Jona





drs. L.P. Dorenbos


























Schreeuw om Leven – Hilversum


Titel: Jona
drs. L.P. Dorenbos
Hilversum – Stichting Schreeuw om Leven

ISBN 90-71732-39-8
NUR 707


Trefwoorden: bijbel, profetie, israël

© Stichting Schreeuw om Leven – Hilversum 2005
Ruitersweg 35-37, 1211 KT Hilversum
Tel. 035 624-4352, Fax 035 624-9141
E-mail info@schreeuwomleven.nl
Internet www.schreeuwomleven.nl

Bijbelcitaten NBG vertaling 1951

Coördinatie Alex C.F. van Vuuren & Joop B. Buker
Medewerking Hanneke Bemelmans, J.A.G. Delhaas

Omslag en vormgeving Cees Baanvinger, Zoetermeer
Joop B. Buker, Joel assist, Bloemendaal

In de serie brochures In twee jaar de Bijbel door volgt
drs. L.P. Dorenbos het rooster van Schreeuw om Leven
Bijbellezen.










In twee jaar de Bijbel door



In het kader van het Schreeuw om Leven Bijbelleesplan:
“In twee jaar de Bijbel door”
geeft drs. L.P. Dorenbos dagelijks in een persoonlijke notitie zijn gedachten weer tijdens het lezen van het bijbelgedeelte voor die dag ter bemoediging en als een oproep en een stimulans om te lezen, te herlezen en te doen wat er staat, zonder de pretentie dat het zou gaan om een gedegen bijbelstudie.

Mogen de lezers erdoor gezegend worden.








Inhoudsopgave



Voorwoord




Jona

5







Jona 1:1-17

12 april [2]



1:2

Maak u op, ga naar Ninevé, de grote stad, en predik tegen haar, want haar boosheid is opgestegen voor mijn aangezicht.

1:3

Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, weg van het aangezicht des HEREN,…

1:4

Maar de HERE wierp een hevige wind…

1:5

en hij had zich daar neergelegd en was in een diepe slaap gevallen.

1:7

opdat wij te weten komen door wiens schuld dit onheil ons treft. …en het lot viel op Jona.

1:9

en ik vrees de HERE, de God des hemels, die de zee en het droge gemaakt heeft.

1:10

want dat had hij hun medegedeeld.

1:12

Neemt mij op en werpt mij in de zee, en de zee zal ophouden tegen u te woeden.

1:14

en leg geen onschuldig bloed op ons, want Gij, HERE, hebt gedaan gelijk U behaagde.

1:15

Daarna namen zij Jona op en wierpen hem in de zee, en de zee hield op met woeden.

1:17

En de HERE beschikte een grote vis om Jona in te slokken; en Jona was in het ingewand van de vis drie dagen en drie nachten.


Jona. Als er één bijbelverhaal is, dat de meeste mensen nog wel kennen, dan is het wel Jona in de vis. Heel veel mensen weten niets meer van de Bijbel dan wat verhalen. De zondvloed, Adam, misschien Mozes. Sommigen David, maar Jona dat weet haast iedereen nog. Het is ook een apart verhaal. Vier hoofd­stukjes in de Bijbel.

De zonde van Ninevé was tot aan de hemel opgestegen. Jona moet daar heen om tegen haar te prediken. Er is dus zonde in de stad. En dan moet er iemand zijn om tegen haar te prediken. De stad zelf zal het niet als zonde ervaren. Misschien zelfs wel als vooruitgang. We gaan voort in de vaart der volkeren. Weg met al dat ouderwetse gedoe. Kennelijk waren er ook wel mensen in die stad, die de HERE kenden. Maar zij waren misschien ook wel afgevallen. Jona moet er heen.

Waar Jona vandaan kwam en wat voor opleiding hij had en waarom nu juist hij werd gezonden, weten we niet. We weten ook niet waarom dit boekje in de Bijbel staat. Maar het staat erin met een bedoeling. Alles wat de Schrift zegt, is ons overgeleverd tot voorbeeld. Opdat wij ons eraan toetsen en niet in de­zelfde fouten vallen. We moeten dus goed opletten wat we er van kunnen le­ren. Jona, je hoort het. Je moet naar Ninevé. Je moet tegen de zonde prediken. Jona hoor je Me? Ga!

Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis. Weg van het aangezicht des HEREN. Hij wil niet. Hij verzet zich. Hij gaat op de vlucht. Weg van God. God heeft het hem kennelijk zo duidelijk gezegd dat hij precies weet wat er aan de hand was. Hij wil niet. Hij ziet de bui al hangen. Hij ziet al die tegen­stand in die grote stad. Hij ziet al rotte eieren en tomaten, scheldpartijen en misschien tuigen ze hem wel af. Nee, hij heeft geen zin om tegen de stroom in te roeien, want de onreinheid in die stad is zeer groot. Nou, dan hoeven wij niet te raden wat die zonden zijn. Dat is hoererij, dat is occultisme, dat is god­deloosheid, dat is afval van God. Dat zullen ook wel kinderoffers zijn aan de Moloch/Baälsdienst. De vreselijkste dingen. Wat een toestand. Hij gaat naar Jafo en vaart naar Tarsis.

Maar dan geeft de HERE een storm. De HERE geeft een storm. Dat is toch wel erg kinderlijk gedacht. Wat denk je nou, dat de HERE bepaalt dat er een storm komt? Dat is toevallig en dat hangt van hoge en lage drukgebieden af. Er kwamen wel vaker stormen voor in dat gebied. Er zijn nog van die mensen die geloven in een rechtstreeks ingrijpen van God in de natuur. Dat is zielig. Dat is kinderlijk. Als je dat soort dingen hoort, dan weet je dat je met ouder­wets achterlijke mensen te maken hebt. Dat zijn fundamentalisten. Die sterven wel uit. Wij weten inmiddels beter. En weet je, we weten helemaal niet zeker dat het een waar gebeurd is. Er staan zoveel allegorische dingen in de Bijbel. Het is meer een sprookje. Het heeft de bedoeling om iets duidelijk te maken. Hoort u de nieuwlichters al praten? De moderne liberale theologen die er zelf een Bijbel van gemaakt hebben, die ons wel eens zullen zeggen wat waar is en wat niet waar is. Dwaallichten zijn het.

Maar hoe dan ook: het stormt. En het schip vergaat. Allen bidden tot hun god, maar het helpt niet. Ze gooien de lading overboord. En wie ligt daar te slapen onder in het ruim? Jona. Alsof er niets aan de hand is. Dat is toch wel heel bij­zonder. Dat is niet normaal. Wie heeft dat ook gedaan? Jezus tijdens de storm op het meer. Verwijtend komen dan de discipelen alsof Hij niet weet dat ze in gevaar zijn. Redt ons. Jona is in slaap, in een diepe slaap. De HERE heeft een diepe slaap over hem laten vallen. De HERE is met Jona bezig. Het is de HERE die hier de regie heeft. De gezagvoerder verwijt hem en dwingt hem om tot zijn God te bidden. En dan werpen ze het lot. En het lot valt op Jona. Ze hebben misschien wel gedacht dat de slapende Jona het moest zijn. Er moet toch een oorzaak zijn, dat ze in zulk vreselijk stormweer terechtgekomen zijn. En Jona zegt, dat hij de HERE God aanroept, de God des hemels, die de zee en het droge gemaakt heeft. Dat is meteen een radicale geloofsbelijdenis. Geen andere goden. Nee, de enige en alomtegenwoordige God. Hij heeft het allemaal gemakt. En al die andere goden, dat zijn geen goden. Het is mijn God des hemels. Ik ben een Hebreeër. En dat is dat bijzondere volk, dat die God heeft uitgekozen. Die mensen hebben een God die je niet kunt zien. Ze mogen zelfs niet eens gesneden beelden maken. Die God woont in een tempel zonder beelden. Vreemd. Maar wel bijzonder. Want ze kennen allemaal de geschiede­nissen hoe die God grote wonderen heeft gedaan. De annalen schrijven erover.

