen. |
|
4:12 |
Eén is uw wetgever en rechter,… |
|
4:14 |
…gij die niet (eens) weet, hoe morgen uw leven zijn zal! |
Al
ons strijden en vechten komt voort uit onze hartstochten. We kunnen
bidden, maar als we onze hartstochten niet kruisigen, dan
ontvangen we niets. God is een jaloers God. Hij eist ons helemaal op.
We moeten ons geheel aan Hem overgeven. We moeten ons onderzoeken
waar we, zelfs met onze vrome gebeden, toch nog onze hartstochten
botvieren. Hij ontdekt ons eraan. Als wij ons voor Hem vernederen,
dan zal Hij ons verhogen. Want Hij is genadig en lankmoedig, groot
van goedertierenheid. We moeten ons aan Hem onderwerpen en
weerstand bieden tegen de duivel. Dat vraagt inzet. Dat gaat niet
vanzelf. Daar moeten we ons in trainen. Daar moeten we ons voor
buigen. Hoogmoed is de HERE een gruwel. Weg met onze eigen
gerechtigheid. Hij verhoogt ons, als wij ons voor Hem
vernederen. Hij doet het. Weg met ons gebral en gelach. Als je je
eigen zonde ontdekt, treur je. Hij redt je dan. Dat gaat vaak tegen
ons eigen vlees in. Maar als we het leren doen, dan zal Hij ons ook
verhogen. Dan wordt het een lust de HERE te vrezen. Er is een groot
geheim: de geboden van de HERE zijn niet zwaar. Het lijkt onmogelijk,
maar als we ons er naar uitstrekken, dan geeft Hij ons de kracht om
ze te volbrengen. Want wat Hij belooft heeft, dat doet Hij ook. Als
we ons naar Hem uitstrekken, dan zal de duivel van ons vlieden. Want
waar God is, gaan de demonen op de vlucht. Waar het Licht is, kan
geen duisternis zijn. Is dat niet een geweldige gedachte, een
geweldige zekerheid, een heerlijke vrede en rust, een hoopvolle
genade?
Als we op onszelf zien, dan kunnen we in treurigheid
uitbarsten, want dan is er geen hoop. Dan zijn we de ellendigste
mensen. Onze hoogmoedige houding moet dan ook in treurigheid
verkeren. Want zie hoe vaak doen we de HERE God verdriet, omdat we
onszelf toch weer verhogen. Maar als we zien op de genade van God en
zijn grote liefde en we ons toch weer voor Hem vernederen, dan
zal Hij ons verhogen en dan gaan we steeds meer uit gehoorzaamheid en
dankbaarheid voor Hem leven. Dan willen we ons, uit liefde voor Hem,
reinigen en heiligen. Het is een geheim, een grote zegen.
Dan
oordelen we niet. Dan stoppen we met lasterpraat. Dan is er maar één
Rechter, één Wetgever. Dat weten we heel zeker. Dan
hebben we ook niet zo’n hoog woord over alles wat wij wel eens
zullen doen. En wat hebben we vaak een groot woord, alsof wij alles
in onze hand hebben. Maar niets is minder waar. We weten niet eens
hoe onze dag er morgen uit zal zien. We roemen o zo vaak in onze
eigen grootspraak. En ja, dan halen we God er nog wel een beetje bij,
maar dat is dan slechts een sausje, omdat dat er ook bij hoort. Maar
de weg is opnieuw: verneder u voor God en Hij zal u verhogen. Het
gaat om: indien de HERE het wil en wij leven. Dat is de volgorde in
ons leven. Het is een geheim, dat werkt. Want als we het vanuit God
zien, dan weten we zeker dat Hij het goede voor ons wil. Dus alles
wat we van daaruit doen geeft ons rust en zekerheid, omdat Hij alles
in zijn hand heeft; ook mij, klein nietig mensenkind die met God gaat
en door Hem veilig thuiskomt, wat hem ook kan overkomen.
Wat
een rust. Wat een eeuwig leven. Wat een zekerheid dat alles medewerkt
ten goede voor hen die geloven. HERE help mij, help ons om zo vandaag
weer op pad te gaan. Prijs de HERE.
