Psalmen






drs. L.P. Dorenbos

























Schreeuw om Leven – Hilversum


Titel: Psalmen
drs. L.P. Dorenbos
Hilversum – Stichting Schreeuw om Leven

ISBN 90-71732-44-4
NUR 707


Trefwoorden: bijbel, profetie, israël

© Stichting Schreeuw om Leven – Hilversum 2005
Ruitersweg 35-37, 1211 KT Hilversum
Tel. 035 624-4352, Fax 035 624-9141
E-mail info@schreeuwomleven.nl
Internet www.schreeuwomleven.nl

Bijbelcitaten NBG vertaling 1951

Coördinatie Alex C.F. van Vuuren & Joop B. Buker
Medewerking J.A.G. Delhaas, Christa Kruithof,
Ben Prins, Gerda Schotanus

Omslag en vormgeving Cees Baanvinger, Zoetermeer
Joop B. Buker, Joel assist, Bloemendaal

In de serie brochures In twee jaar de Bijbel door volgt
drs. L.P. Dorenbos het rooster van Schreeuw om Leven
Bijbellezen.










In twee jaar de Bijbel door



In het kader van het Schreeuw om Leven Bijbelleesplan:
“In twee jaar de Bijbel door”
geeft drs. L.P. Dorenbos dagelijks in een persoonlijke notitie zijn gedachten weer tijdens het lezen van het bijbelgedeelte voor die dag ter bemoediging en als een oproep en een stimulans om te lezen, te herlezen en te doen wat er staat, zonder de pretentie dat het zou gaan om een gedegen bijbelstudie.

Mogen de lezers erdoor gezegend worden.








Inhoudsopgave



Voorwoord




Psalmen

5







Psalm 1:1-6

15 april [1]



1:1

Welzalig de man, die niet wandelt
in de raad der goddelozen,
die niet staat op de weg der zondaars,
noch zit in de kring der spotters;

1:2

maar aan des HEREN wet zijn welgevallen heeft,
en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht.

1:3

Want hij is als een boom, geplant aan waterstromen,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
welks loof niet verwelkt;
– al wat hij onderneemt, gelukt,

1:4

Niet alzo de goddelozen:
die toch zijn als kaf dat de wind verstrooit.

1:5

Daarom houden de goddelozen geen stand in het gericht,
noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen,

1:6

Want de HERE kent de weg der rechtvaardigen,
maar de weg der goddelozen vergaat.


Echt een psalm om helemaal uit te werken. Een psalm om uit je hoofd te leren. Het gaat om het houden de wet van de HERE. Daar vaar je wel bij. Je moet je afzonderen van de goddeloze die aan God noch gebod doet. Bij God ben je als een boom geplant aan waterstromen, met vrucht en loof. Geen verwelken, maar almaar bloeien en ondernemen en gelukken. Daar gaat het om. Dat is prachtig. Wie wil dat niet?

Goddelozen houden geen stand. Zij vergaan. Zij zijn niet voor de eeuwigheid, niet voor het paradijs. Wat ze doen, kan wel heel wat lijken. Ze hebben vaak een grote mond. Maar ze zullen vergaan. Ze zijn er niet meer. Als kaf voor de wind. Dat klinkt vernederend voor de goddelozen. En dat is het ook. Maar dat is niet het doel van deze psalm, het is een oproep om de weg van de onrecht­vaardigheid te verlaten en God te volgen. Het is nooit discriminerend bedoeld, maar een oproep. Als je het discriminerend vindt, dan bekijk je het vanuit je goddeloosheid. Dan kun je er hevig tegen tekeergaan. Dat gebeurt ook. Het onrecht viert hoogtij. En iedereen die zich er tegen verzet, die weg van de HERE wil gaan, die krijgt de wind van voren. Maar zo is het niet. Het is God die de mens schiep. Hij wil redden. Hij wil mensen als bomen die vrucht dra­gen, die ondernemen en bij wie dingen gelukken. Dat geldt voor alle terreinen van de samenleving. Het gaat om het herstel van de samenleving. Dat heeft met alle aspecten van het leven te maken. Dat bouwt een samenleving op. Daar kan ieder tot zijn recht komen.