Ze weten op het schip dat Jona op de vlucht is. Ze willen weten wat hij gedaan heeft. Jona weet zeker, dat als ze hem overboord gooien, de zee zal bedaren. Hij beseft diep in zijn hart dat God die storm heeft gegeven om hem. De man­nen proberen toch nog de boel onder controle te krijgen, maar niets helpt. Ze zijn bang dat ze onschuldig bloed vergieten, want ze beseffen dat ze met de grote God van Jona te maken hebben. Ze nemen Jona op en werpen hem in de zee, en de zee houdt op met woeden. Kan het nog duidelijker? Kan God nog duidelijker spreken? Hoe zit ons leven niet vol met kleine en grote Jona’s? We geloven het wel, maar we geloven het wel! Wat zijn we toch steeds op de vlucht voor het meest normale wat God van ons vraagt? Hij vraagt van ons ge­hoorzaamheid. Hij wil ons helpen om zijn geboden ten leven te volgen. En wat doen we? We zijn als maar op de vlucht. We zijn als maar ongehoorzaam. We doen steeds maar waar we zelf zin in hebben. We weten het heel goed. Maar we doen het maar niet. En hoe vaak zijn er niet van die door God gegeven momenten, wonderen, gebeurtenissen die ons er bij moeten bepalen om weer ernst te maken met God. En wat doen we dan? Zien we het? Willen we het zien? Of doen we onze ogen dicht en denken we dat het voor God wel verbor­gen zal blijven?

Jona leert ons beter. Je kunt een boot nemen. Je kunt denken voor de HERE God weg te vluchten, maar God is overal. Is dat benauwend? Ja, als je op de vlucht bent wel. Dan voel je de hete adem van God in je nek. En Jona werd zeer hardhandig gepakt. Hij begreep het drommels goed. Maar wij weten het ook. Blijf binnen de marsroute van God. En die is heel eenvoudig. Lees de tien geboden maar. Is dat moeilijk? Nee! Het vraagt wel inspanning. Want de boze is er steeds bij om je van de weg af te trekken, vooral je zwakke punten op te zoeken. Niet doen. Pas op. God ziet het. Hij roept je terug door de liefde van Jezus. Maar wil je niet komen, dan moet je ook niet opkijken dat je ver­keerd uitkomt. De mannen op het schip zijn diep onder de indruk. Ze slachten de HERE een offer. Als dit de God van Jona is, dan is het een grote God. Het getuigenis van Jona is: God is God. Er is geen andere God. Want welke God luwt de storm en doet de regen stoppen? We moeten dus de HERE God aan­lopen en Hem gehoorzamen. We moeten met alles naar Hem toegaan. Want Hij wil ook de stormen van ons hart ook stillen. Heerlijk toch. Als wij onge­hoorzaam zijn, dan weten de mensen dat om ons heen. De niet-christen weet heel goed, wat wel en wat niet bij die Jezus van die christenen hoort. We moe­ten dan ook in leer en leven getuige zijn. Dat is ons doel. Dat is onze opdracht. We kunnen wel vroom zijn, maar er niet naar leven in de praktijk, dat is het grootste anti-evangelie. Wat een geschiedenis: Jona.




Jona 2: 1-10

13 april [2]



2:1

En Jona bad tot de HERE, zijn God, uit het ingewand van de vis.

2:2

Hij zeide: Ik riep uit mijn nood tot de HERE en Hij antwoordde mij; uit de schoot van het dodenrijk schreeuwde ik, Gij hoordet mijn stem.

2:3

Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zee, en een waterstroom omving mij; al uw brandingen en uw golven gingen over mij heen.

2:4

En ik, ik zeide: verstoten ben ik uit uw ogen, zou ik ooit weer uw heilige tempel aanschouwen?

2:5

Wateren omringden mij, zij bedreigden mijn leven, de diepte omving mij, met zeewier was mijn hoofd omwonden.

2:6

Tot de grondvesten der bergen zonk ik neer; de grendelen der aarde waren voor altoos achter mij. Toen trokt Gij mijn leven uit de groeve omhoog, o HERE, mijn God!

2:7

Toen mijn ziel in mij versmachtte, gedacht ik de HERE, en mijn gebed kwam tot U in Uw heilige tempel.

2:8

Zij die nietige afgoden dienen, geven Hem prijs, die hun goedertieren is.

2:9

Maar ik, met lofzegging wil ik aan U offeren; wat ik beloofd heb, wil ik betalen; de redding is des HEREN.

2:10

En de HERE sprak tot de vis en deze spuwde Jona uit op het droge.


