Nehemia






drs. L.P. Dorenbos

























Schreeuw om Leven – Hilversum


Titel: Nehemia
drs. L.P. Dorenbos
Hilversum – Stichting Schreeuw om Leven

ISBN 90-71732-36-3
NUR 707


Trefwoorden: bijbel, profetie, israël

© Stichting Schreeuw om Leven – Hilversum 2005
Ruitersweg 35-37, 1211 KT Hilversum
Tel. 035 624-4352, Fax 035 624-9141
E-mail info@schreeuwomleven.nl
Internet www.schreeuwomleven.nl

Bijbelcitaten NBG vertaling 1951

Coördinatie Alex C.F. van Vuuren & Joop B. Buker
Medewerking Hanneke Bemelmans, J.A.G. Delhaas

Omslag en vormgeving Cees Baanvinger, Zoetermeer
Joop B. Buker, Joel assist, Bloemendaal

In de serie brochures In twee jaar de Bijbel door volgt
drs. L.P. Dorenbos het rooster van Schreeuw om Leven
Bijbellezen.










In twee jaar de Bijbel door



In het kader van het Schreeuw om Leven Bijbelleesplan:
“In twee jaar de Bijbel door”
geeft drs. L.P. Dorenbos dagelijks in een persoonlijke notitie zijn gedachten weer tijdens het lezen van het bijbelgedeelte voor die dag ter bemoediging en als een oproep en een stimulans om te lezen, te herlezen en te doen wat er staat, zonder de pretentie dat het zou gaan om een gedegen bijbelstudie.

Mogen de lezers erdoor gezegend worden.








Inhoudsopgave



Voorwoord




Nehemia

5







Nehemia 1:1-2:20

19 april [2]



1:3

verkeren in grote rampspoed en smaad, en de muur van Jeruzalem is afgebroken, en zijn poorten zijn met vuur verbrand.

1:4

Zodra ik deze woorden hoorde, zette ik mij neder, weende en bedreef rouw, dagen lang.

1:6

en ik doe belijdenis van de zonden der Israëlieten,…

1:8

Pleegt gij trouwbreuk, dan zal Ik u onder de volken verstrooien.

1:9

naar de plaats die Ik verkoren heb…

2:8

En de koning gaf ze mij, daar de goede hand van mijn God over mij was.

2:10

dat er iemand gekomen was om het goede voor de Israëlieten te zoeken.

2:17

Komt, laat ons de muur van Jeruzalem herbouwen,…

2:20

De God des hemels, Hij zal het ons doen gelukken, en wij, zijn knechten, zullen ons gereedmaken en bouwen; gij echter hebt deel noch recht noch gedachtenis in Jeruzalem.


Nehemia zouden we uit ons hoofd moeten leren. Een prachtig verhaal. De Jo­den zijn in ballingschap. Een innerlijke tegenstrijdigheid, want met de Joden heeft God toch een eeuwigdurend verbond gesloten? Dat kan dus niet. Die ho­ren in hun land. Maar ze hadden gezondigd. En Nehemia belijdt dan ook zijn schuld voor het volk. Ze wisten precies wat er ging gebeuren als ze bleven volharden in de zonde. Ze zouden worden verstrooid onder de volken. En zo was het gebeurd. Ze dienden opnieuw de Baäl. Ze offerden opnieuw hun kin­deren aan de Moloch. Hoe is het mogelijk. Kinderen offeren aan de Moloch om welvaart en welzijn voor je af te smeken. Dat kan toch helemaal niet. En toch gebeurt het. Het is te gek. Nu zitten ze in Babel en Nehemia, de schenker van de koning, heeft gehoord van de rampspoed en de verwoesting van de muur. En dan is de koning hem goedgunstig.

Wat een verhaal! Zo kan het gebeuren. De oplossing komt uit een onverwach­te hoek. De koning ziet een bedrukt gelaat en daar komt de herbouw van de muur van Jeruzalem uit voort. Zoals in Nehemia 2 vers 8 staat “daar de goede hand van mijn God over mij was.” Zo is het. Het gaat erom acht te geven op de goede hand van God. God heeft het goede met ons voor. Hij vraagt van ons om gehoorzaam te zijn. Want Hij heeft zijn geboden gegeven ten goede voor ons. En het werkt. Het is waar, want de tien geboden zijn goed voor alle men­sen. Pas ze maar toe. Je zult zien dat het werkt. Voor iedereen. Daar moeten we steeds weer naar terug. Probeer het maar. En nu geen smoes ophangen. Ge­woon doen. En je zult zien dat het werkt. Doodslaan, echtbreuk en stelen, dat is slecht voor alle mensen. Daar moeten we niet mee sjoemelen. En wat wordt er niet gesjoemeld. Dat is dan onze eigen schuld. Net als met het volk Israël. Als wij God verlaten, dan zal Hij ons verlaten. Het is niet dat God ons verlaat en we daarom in de puree zitten. Nee, wij hebben God verlaten en daarom zit­ten we in de puree. We moeten de zaken wel goed blijven stellen. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Dat is Johannes 3:16. God is niet gekomen om te veroordelen maar om te be­houden. Wie niet in God gelooft is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft ge­loofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God. We zijn zo vol met de vraag: waarom, waarom? Maar we moeten onszelf onderzoeken. Dan zullen we vaak tot de conclusie komen, of eigenlijk altijd, dat wij schuldig staan te­genover God. Als we alleen al kijken naar vandaag. Hoe halen we het in ons hoofd om ongeboren kinderen in de moederschoot te vermoorden. De dokter zegt toch nu dat het een kindje is. Als het een kindje is dan is het een kindje. En een kindje vermoord je niet. Klaar uit. En dan moet je in de politiek de moed hebben om er een einde aan te maken. Stoppen.