Vanuit de verbrokenheid wil God een nieuwe weg banen. De weg van recht en gerechtigheid. Daarom kwam Messias Jezus om de verzoening tot stand te brengen. De ene weg! Dáár hebben we wat aan. Dáár kunnen we mee verder. Daardoor kunnen we ook onderscheiden waar het op aankomt. Blijf bij Jezus. Blijf bij het Woord. Weet je het niet meer? Vraag het Jezus. Weet je het niet? Blijf lezen en studeren in het Woord van God. Blijf bidden om wijsheid en Hij zal je die geven. Probeer het maar. Echt doen. Het werkt omdat Hij het zegt. Leer Psalm 1 uit je hoofd.




Psalm 2:1-12

16 april [1]



2:1

Waarom woelen de volken
en zinnen de natiën op ijdelheid?

2:2

De koningen der aarde scharen zich in slagorde
en de machthebbers spannen samen
tegen de HERE en zijn gezalfde:

2:3

Laat ons hun banden verscheuren
en hun touwen van ons werpen!

2:4

Die in de hemel zetelt, lacht;
de HERE spot met hen.

2:5

Dan spreekt Hij tot hen in zijn toorn,
en verschrikt hen in zijn gramschap:

2:6

Ik heb immers mijn koning gesteld
over Sion, mijn heilige berg.

2:7

Ik wil gewagen van het besluit des HEREN:
Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij;
Ik heb u heden verwekt.

2:8

Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel,
de einden der aarde tot uw bezit.

2:9

Gij zult hen verpletteren met een ijzeren knots,
hen stukslaan als pottenbakkerswerk.

2:10

Nu dan, gij koningen, weest verstandig,
laat u gezeggen, gij richters der aarde.

2:11

Dient de HERE met vreze
en verheugt u met beving.

2:12

Kust de zoon, opdat hij niet toorne
en gij onderweg niet te gronde gaat,
want zeer licht ontbrandt zijn toorn.
Welzalig allen die bij Hem schuilen!


De messiaanse koning’ is in de NBG-vertaling boven deze psalm gezet. Het gaat erom dat de wereld wel tekeer kan gaan, maar dat de HERE regeert. De machtigen der aarde denken dat zij het recht en de macht zelf in hun hand heb­ben. Maar de HERE lacht. Wat is dat gekrioel van die koningen toch klein in zijn ogen. Zij denken zonder God te kunnen rekenen en zijn kinderen te kun­nen aanpakken en vervolgen. Maar de werkelijkheid is dat God regeert. Hij heeft alles in de hand. De aarde is zijn schepping. Hij weet dat de zonde in de wereld gekomen is en dat de duivel probeert zoveel mogelijk duisternis en dood te bewerkstelligen. Maar als God optreedt dan is het afgelopen. Dan zijn de goddelozen als kaf in de wind. Zoals in Psalm 1 staat. Het gaat om het her­stel van alle dingen. Het gaat om zijn heilige berg. Daar woont Hij en daar blijft Hij wonen. Daar zal zijn rijk van recht en gerechtigheid gegrondvest worden. Van nu aan tot in eeuwigheid. Prijst de HERE.

Wij moeten van de Zoon van God spreken. Wij moeten proclameren. Wij moeten niet zwijgen. Wij moeten zeggen dat er redding is bij Jezus. Er is een veilige haven uit de woelige wereld met goddeloze machthebbers. Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt. De aankondiging van de Messias in Psalm 2. Dat is een wonder. Alles is gericht op de komst en de regering van de Vrede­vorst. Heerlijk. Wat een vooruitzicht. Wat een zegen.