Wat een geschiedenis. We kennen allemaal het kinderliedje: “Jonas in de wal­levis, … van je één twee drie”. En dan werd je bij handen en voeten heen en weer geslingerd en in het water gegooid. Dat kennen alle kinderen. Dat is een liedje uit de Bijbel. Jona in de walvis. Was het een walvis? Het kan toch niet? Ook al kan het niet, het kan. Want God beschikte een grote vis. En daar zit Jona. Wat zal er door hem heengegaan zijn? Dat lezen we in dit gebed. Inder­daad, het leek erop dat het dodenrijk zijn groeve was. Er was geen redden meer aan. Hij wist zeker dat zijn leven zou eindigen in de diepte der zee. Met alle stormen en golven boven hem. Het is voorbij. Verstoten. Weg van God. Zou hij wel ooit weer een heilige tempel zien?

“Toen trokt Gij mijn leven uit de groeve omhoog.” Ja, zo is het. Als er grote nood is, dan is het de HERE die de oplossing geeft. We zijn zo vaak met ons zelf aan het tobben. We zien het zo vaak niet zitten. Maar dan zijn we ver­keerd bezig. Want het gaat er om dat we God de leiding in ons leven moeten geven. Hij leidt ons overal doorheen. In goede en in kwade dagen. En wat kunnen de dagen kwaad zijn. Want deze wereld, en ook wij zelf zijn onder­worpen aan de zonde. Alles zien we ten dele. We worden geboren om te ster­ven. En als we geboren worden, dan worden we in zonde ontvangen en gebo­ren. We weten het allemaal maar al te goed. En toch. We geven God overal de schuld van als er iets mis gaat. God had toch dit en God had toch dat. Dat is niet eerlijk. Want God wil ons juist helpen door dit tranendal heen. We weten dat de zonde en de boze aan ons rukken. Steeds opnieuw is er die stem die ons slechte dingen in wil fluisteren. Zou je niet dit en zou je niet dat. Het is als de slang in het paradijs. En ja hoor, we weten sinds die tijd goed en kwaad. En we weten dat het een hele strijd is. Maar we moeten in die strijd volharden. Dicht bij Jezus blijven. Het van Hem verwachten. Zou een vader stenen geven aan zijn kind als hij hem om een brood vraagt? De Vader weet wat het beste is voor zijn kind. Steeds opnieuw komt het er op aan, dat we ons aan Hem over­geven en het van Hem verwachten.

Toen Jona in nood was kwam zijn gebed tot God. Nood leert bidden, zeggen we. Dat is ook zo. Daarom is het goed om mensen in nood ook op Jezus te wijzen. Want dan willen ze wel bidden. Want ze zijn met hun hart in de pro­blemen. Ze zitten ook diep in een dal. En daar willen ze uit. God wil hen daar uittrekken. Daarom moeten we hen Jezus voorhouden en vertellen dat juist Jezus zijn leven gegeven heeft, voor deze nood van de wereld. Ook de nood, waar hij of zij op dat moment in zit. We mogen ons opwaarts heffen vanuit de diepte om God in de hoge, in zijn heilige tempel, te bidden. Weet u wat er ge­beurt? Als we ons afhankelijk stellen en weten van de HERE God, dan ant­woordt Hij ons met zijn liefde en vrede. Dat gaat alle verstand te boven. Maar daar is Hij dan ook God voor. En als we ons blijven richten op ons zelf, dan missen we de goedertierenheid van God. De heidenen aanbidden nietige afgo­den en daarmee geven ze God prijs. Het leidt hen tot niets. Ze missen de goe­dertierenheid van God. Want God is goedertieren, barmhartig, lankmoedig en groot van genade. Wij straffen elkaar zomaar af. Maar God laat je nooit in de steek, hoe diep je ook gevallen bent. Dat is geweldig.