We zien hier in dit gedeelte dat na de schuldbelijdenis de actie volgt. Nehemia gaat naar Jeruzalem. Hij neemt de zaak op. En hij ziet de muur in puin. Hij vertelt zijn strategie niet. Dan brengt hij verslag uit van zijn nachtelijke tocht. Hij vertelt hoe de goede hand van God met hem was. En dan zegt het volk dat ze zich zullen klaarmaken om de muur te herbouwen. Maar de tegenstanders liggen ook op de loer. Het is uit het leven gegrepen. Als je tot iets goeds be­reid bent, dan gaat meteen de vijand ook aan de slag: “Ha, ha, ha, wat denken jullie wel? Opstaan tegen de koning. Hoe denken jullie dat dan wel te doen? Het zal je toch niet gelukken.” Enz. enz. enz. En als je niet oppast, dan verlies je de moed. Maar pas op, niet doen. Nehemia geeft ze van repliek: “de God des hemels, Hij zal het ons doen gelukken.” En zo is het. Niet stuk te krijgen. Wat een fantastisch bemoedigend gedeelte. Het geldt ook voor vandaag. Ook voor ons. We hebben zoveel mogelijkheden tot herbouw. Het begint al bij je­zelf. Wat een zegen. We gaan er gewoon mee door. Het is fantastisch.




Nehemia 3:1-4:23

20 april [2]



3:5

maar de aanzienlijken onder hen wilden hun schouders niet zetten onder het werk van hun heer.

4:3

Al bouwen zij ook, als er maar een vos tegen hun stenen muur opspringt, doet hij hem afbrokkelen.

4:6

want het volk had lust om te werken.

4:9

zetten wij dag en nacht een wacht tegen hen uit.

4:16

En sinds die dag deed de ene helft van mijn knechten het werk en de andere helft droeg de speren,…

4:17

met de ene hand het werk deden en met de andere hand de werpspies vasthielden;…

4:18

De hoornblazer stond naast mij.

4:20

Onze God zal voor ons strijden.

4:23

wij kwamen nooit uit de kleren.


Wat kan er een enorm werk geklaard worden als we het met vereende krachten doen. Kijk eens aan. Langs de hele muur is men hard aan het werk. En ieder­een had lust om te werken. Het is fantastisch om het zien. Een geklop en ge­timmer. Nehemia had het goed georganiseerd. En daar gaat het om. Je moet ze enthousiast maken. Zelf doorgaan. Zelf nooit in de put zitten. Zo van “het zal toch wel niet lukken en moet je kijken wat de vijanden zeggen.” Nee, zelf aan de slag. En zie eens. De vijanden liggen op de loer. Eerst spotten ze. En dan beramen ze een plan om aan te vallen. Maar dan gaan ze zich bewapenen. In de ene hand de werpspies en in de andere hand de troffel. En 's nachts waken. Altijd bereid zijn. De hoornblazer staat naast Nehemia. Zodra er onraad is, moet de hoorn geblazen worden. Een goed krijgsplan. En het werk gaat ge­staag door. Nu nog strakker en nog sneller. Want ze willen de stadsmuur her­bouwd hebben, dan kunnen de vijanden er helemaal niet meer in. Nehemia en de wachters komen zelfs niet uit de kleren.

Het is een werk van jewelste. Wat een verantwoordelijkheid. Ze roepen tot de HERE God en pleiten op de grote daden die Hij doet en gedaan heeft. Nehe­mia zegt “wees niet benauwd, de HERE God zal voor ons strijden”. Dat is geloofsvertrouwen. Wij moeten gehoorzaam zijn, wij moeten ons bewapenen. Wij moeten niet te lichtvaardig over de vijanden denken. Maar het blijft: de HERE zal voor ons strijden. Zo was het en zo is het nog. Wij mogen op Hem vertrouwen. Wij mogen ons werk doen en we moeten het met lust en met ijver doen. Wat het ook is. Er is altijd werk, dat ons beter ligt dan het andere. Maar doen we het met lust, dan gaat het ook beter. Wat een vreugde. Wat een vorde­ringen. Wat een resultaat. En de HERE God ziet het allemaal en heeft er ook lust aan. Als wij in zijn geboden wandelen, dan gaat het ons goed. We hebben er plezier aan. We vullen ons leven met blijdschap. Dat wil niet zeggen, dat altijd alles voor de wind gaat, want de zonde blijft ons kwellen. De vijand ligt op de loer. Maar we weten ons geborgen in de kracht van de HERE God. Hij zal voor ons strijden. Wij mogen tot zijn rust ingaan.

Gewoon doen. En je zult merken dat het werkt. Want het staat er toch? Het voorbeeld van Nehemia is prachtig. Hoe de boel ook in puin ligt, er is altijd een weg omhoog, als we de hand aan de ploeg slaan en ons bewapenen tegen de vijand. De geestelijke wapenrusting kunnen we zo aantrekken. Heerlijk toch.