Jacobus 5:1-20
20 mei [2]
|
5:3 |
Gij zijt schatten gaan opleggen, terwijl het de laatste dagen zijn. |
|
5:6 |
Gij hebt de rechtvaardige veroordeeld, ja vermoord; er is geen verweer tegen u. |
|
5:8 |
Oefent ook gij geduld, sterkt uw harten, want de komst des Heren is nabij. |
|
5:11 |
Zie, wij prijzen hen zalig, die volhard hebben;… dat de Here rijk is aan barmhartigheid en ontferming. |
|
5:16 |
Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt. |
|
5:20 |
…wie een zondaar van zijn dwaalweg terugbrengt, diens ziel van de dood zal behouden… |
Jacobus
begint hier weer over de rijken. Er waren kennelijk veel rijken in de
verstrooiing, anders zou hij het er niet steeds over hebben. De
onderdrukten, de uitgebuite mensen schreeuwen naar de hemel en de
HERE Zebaoth hoort het. In de wetten van Mozes staat precies
beschreven hoe het met de verhoudingen zit. Van uitbuiting mag
absoluut geen sprake zijn. Maar hier is dat wel het geval. Daar volgt
het onherroepelijk oordeel op. En dat kunnen ze weten, want volgens
Jacobus is de dag des HEREN nabij, de dag van het oordeel. Hij roept
de uitgebuitenen op om te volharden. De moed niet opgeven. Jacobus
begrijpt ook dat hij er niet veel aan kan doen, dat deze mensen
verdrukt worden. Daar zitten ook gelovigen tussen. Hij wijst ze
op de volharding van Job. Wat een ellende maakte die mee. Maar
uiteindelijk kwam het goed. Hij wijst op de profeten. Wat hebben die
niet allemaal moeten meemaken. De HERE is rijk aan barmhartigheid en
ontferming. Daar staat de Bijbel vol van. Als die grote dag gekomen
is, dan zal iedereen ervaren wie de Rechter is. Hoe de situatie
echt zit. Wie er dan verhoogd zal worden en wie er vernederd zal
worden. God regeert.
Tot slot volgen de laatste korte
krachtige opmerkingen. Ja is ja. Neen is neen. Is er leed? Ga bidden.
Is er ziekte? Bid. Het gaat om het gelovig gebed. Je moet elkaar de
zonden belijden en voor elkaar bidden. Alles moet wel zuiver zijn
voor God. We hebben te maken met een jaloers God. Het is ook geen
eerlijke zaak, dat zal iedereen begrijpen, wanneer we wel gezond
willen worden, maar toch aan onze zonden en onze hooghartigheid
blijven vasthouden. We moeten ons geheel aan Hem willen onderwerpen,
dan zal Hij ons verhogen. We maken er zo vaak een halve zaak van.
Gaan maar een stukje op de Weg, alleen dat deel dat ons past. We
weten dat maar al te goed. Maar het gaat hier om het gelovig gebed.
Het gaat hierom, dat we schoon schip maken, dat we ons uitleveren aan
Hem. Het gelovige gebed, het gebed van een rechtvaardige vermag veel,
omdat er kracht aan wordt verleend. Daarom moeten we vanuit God gaan
denken en gaan leven. Het komt er echt op aan. Gebed moet ingebed
zijn in geloof en belijden. Dan wil God genezen. Volkomen overgave
aan Hem, Die alleen maar het goede met ons voor heeft.
Het is
steeds maar hetzelfde verhaal: God heeft het beste met ons voor. Hij
wil ons zegenen. Hij wil ons genezen. We moeten heel dicht bij Hem
blijven. We kunnen ontzettend veel genade ontvangen. Hij zal ons
verhogen. De persoon Elia wordt ons ten voorbeeld gesteld. God doet
wonderen op het gebed. Niet alleen toen, maar ook nu. Daarom is
bidden o zo belangrijk. Niet het bidden op zich, maar het onderworpen
willen zijn aan God. Daarom, alvorens we bidden, moeten we onze
hartstochten kruisigen en ons vernederen voor God. Daar zit zo’n
geweldige, bevrijdende werking in. Daar ontvang je zoveel kracht uit.
Dat is geweldig. Want dan kan God onze lasten op Zich nemen. Wat zijn
we toch een stelletje domoren, dat we almaar onze eigen zonden mee
torsen en maar blijven sjouwen tot we er bij neer vallen, terwijl God
zo dichtbij is en blijft roepen: leg nou toch al je lasten op
Mij! Laat jezelf los en laat je hartstochten gaan. Laat toch varen
dat strijden om je eigen gelijk. Ik zal voor je strijden en jij moet
stil zijn. Wat een geweldige God. Hij weet het en Hij zal het
doen.
Het einde van een kort briefje. Een krachtig briefje. We
zouden de principes eigenlijk uit ons hoofd moeten leren. Maar
belangrijker is: pas het toe in je hart. We gaan een geweldige tijd
tegemoet. Of we nu rijk of arm zijn. De HERE God is goed.