Maar dan moeten we net als Jona ook doen, wat we beloofd hebben. Het is niet zo, dat we vrijblijvend met ons leed tot God kunnen gaan en als het dan weer wat beter gaat de boel aan onze laars lappen. Dat is gevaarlijk, want dat neemt God niet. Hij laat geen spelletje met Zich spelen. De redding komt van de HERE en de enige verplichting die je hebt, is om dan ook het spoor van die redding te lopen. Heerlijk toch. Niets op tegen. Dat spreekt toch vanzelf. Dan moet je het ook doen. En volhouden. De redding komt van de HERE. En wat gebeurt er met Jona: De HERE sprak tot de vis en deze spuwde Jona uit op het droge. De HERE spreekt en het gebeurt. Hoe vaak heeft de HERE niet gespro­ken en het gebeurde. Fantastisch. Het begon al met de schepping en het gaat vandaag nog door. Heerlijk. Glorie voor zijn Naam.




Jona 3:1-10

14 april [2]



3:1

Het woord des HEREN kwam ten tweede male tot Jona:

3:2

Maak u op, ga naar Ninevé, de grote stad, en breng haar de prediking die Ik tot u spreken zal.

3:3

Toen maakte Jona zich op en ging naar Ninevé… Ninevé nu was een geweldig grote stad, van drie dagreizen.

3:4

En Jona begon de stad in te gaan, één dagreis, en hij predikte en zeide: Nog veertig dagen en Ninevé wordt ondersteboven gekeerd!

3:5

En de mannen van Ninevé geloofden God en riepen een vasten uit en bekleedden zich, van groot tot klein, met rouwgewaden.

3:6

Toen het woord de koning van Ninevé bereikte, stond hij op van zijn troon, legde zijn opperkleed af, trok een rouwgewaad aan en zette zich neder in de as.

3:7

En men riep uit en zeide in Ninevé op bevel van de koning en van zijn groten: Mens en dier, runderen en schapen mogen niets nuttigen, niet grazen en geen water drinken.

3:8

Zij moeten gehuld zijn in rouwgewaden, mens en dier, en met kracht tot God roepen en zich bekeren, een ieder van zijn boze weg, en van het onrecht dat aan hun handen kleeft.

3:9

Wie weet, God mocht Zich omkeren en berouw krijgen en zijn brandende toorn laten varen, zodat wij niet te gronde gaan.

3:10

Toen God zag wat zij deden, hoe zij zich bekeerden van hun boze weg, berouwde het God over het kwaad dat Hij gedreigd had hun te zullen aandoen, en Hij deed het niet.


God had Jona op hardhandige wijze te verstaan gegeven, dat je niet voor God op de vlucht kunt slaan. God ziet alles. En als je ongehoorzaam bent, dan weet Hij dat. Je kunt wel denken, dat je het in het geheim kunt doen, maar alles ligt open en bloot voor God. Dat staat door de hele Bijbel heen. Het staat er zo vaak, omdat de mens steeds maar weer denkt dat God de ongerechtigheid niet ziet. Maar hij ziet alles. Dus stop je kop niet in het zand. Hij ziet het. Jona is daarvan een treffend voorbeeld. Doe dan niet zo dom. Ook al denk je dat het nu in dit leven niet aan het licht komt. Hoeveel mensen gaan niet met de vre­selijkste zonden in het graf? Het zal openbaar worden op de jongste dag. God oordeelt. Je wordt niet veroordeeld, maar je bent reeds geoordeeld, omdat je niet hebt geloofd in de Zoon van God, omdat je willens en wetens ingegaan bent tegen de wet van God. Dan heb je ook geen excuus meer. Want je hebt de kans gekregen. Bekeer je dus, voordat het te laat is.

Jona wordt voor de tweede keer geroepen. En hij gaat. Misschien wel met de schrik in de benen. Wat zal hij als eenling, als onbeduidende Jona doen in zo’n geweldig grote stad? Wel drie dagreizen om er helemaal door te komen. Maar hij gaat. God heeft het gezegd en hij weet nu dat er geen ontkomen meer aan is. Hij begint te prediken. Hij roept op tot bekering, want anders wordt de stad binnen veertig dagen omgekeerd. Hij was nog maar een dagreis ver. Nog niet eens de hele stad. En de mensen geloofden hem. En ze roepen en vasten uit en ze bekleedden zich met rouwgewaden. Wat een wonder. Dat had Jona niet verwacht. Want er zullen verschrikkelijke zonden in Ninevé gewest zijn anders had God niet zo’n vreselijk oordeel aangekondigd. Het was een Sodom en Gomorra oordeel. En er zal ook vreselijke sodomie geweest zijn. Het is vreselijk. En wat een occultisme. En wat een hoererij. En wat een kinderof­fers. Wat een afgodendienst. Want ze geloven in de zon en de maan en in alles wat God verboden heeft. Het zal er vreselijk aan toe gegaan zijn. God komt maar niet zo met zijn oordeel. God is een jaloers God. Hij is lankmoedig, maar er komt een moment dat het te laat is.