Nehemia 5:1-6:19

21 april [2]



5:5

en onze dochters tot slaven laten worden,…

5:7

Gij neemt woeker, ieder van zijn volksgenoot.

5:11

en hun huizen terug, en de rente van het geld,…

5:14

twaalf jaar lang, noch ik, noch mijn broeders het brood van een landvoogd gegeten.

5:19

Gedenk mij, mijn God, ten goede al wat ik aan dit volk gedaan heb.

6:3

Ik ben bezig een groot werk te doen en kan niet komen.

6:11

Zou een man als ik vluchten?

6:15

in tweeënvijftig dagen.

6:19

Tobia zond brieven om mij bevreesd te maken.


De andere Joden zagen dat er flink gebouwd werd en dat het goed ging. Zij za­ten in de druk, want ze hadden hun bezit en zichzelf moeten verkopen aan de rijke mensen om eten te hebben in de hongertijd. Daar komen ze nu tegen in opstand. Ze doen hun beklag. Nehemia onderzoekt alles en gelast hen alles terug te geven en de rente kwijt te schelden. Wat er gebeurd was, was tegen de wil van God. Er waren strenge eigendomswetten die geen verarming toelieten. Daar waren ze tegenin gegaan. Ze wisten dat ze verkeerd zaten. En de af­spraak wordt gemaakt dat ze alles terugkrijgen en dat de rente wordt kwijtge­scholden.

Een goede zaak. Hoe kun je de anderen zo in de tang nemen dat ze er nooit meer uit kunnen komen? Vandaag aan de dag zien we dat ook allerwegen. Vooral in de relatie met ontwikkelingslanden. Zij krijgen leningen en kunnen nooit meer afkomen van hun schuldeisers. Ze zijn overgeleverd aan hen. Hun schulden kunnen ze nooit meer afgelost krijgen. Ze moeten eigenlijk ploete­ren, om dan nog wat af te lossen. In feite zijn ze bezig om te leven voor hun schulden. Ze komen er zelf nooit bovenop. Dat is uitbuiting door de rijke van de arme. Terwijl het juist gaat om de armen te helpen er ook bovenop te ko­men.

Van democratie is in internationaal verband in economisch opzicht geen enke­le sprake. Het gaat om de dictatuur van het geld. De effectenbeurzen van de wereld dicteren de macht. Vandaag heb je veel geld en morgen ga je eraan. En de zucht naar geld is de bron van alle kwaad, zegt de Bijbel. Je kunt niet God dienen en de mammon. We beleggen ons geld in aandelen. En de aandelen doen vervolgens wat de zucht naar geld dicteert. Het zijn de grote speculanten die de buit binnenhalen en de winst opstrijken en toevoegen aan de hoop waarvan ze zelf niet meer weten hoeveel ze eigenlijk hebben. En zo zie je een concentratie van geldmacht zonder weerga. Alleen een radicale verandering à la Nehemia zal daar verandering in kunnen brengen. Wat er in feite hier ge­beurt, is dat Nehemia naast de fysieke muur ook de geestelijke muur herbouwt van de eigendomverhoudingen en het bezit. De bijbelse basis van samenleven doet het goede voor iedereen. Niemand hoeft te verarmen. En is er dan toch een periode dat iemand het minder heeft, elke vijftig jaar is het een jubeljaar waar het voor iedereen weer goed wordt. We moeten de bijbelse lijn propage­ren in de economische verhoudingen, ook vandaag. Schulden kwijt schelden en alleen lenen als er kans is om er beter van te worden voor hem die leent. Weg met de speculatie en Gods barmhartigheid propageren in de economische verhoudingen. Prijs de Heer.

De vijanden zien met argusogen en knarsetandend hoe de muur vordert. Er wordt hard gewerkt. Dan sturen ze een boodschap naar Nehemia om samen te komen om te overleggen in het dal Ono. Maar Nehemia weigert keer op keer. Ik kan niet komen, want ik heb een groot werk te doen. Uit het leven gegre­pen. We hebben een groot werk te doen. De muur ligt in puin. Wij moeten herbouwen. Wij moeten proclameren. We moeten hard werken. We moeten onze tijd niet verdoen. God wil dat we ons volledig inzetten. Er is haat. We moeten geen tijd verknoeien door met onze vijand te gaan overleggen. Zij hebben het kwade in de zin. Ze doen alsof ze het goede willen, maar in werke­lijkheid willen ze ons om zeep helpen. Ze zijn tegen het evangelie. Ga er niet heen. En kijk wat gebeurt er. Nu gaan ze een gerucht verspreiden dat Nehemia in opstand wil komen tegen de koning. Maar niets is minder waar.

Daarna komt de volgende verleiding. De vijanden hebben een vriend omge­kocht en die zegt dat Nehemia in de tempel moet gaan en de deuren achter zich moet sluiten, want ze komen om hem te doden. Maar hij trapt er niet in. Zou een man als ik vluchten? Dat nooit. Hij doorziet dat deze profeet door de tegenstander is ingepalmd. En dat is ook weer uit het leven gegrepen. Want zo gebeurt het vaak. We moeten o zo op onze qui-vive zijn. Je trapt zo maar in een val. Daarom is het zo belangrijk dat je dicht bij Jezus leeft en naar zijn stem luistert. Hij doet je het gevaar ontdekken. Hij beschermt je.