Voor Ninevé was het oordeel aangekondigd. Concreet. En met een bepaalde tijd, veertig dagen. En wat doen de mensen? Ze bekeren zich en roepen een vasten uit. Ze bekleden zich met rouwgewaden. Ze nemen de boodschap ern­stig. En als het bericht de koning bereikt, dan neemt ook hij het met zijn die­naren aan. Mens en dier mogen niets eten en drinken. En mens en dier moeten in rouwgewaad gaan. Ieder moet het onrecht weg doen en terugkeren van hun boze weg. Ze geloven echt dat het de God van Jona, die ze niet kennen, ernst is. Jona brengt het met zoveel kracht en verve en de Geest is zo vaardig over hem, dat ze er niet onderuit kunnen. God werkt het in de harten van de toe­hoorders. Jona zelf zal het meest verbaasd zijn, dat de mensen de boodschap aannemen. Hij is de laatste die dat verwachtte. Wat moet hij ermee? Hij wilde eerst vluchten. Hij zag het niet zitten. Nu wordt hij weer gestuurd. Wat moet één man tegen zo’n grote stad? Maar wat gebeurt er? Ze bekeren zich. Het woord gaat erin. En daar gaat het om. Gooi het woord er maar in: “Bekeer je. De tijd is nabij gekomen. Het koninkrijk Gods komt. Geloof het evangelie. Nu en direct, voordat het te laat is.” Dat waren de woorden van de Here Jezus zo­veel eeuwen na Jona. Hij was de Messias. Hij kwam en Hij zal weer komen op de wolken des hemels. Hij roept op om je te bekeren. Er is dus nog meer ernst dan toen in de tijd van Jona. Want als Jezus komt, dan is het te laat. Daarom is elk moment het begin van de rest van je leven. Je kunt zelf kiezen. Het eeuwi­ge leven met Jezus of het eeuwige leven met de tegenstander van God. Het is hel of hemel. Dat is geen dreigement. Dat is realiteit. En je kunt kiezen voor het leven. Daarom gaf God zijn eigen Zoon, om de weg tot de hemel wagen­wijd open te zetten. Kom dan. Dat moet je nu doen. Meteen.

We zien hier, dat als het bericht bij de koning komt, hij ook meteen in de rouw gaat. Ze hebben kennelijk door, dat het toch wel erg gesteld is met de zonden die gedaan worden. Misschien hebben ze zelf ook gezien, dat het zo niet ver­der kan. Want de werken van de duisternis zijn boos. Daar gaat heel wat lijden en ellende in om. Daar doden de mensen elkaar en daar is haat en nijd. Daar is geen veiligheid. Daar is geen liefde. Wie weet dat deze boodschap precies op tijd kwam? Ze zeggen: “wie weet of God berouw heeft van zijn plannen en zich zal omkeren en zijn brandende toorn van zich laat varen. We zullen zien.” En dan het ontwapende, het geweldige, het hoopgevende, het reddende, het barmhartige, het lankmoedige, het goedertieren antwoord van God: “Toen God zag wat zij deden, hoe zij zich bekeerden van hun boze weg, berouwde het God over het kwaad dat Hij gedreigd had hun te zullen aandoen, en Hij deed het niet.”

Indrukwekkend. Wat een God. God ziet het aan. Hij is vertoornd, maar Hij hoort op het gebed. Hij reageert op bekering. Hij laat het niet los. Hij wil het goede voor de mensen. Zijn oordeel is lankmoedig. Hoor er dan naar. Laat die kans je niet ontglippen. Het is geweldig om met God te leven. En voor Ninevé breekt een nieuwe tijd aan. Gods tijd. En die God is ook vandaag dezelfde. Hij is niet veranderd. Hij wil nog steeds het goede voor ons en voor iedereen. Dat moeten we aan iedereen doorgeven. De geschiedenis gaat verder.




Jona 4:1-11

15 april [2]



4:1

Maar dit mishaagde Jona ten zeerste en hij werd toornig.

4:2

Ach, HERE, heb ik dat niet gezegd,… want ik wist, dat Gij een genadig en barmhartig God zijt, lankmoedig, groot van goedertierenheid en berouw hebbend over het kwaad.

4:3

Nu dan, HERE, neem toch mijn leven van mij, want het is mij beter te sterven dan te leven.

4:4

Maar de HERE zeide: Zijt gij terecht vertoornd?

4:5

totdat hij zou zien wat er met de stad gebeurde.

4:6

En de HERE God beschikte een wonderboom,… teneinde hem van zijn misnoegdheid af te brengen.

4:7

beschikte God een worm, die de wonderboom stak, zodat deze verdorde.

4:8

dat God een gloeiende oostenwind beschikte… en wenste dat hij sterven mocht,…

4:11

Zou Ik dan Ninevé niet sparen, de grote stad, waarin meer dan honderdtwintigduizend mensen zijn, die het onderscheid niet kennen tussen hun rechterhand en hun linkerhand, benevens veel vee?


Wat is Jona voor een man? Hij is boos. Boos, omdat God zijn woord ingang doet hebben in de harten van de mensen. Wat krijgen we nou? Daar ben je toch blij om. Of had Jona de stad zelf al afgeschreven, als zonder hoop? Daar was de zonde zo groot. Daar is geen hoop meer. Daar moet je je maar van af­wenden. Weg met Ninevé. Daar zal God ook alleen wel het oordeel over heb­ben besloten. Maar Jona is boos. Hij zegt tot God: Ik wist het. Ik wist het. Gij zijt een genadig en barmhartig God. Eigenlijk zegt Jona: U bent veel te goed. Dit verdienen die mensen niet. Ze hadden moeten worden weggevaagd. Wat zij allemaal voor zonden hebben gedaan, dat is met geen pen te beschrijven. Weg met die stad. En ik het gepredikt dat over veertig dagen het oordeel kwam. Maar wat gebeurt er? U doet het niet. Wat heb ik dan allemaal zitten doen? Neem mijn leven van mij weg, want het is mij beter te sterven dan te leven. Hier kan ik niet tegen. Ik wil dood.

God zegt: “Jona, zijt gij terecht vertoornd?” Jona zit op een berg ten oosten van de stad. Kijkend wat er nu met de stad gaat gebeuren. Hij denkt nog steeds dat de stad toch wordt verwoest. Dat hoopt hij eigenlijk. God beschikt een wonderboom. Jona is blij, nu kan hij helemaal in de schaduw zitten. Hij is al blij met een boom. De volgende nacht beschikt God een worm die de boom dood prikt. En nu is Jona kwaad. Hij valt amechtig neer. En weer zegt hij: “Het is mij beter te sterven dan te leven.”

God zegt: Zijt gij terecht vertoornd over de wonderboom? Daar heb je hele­maal geen moeite voor hoeven doen. En je wilde die boom sparen. Zou Ik dan Ninevé, de grote stad niet sparen, waarin meer dan honderdtwintigduizend mensen zijn die het onderscheid niet kennen tussen hun rechterhand en hun linkerhand, benevens veel vee. Zullen hier de kinderen inclusief de ongeboren kinderen bedoeld zijn? Zij zijn toch onschuldig. Zou God die niet sparen? En dan het vee. Dat zou ook omkomen als Gods toorn werd uitgestort. Zou God hen niet sparen als de mensen zich op de prediking bekeren? Dat is toch een zegen. Dat is toch iets om je over te verblijden, Jona. Wat doe je nu raar. Je hebt problemen met mijn lankmoedigheid en goedertierenheid. Ja, het lijkt soms wel tegenstrijdig, want we zien zoveel zonden om ons heen, dat we den­ken hoe kan God dit nog langer dulden? Maar God doet het omdat Hij wil dat allen tot bekering komen. Hij is lankmoedig. Hij blijft roepen. Hij laat zijn volk niet in de steek. Daarom mogen we dat woord proclameren op alle hoe­ken van de straten. Het is het machtigste, het prachtigste, wat je kunt doen. Glorie voor zijn Naam.

Jona, een les voor ons.