En zo wordt de muur in tweeënvijftig dagen voltooid. Hoe kan dat nu? De muur lag zo in puin, Je ziet maar wat er kan gebeuren met een kleine groep en een grote inzet. Ondanks de tegenstand werd er stug doorgebouwd. Wat een korte tijd. Daarvoor was een geweldige logistiek en werkplan nodig. Het wordt dan ook groot feest. De volken rondom zien het allemaal. Ze staan ver­baasd en ze beseffen heel goed dat het de zegen is van de God van Israël. Wie kan Hem evenaren? Ze zijn voorzichtig, want ze heulen ook nog met de vijan­den van God. Ontmasker ze. Stel ze aan de kaak. Ga niet met hen mee.




Nehemia 7:1-72

22 april [2]



7:3

En gij zult wachtposten opstellen van de inwoners van Jeruzalem, ieder op zijn post, ieder tegenover zijn huis.

7:5

Toen gaf mijn God mij in het hart, de edelen, de leiders en het volk te doen bijeenkomen, om zich in de registers te laten inschrijven.

7:6

en die terugkeerden naar Jeruzalem en naar Juda, ieder naar zijn stad;

7:7

welke medekwamen met Zerubbabel, Jesua, Nechemja,…

7:66

De gehele gemeente tezamen was tweeënveertigduizend driehonderd zestig,

7:67

afgezien van hun slaven en slavinnen,…


In Ezra 2 wordt hetzelfde aantal genoemd. Ze worden met naam en toenaam genoemd. Ze waren teruggekomen met Zerubbabel. Lees het boek Ezra. Het is heel interessant om dit deel van de geschiedenis te lezen. Hoe de stad her­bouwd werd onder tegenstand. Hoe de bouw werd stopgezet. En hoe de bouw daarna hervat werd. En hoe Ezra, de wetgeleerde, kwam en het volk heiligde. Het is opvallend hoe God het belangrijk acht om de mensen en de stammen en de functies met naam en toenaam te noemen. Het is een hele opsomming. Het komt er heel erg op aan. Je kunt het allemaal navragen. Je kunt het allemaal zien. Kijk, die van die en die van die. Ze zijn allemaal verzameld uit de bal­lingschap. Ze kwamen overal vandaan. De meesten zijn echter in ballingschap blijven wonen. Ze hadden immers huizen gebouwd. Hun handel weer opgeno­men. Ze bleven er een hele tijd. Misschien hadden hun kinderen wel mannen of vrouwen gehuwd van de Babyloniërs. Misschien zaten ze met handen en voeten vast aan het land. Misschien hadden ze vriendschappen gesloten, mis­schien kwam het hen niet uit. Nee, nu niet, een volgende keer. Maar de koning liet ze gaan en dit kleine deel keerde terug. Ze kwamen in Jeruzalem en kregen toch grote moeilijkheden. De tegenstanders gingen almaar tekeer. En toen Ne­hemia kwam en de muur begon te herbouwen was helemaal het hek van de dam. Nu geeft God Nehemia in het hart om al die mensen in een register te schrijven. De muur is af. De wachters zijn aangesteld, ieder tegenover zijn eigen huis. De stad kan dan wel herbouwd zijn, maar de vijanden blijven op de loer liggen.



Nehemia 8:1-19

23 april [2]



8:2

kwam het gehele volk als één man bijeen op het plein voor de Waterpoort. En men verzocht de schriftgeleerde Ezra het boek der wet van Mozes, die de HERE aan Israël gegeven had, te halen.

8:4

van dat het licht werd tot de namiddag in tegenwoordigheid… Het gehele volk hoorde aandachtig naar het boek der wet.

8:5

Ezra stond op een houten verhoging, die men voor de gelegenheid gemaakt had.

8:7

Ezra loofde de HERE, de grote God, en het gehele volk antwoordde, terwijl het de handen omhoog hief: Amen, Amen. En zij knielden en bogen zich voor de HERE neder met het gelaat ter aarde.

8:10

Deze dag is voor de HERE, uw God, heilig;…

8:11

want deze dag is voor onze HERE heilig: weest dus niet verdrietig, want de vreugde in de HERE, die is uw toevlucht.

8:13

want zij hadden begrepen wat men hun had bekendgemaakt.

8:17

en maakten zich loofhutten,…

8:18

Er heerste dus zeer grote vreugde.

8:19

Uit het boek der wet Gods las men elke dag voor, van de eerste tot de laatste dag; zij vierden zeven dagen feest, en op de achtste dag was er een feestelijke vergadering, volgens het voorschrift.


Dit hoofdstuk is zo fantastisch. Het is een hoofdstuk om helemaal uit je hoofd te leren. Want wat gebeurt hier? Ze vragen Ezra de wet te lezen. Hij leest van de vroege morgen tot de late avond. Ze hebben speciaal een houten verhoging gemaakt. Hij leest en de anderen leggen het uit. Ze staan allemaal op het plein voor de Waterpoort. Wat heeft de HERE gezegd? Dan lees je het voor. En als je het gehoord hebt, dan ga je doen wat God gezegd heeft. Ze luisteren aan­dachtig, en ze begrijpen het. Dan kom je onder de indruk. Dan ga je wenen. Dan kun je je emoties niet meer de baas. Want wat hadden ze al die jaren ge­daan? Ze kwamen uit Babel. Daar waren ze zeventig jaar eerder naar toe ver­bannen. Ze waren verbannen vanwege hun zonden. En Jesaja had geprofeteerd dat ze na zeventig jaar weer terug zouden komen. En nu waren ze teruggeko­men. Maar hadden ze volgens de wet van God geleefd daar in Babel? Nee, waarschijnlijk de meesten niet. Ze hadden zich aangepast aan de heidense godsdienst. Ze namen het zo nauw niet met de wetten wat wel en wat niet kosjer is. Ze hadden zich aangepast aan de occulte praktijken in dat rijk. Ze hadden zich niet bekeerd.

Maar Ezra, de wetgeleerde, hij weet alles van de schriften. Ze vragen Ezra de wet te lezen. En hij leest de wet. Dan zien ze wat ze verkeerd gedaan hebben. Maar Nehemia roept: deze dag is de HERE heilig. Bedrijft geen rouw. Bedrijft vreugde. Want het is een dag om blij te zijn als je terugvindt wat je kwijt bent geraakt. En daarom heiligt u. Eet en drink. En als ze dan door het lezen ont­dekken dat ze in de zevende maand het Loofhuttenfeest moeten vieren, dan gaan ze dat doen. Ze passen toe wat ze gelezen hebben. Sinds de dagen van Jozua hadden ze het niet meer gevierd. Dat is ook wat. Dat is verschrikkelijk. Wat een zonde. Wat een afval. Het stond er toch zo duidelijk, maar toch heb­ben ze het al die jaren naast zich neergelegd. Dat kan niet.

Wat een groot feest. En wat een bemoediging. Het woord van God is levend en krachtig. Zalig hij die leest en hij die hoort. Gods woord houdt stand in eeuwigheid. Het woord is het zwaard des Geestes. Daarom is het de grootste prioriteit om het woord van God te lezen. Steeds maar weer lezen. We moeten allemaal erkennen, dat we Gods woord zo slecht en ten dele kennen. We heb­ben het van vroeger op school, van de kerk. En van het stukje dat we lezen. Maar er is veel meer. Het is een explosief boek van kracht en geloof. Lees het, lees het en leef het, leef het!

Heel belangrijk. We zouden zelf ook veel meer alleen maar de Bijbel moeten lezen. Eerst onze kennis vermeerderen en dan er uit leven. Het gaat ook om de praktische toepassing. Dat deden ze hier ook want ze hadden begrepen wat hen was bekendgemaakt, en ze ontdekken dat het Loofhuttenfeest gevierd moet worden. Ze gaan het dan ook invoeren.

Heerlijk, zo’n hoofdstuk. De muur is klaar. Het werk is gedaan. We genieten van die prachtige muur. Van de herbouw. Van de toekomst van de HERE God. Hij wil gekend worden. Hij geeft ons zijn woord. Hij doet grote wonderen als antwoord op gebed. Het is fantastisch om mee te doen. Het is geweldig om dit hoofdstuk te lezen. Daarom, open uw hart voor de mensen om u heen. Stop een evangelie of een traktaatje door de bus. Heb de moed om er ook eens over te praten.



Nehemia 9:1-37

24 april [2]



9:1

vastende en in rouwgewaad en met aarde op het hoofd.

9:2

deden belijdenis van hun zonden en van de ongerechtigheden hunner vaderen.

9:3

een vierde deel van de dag; en een ander vierde deel deden zij belijdenis…

9:5

ja, men prijze uw heerlijke naam,…

9:8

en met hem een verbond gesloten,…

9:17

Maar Gij zijt een God van vergeving, genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en hebt hen niet verlaten.

9:26

en doodden uw profeten, die hen vermaanden,…

9:28

en reddet hen naar uw barmhartigheid, vele malen.

9:31

niet voorgoed met hen afgerekend…

9:37

daarom zijn wij in grote benauwdheid.


Zo is het. De geboden van God zijn goed. Als we die houden dan zullen we daardoor leven. God gaf ze als een licht op ons pad. Een lamp voor onze voet. Het wordt keer op keer herhaald in heel de Bijbel. De Here Jezus zegt “Ik ben het licht der wereld, wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen.” Het licht is een geweldige zegen. De HERE gaf de vuurkolom des nachts om het volk Israël bij te lichten. “In uw licht zien wij het licht,” zegt Psalm 36. Fantastisch. Leg de wet van God maar uit. Het is het licht. Alle geboden van God zijn goed. We zeggen heel vaak: al die geboden, dat zijn negatieve din­gen. Dat zijn dingen die je niet mag doen. Geef mij maar positieve geboden, de dingen die je wel mag doen. Blijf trouw, hou je aan je mijn en dijn, eer het leven. Enz. enz. De wet is gekomen gezien de hardheid van uw harten.

God doet grote wonderen. Lees ze allemaal maar. Alleen al de wonderen die hier staan zijn onvoorstelbare zegeningen. Hoe is het mogelijk. Als het volk het niet meer zag zitten, als de vijand op de loer ligt, dan gaat God ingrijpen. Keer op keer. Wat een geweldige God. En wat doen wij? Wij gaan steeds maar in de fout. Kijk eens wat het volk van God zelf doet? Steeds weer ver­harden zij zich tegen God, en de profeten die hen vermaanden. God roept en stuurt zijn knechten. Maar het volk luistert niet. En dan gaan ze uiteindelijk zelfs in ballingschap. En dat zijn ze in dit hoofdstuk nog, want Nehemia is dan wel met een groep naar Jeruzalem getrokken, en de muur is nu klaar, maar het overgrote deel zit nog in ballingschap. Wat een oordeel. Dat je uit je land ver­bannen bent. Ver weg van de plaats waar je God woont. Het is erg. En dat ont­dekt het volk nu. Ze lezen het woord een vierde deel van de dag en een ander vierde deel doen ze belijdenis van hun schuld en de schuld van hun vaderen. Het is vreselijk. Wij staan schuldig. Wij hebben menigmaal misdreven. Wij moeten terugkeren naar de HERE God. O HERE, vergeef.

Weer blijkt hier dat het er op aan komt dat we in grote vreugde de grote daden van God zien in ons leven, en dat we met grote vreugde opnieuw opstaan en achter Hem aan gaan. We hebben te maken met een grote God, die lankmoe­dig is en groot van goedertierenheid, die berouw heeft over de zonde en niet doet naar zijn gerechtigheid. Bekeer je dan met je gehele hart en met je gehele ziel. Volg Hem. En het volk dat daar verzameld is, doet belijdenis. Want als je de Bijbel leest en de grote daden van God ziet en kunt pleiten op zijn lank­moedigheid, dan word je alleen maar enthousiast. Heerlijk. Wat een zegen.




Nehemia 9:38-10:39

25 april [2]



9:38

Op grond van dit alles sluiten wij een vast verbond…

10:29

om te wandelen naar de wet van God,…

10:30

niet tot vrouw zouden nemen…

10:39

Het huis van onze God willen wij niet aan zijn lot overlaten.


Adeldom verplicht. Ze sluiten een verbond. En stellen het op schrift. En alle namen worden genoemd. Het is vast en zeker. Ze weten dat ze er allemaal hun naam onder moeten zetten. Ze hebben al zo vaak beloofd om gehoorzaam te zijn aan Gods geboden. Nu voor de zoveelste keer beloven ze het. Als je iets op papier zet, als je je handtekening eronder zet, dan weet je dat je er aan ge­bonden bent. Nehemia tekent als eerste. Hij en allen die met hem waren. En dan beloven ze onder andere om geen vreemde vrouwen te nemen. Dat kunnen en moeten wij ons ook aantrekken. We moeten huwen met kinderen van God. We moeten ons niet vermengen met de zonde. We kunnen dat niet serieus ge­noeg nemen. Ze gaan ook niet op sabbatdag handelen. Ze geven hun geld aan de kerk. Ze zorgen dat het huis van God niet aan zijn lot wordt overgelaten. De belangrijke dingen eerst. Dat wat we kunnen besteden in de dienst van God, daar moeten we ons op toeleggen. Want dat komt ten goede aan ons en aan de mensen die God nog niet kennen. Dat is een heerlijke zaak.

We zien het zo vaak precies andersom. We hebben het zo vaak over alles wat we eerst zelf moeten hebben, om dan vervolgens nog een fooitje aan de tem­pel, aan God te geven. Maar in werkelijkheid spannen we het paard achter de wagen. We doen het precies verkeerd. Daar moeten we mee stoppen. Ze waren helemaal verkeerd bezig en nu zien ze hoe de goede volgorde is. En daar wor­den ze blij om. Glorie voor Gods Naam.

Het is er zomaar ingeslopen. De tegenstander van God is zo listig. Hij fluistert allerlei halve waarheden in en daar ga je. Hij doet wat Hij zegt. Als wij doen wat Hij zegt, en wij onze schuld belijden, dan is Hij genadig en komt ons weer zegenen.




Nehemia 11:1-12:26

26 april [2]



11:1

om een op de tien aan te wijzen in Jeruzalem,…

11:17

Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zabdi, de zoon van Asaf, was de leider, die bij het gebed de lofzegging aanhief,…

11:23

een vaste regeling voor de zangers, naar de behoeften van elke dag.

12:24

lof en prijs aan te heffen,…


Wat opvalt hier (en dat valt steeds op), is dat er heel veel waarde wordt ge­hecht aan het noemen van de namen en afstamming van de mensen die naar een bepaalde plaats gaan, of een bepaalde afstamming hebben. Het blijft geen algemeenheid. Het gaat over een concreet persoon met een concrete opdracht. Hij doet dit en hij doet dat. Het komt erop aan dat alles in goede orde en orga­nisatie gebeurt. En wel overeenkomstig de wetten van Mozes en de geboden van God. God had de instellingen van de priesterdienst gegeven, ook heel con­creet. De voorschriften waren duidelijk. En dat moest allemaal weer hersteld worden na de ballingschap. Ze hadden het wetboek gelezen. En ze gingen weer invoeren wat ze kwijtgeraakt waren, zoals de instelling van het Loofhut­tenfeest in hoofdstuk 8. Hier valt op dat ze een goede verdeling maakten wie er in Jeruzalem gaan wonen en wie in de andere steden.

Het viel me op dat muziek en lofprijzing ook heel belangrijk zijn in de dienst aan de HERE. In vers 17 heft Mattanja bij het gebed de lofprijzing aan. Ziet u het voor u. Het gebed begint en de lofprijzing ook. We loven en prijzen de he­melse Vader voor alles wat Hij doet. Hij heeft grote daden gedaan voor zijn volk. En nu heeft Hij hun de wet teruggegeven, het wetboek. Ze begrijpen dat ze daaruit moeten leven. En dan gaat het goed. Als ze het niet doen, dan gaat het niet goed. Daar moeten ook wij uit leven. Niets meer en niets minder. Geen wonder dat dan ook de lofprijzing moet aanvangen. Bij zo’n geweldige God past dan ook lofprijzing. Je kunt wel altijd blijven zingen als je denkt aan de grote liefde van God, dat Hij naar mij, naar ons heeft omgezien om ons kin­deren van Hem te doen worden. Wie zijn wij dat zo’n voorrecht ons te beurt valt? We hebben het niet verdiend. Het is enkel genade. Het is enkel de grote liefde van God waarmee Hij naar alle mensen kijkt om hen uit de duisternis naar het licht te trekken. Daar moeten we ons mee bezig houden. Daar moeten we zelf vol van zijn en blijven. En we weten allemaal dat dat gemakkelijker gezegd is dan gedaan, maar het is wel een opdracht, waartoe we ons moeten zetten. En als we het doen, dan ervaren we het ook. Het is Gods grote liefde. Het is geweldig om te gaan zien, dat we vanuit van boven moeten leven. Hij zegent ons en beschermt ons ook, of juist zelfs, in de moeilijkste omstandighe­den.

In vers 24 lezen we van een vaste regeling voor de zangers van de dag. Elke dag werd er gezongen. We moeten veel meer zingen. Het is belangrijk dat we ons leven vullen met de liederen van de Heer. Hij zegent ons. Hij is onze Va­der. Hij is liefde. Hij is groot om te loven en te prijzen. Dank U, Heer.




Nehemia 12:27-47

27 april [2]



12:31

en stelde twee grote zangkoren op om in optocht voort te trekken; één naar rechts over de muur…

12:36

De schriftgeleerde Ezra ging voor hen uit.

12:40

Toen stelden de beide zangkoren zich in het huis Gods op;…

12:43

want God had hen verheugd met grote vreugde;…

12:46

Want… in de tijd van weleer, ligt de oorsprong van de zangers, van het loflied en de lofzangen aan God.


Ziet u het voor u? Twee grote zangkoren. Over de muur. Zingen en nog eens zingen. Wat een machtig gezicht. Ik zie het voor me. Zoals je wel eens een groot koor op een foto ziet met de koorkleding aan. Een prachtig gezicht. Een machtig lied uit de kelen van de zangers. Wat een machtig geluid. Nehemia stelt een groot koor samen. En daar gaan ze, de ene helft over de ene muur en de andere helft over de andere kant van de muur. En dan ten slotte stellen ze zich op in het huis van God. Wat een machtig gezicht. Je zou er zo een prach­tige opname van maken. Een wereldwijde cd, een wereldwijde video. Machtig gezicht. Daar in het zonovergoten heilige Jeruzalem. Nehemia, geweldig. De muur is klaar. Wat een wonder. Wat een zegen. We genieten.

Wat een vreugde. Want God had de vreugde in hun hart gelegd. De priesters helpen en zijn druk in de weer voor de zorg van het huis van God. Wat een drukte. Wat een menigte. Alles is goed georganiseerd. Er is grote vreugde. Het is een lust voor het oog. Het is prachtig om te lezen. Er is ook heel wat te vie­ren. Want het grote wonder van de herbouw van de muur is klaar. Wat is er niet aan vooraf gegaan om de tempel te herbouwen. Lees Ezra. Wat een bouw­werk. En wat een durf. Het volk was in ballingschap. De tegenstand is groot. Maar het volk bouwt door. Ze geven niet op. Nehemia en Ezra zijn voorbeel­den van moedige mannen Gods die ondanks tegenstand doorgaan. Dat is no­dig. De tegenstand en de tegenwerking, de slappe mensen, de mensen die al­tijd wat hebben te zeggen waarom iets niet kan. Die zijn er altijd. Die probe­ren altijd de zaak te traineren. De zaak op te houden. Maar wij moeten moedig zijn, en aan Nehemia en aan Ezra denken. Tegen de stroom in gaan. Niet opgeven. Doorgaan.

Wat een vreugde om dit boek te lezen. Je wordt er steeds enthousiaster van. Je ziet het ook voor je. Ook voor vandaag. Er is ook vandaag nodig, dat we het werk van God zien. En de muren, die in ons eigen leven in puin liggen, her­bouwen. En de muren, die in de samenleving in puin liggen, herbouwen. Hoe? Door het woord van God te proclameren. Telkens opnieuw. Niet bang zijn. Gewoon zeggen. Of ze het nu horen willen of niet. Moedig zijn, anderen moed inspreken. Steeds opnieuw. Ik kan er niet over zwijgen. Weet je wat er dan gebeurt? Als dan de muur herbouwd is, dan is er grote vreugde. Elk initiatief om Gods woord te proclameren geeft grote vreugde. In de eerst plaats voor jezelf, maar ook voor alle anderen die door dat woord gegrepen worden, want God legt die vreugde in onze harten. En overal waar de vreugde Gods in har­ten wordt gelegd vangt lofprijzing aan en gaan de mensen hun muziekinstru­menten opzoeken. Prijs de Heer.

En het hoofdstuk eindigt met de organisatie om de bijdragen bijeen te bren­gen. Waar het werk van God is daar wordt ook het geld bijeen gebracht. Dat is ook deel van de organisatie om de muur te herbouwen. Dat geldt ook voor vandaag. Help mee met de bouw van de muur. Ook om de zangers van het no­dige te voorzien.




Nehemia 13:1-31

28 april [2]



13:3

zonderden zij al wie van gemengde afkomst waren, van Israël af.

13:8

Ik was er zeer over ontstemd en wierp al het huisraad van Tobia het vertrek uit.

13:13

en het was hun taak, aan hun broeders uit te delen.

13:14

Gedenk mij, mijn God, hierom en wis de weldaden niet uit, die ik aan het huis van mijn God en aan zijn instellingen bewezen heb.

13:17

Wat doet gij daar voor slechts, dat gij de sabbatdag ontheiligt?

13:19

en ik beval, dat men ze niet zou openen tot na de sabbat.

13:22

Gedenk mij ook hierom, mijn God, en ontferm U over mij naar uw grote goedertierenheid.

13:25

Ik onderhield hen hierover, vervloekte hen, sloeg enigen van hen, trok hun de haren uit,…

13:27

en ontrouw zijt tegenover onze God door vreemde vrouwen te huwen?

13:31

Gedenk mij, mijn God, ten goede.


Het komt er steeds weer op aan om de wet van God, het woord van God te lezen. We kunnen dan steeds ontdekken waar we afwijken van deze regels en zegeningen ten leven. Daar gaat het om. We moeten niet links en niet rechts kijken. We moeten gewoon doen wat er staat. Dat was ook in de dagen van Nehemia het geval. Ze lezen de wet en ontdekken dat ze niet met vreemde vrouwen mochten huwen. Dat lijkt een logische zaak, maar toch was het ge­beurd. Ze herstellen de zaak en bekeren zich hiervan.

Dan ontdekt Nehemia, dat de priester, let wel, de kerkelijke leider zelf, voor één van de vijanden tegen de herbouw van de muur, Tobia, een vertrek in de tempel heeft ingericht. Hoe is het mogelijk? Dat zal toch niet waar zijn? Nehe­mia gaat er eigenhandig heen en gooit al het huisraad van Tobia eruit. Dat zal me een opschudding gegeven hebben. Maar wie haalt het ook in zijn hoofd om in het huis van God een ruimte in te richten voor de vijand? Dan haal je toch zelf de problemen over je heen. Nehemia is nog maar een korte tijd weg ge­weest of hij vindt bij zijn terugkomst allerlei afwijkingen die hij eigenhandig en hardhandig aan de kaak stelt en recht trekt. Daar moeten wij ook zelf altijd alert op zijn. Het schiet er zomaar in. Niet aan toegeven. Meteen korte metten maken, De boel herstellen. En niet te zachtzinnig, want zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Het sluipt er zomaar in. Kijk maar wat Nehemia doet. Er waren er zelfs die de taal van de vreemde volken gingen spreken, dat is te gek. Hij vervloekt hen, hij sloeg hen, hij trekt hen de haren uit, vers 25. Nou nou, dat is duidelijke taal. Niet mis te verstaan. Maar wie haalt het ook in zijn hoofd. Gelijk heeft hij. Zo, dat is duidelijk.

En dan eindigt het met weer het huwen met vreemde vrouwen. God had het nog zo verboden. En dan wordt Salomo aangehaald die door zijn vreemde vrouwen aan het einde van zijn leven zondigde. En wat deed hij? Hij liet ze hun kinderen aan de Moloch offeren. En dat was toch juist verboden? Dat deden de heidenen. En nu stond Salomo het toe in zijn land. En wat gebeurde er? Het rijk werd in tweeën gedeeld. De tien stammen en de twee stammen. En ze hadden voortdurend oorlog. En nu zijn ze in ballingschap. Waarom? Omdat ze ook weer hun kinderen aan de Moloch offerden. Je ziet het toch zelf wat er van gekomen is. Het volk werd in ballingschap gestuurd. En tot vandaag aan de dag is het volk verspreid over de wereld. God neemt het hoog op. En Nehe­mia waarschuwt hen door dit voorbeeld aan te halen. Denk maar niet dat God het nu door de vingers ziet. Geen zegen kunnen we verwachten als we door­gaan met het doden van de kinderen om ons eigen heil te bewerken. Prijs de Heer voor zulke duidelijke taal. We moeten daar ook vandaag aan de dag onze lering uit trekken. Wat ethisch niet bij God hoort, daar moeten we ons van bekeren. En dat betekent geen kinderen doden door abortus en het doden van oudere mensen is helemaal verschrikkelijk. Wie heeft ooit zoiets in zijn hoofd gehaald? Nee toch. Stoppen. En nu meteen.

Nehemia pleit op God, Die belooft wat Hij doet. Hij vraagt God om hem te gedenken. O God, ontferm U. Dat klinkt ook vandaag. O God, ontferm U. O God, laat mij handelend optreden in Uw dienst. Dank U, Heer, voor zulke kla­re taal. We kunnen er niet omheen. Aan ons de taak om er naar te handelen. Geef ons moed en kracht om grote schoonmaak te houden in ons eigen leven.