Het kan wel lijken of de machthebbers van de aarde niet te verslaan zijn, maar deze psalm zegt: Gij zult hen verpletteren met een ijzeren knots, hen stukslaan als pottenbakkerswerk. Nou dat aardewerk is niet zo sterk. Dat gaat snel stuk. Dus we moeten door het gebral van de wereldmachten heen kijken. We moe­ten ons niet in de luren laten leggen. Hij regeert. Hij heeft alle macht. Hij vol­voert zijn plan. Hij herstelt alles. Dus het is het beste dat de koningen der aar­de zich tot God richten. Dat ze zich door Hem laten gezeggen. Want anders komt het niet goed.

Dient de HERE met vreze en verheugt u met beving. We hebben te maken met een heilig God. We moeten Hem aanbidden. We moeten Hem gehoorzamen. Want Hij laat niet met zich spotten. Hij wil ons alles geven maar we moeten er geen loopje mee nemen. Prijst de HERE. Welzalig allen die bij Hem schuilen! Met een uitroepteken – want daar komt het op neer. Het kan stormen. Het kan tekeergaan. Maar we moeten bij Hem schuilen. We moeten bij Hem blijven. We moeten het van Hem verwachten. Het kan dan lijken of we naar de mens gesproken aan de verliezende hand zijn, maar vanuit God gesproken zijn we aan de winnende hand. Het kan niet stuk. Doe mee. De uitnodiging klinkt. Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven, want mijn juk is zacht en mijn last is licht. Heerlijk toch. Wat wil je nog meer?



Psalm 3:1-9

17 april [1]



3:1

Een psalm van David, toen hij vluchtte voor zijn zoon Absalom.

3:2

O HERE, hoe talrijk zijn mijn tegenstanders;
velen staan tegen mij op;

3:3

velen zeggen van mij:
Hij vindt geen hulp bij God.

3:4

Maar Gij, HERE, zijt een schild dat mij dekt,
mijn eer, en die mijn hoofd opheft.

3:5

Als ik luide roep tot de HERE,
antwoordt Hij mij van zijn heilige berg.

3:6

Ik legde mij neder en sliep;
ik ontwaakte, want de HERE schraagt mij.

3:7

Ik vrees niet voor tienduizenden van volk,
die zich rondom tegen mij stellen.

3:8

Sta op, HERE, verlos mij, mijn God!
Ja, Gij hebt al mijn vijanden op de kaak geslagen,
en de tanden der goddelozen verbrijzeld.

3:9

De verlossing is van de HERE,
uw zegen zij over uw volk.


Je zult maar voor je zoon moeten vluchten. Je zult maar de koning zijn en je zoon rebelleert tegen je en een hele boel mensen lopen achter hem aan. Dan moet jij vluchten en dan word je onderweg ook nog uitgescholden door Simeï. Lees de geschiedenis maar eens na. Wat een tragische toestand. Koning Da­vid, de machtige koning, wordt door een rebellerende zoon de stad uitgejaagd, Zo zie je maar hoe het allemaal kan verlopen. Je vraagt je af waarom moet het allemaal gebeuren? Zou het nog iets te maken hebben met Bathseba. Zou het ermee te maken hebben dat David zijn kinderen niet recht toe recht aan opge­voed heeft. Heeft het te maken met Tamar. David heeft dat ook onder de dek­mantel gehouden. Hij wist ervan, maar heeft de schande verborgen. Daar moe­ten we goed op letten. Hoe heeft het zo ver kunnen komen met Absalom? Hoe heeft hij het aangedurfd om te rebelleren tegen zijn vader? Daar moeten we eens goed over nadenken.

We moeten dan ook over onszelf nadenken. Hoe gaan wij met onze kinderen om? Laten we het ook maar een beetje sudderen. Je kunt niet vroeg genoeg beginnen met je kinderen van de Here Jezus te vertellen. Ze moeten zo vroeg mogelijk zien waar ze vandaan komen. Dat ze van God zijn, dat is heel be­langrijk. Al dat geleuter dat kinderen het niet begrijpen slaat nergens op. Zij hebben een vader en wij hebben een Vader die in de hemel is. Dus het begrip vader begrijpen ze heel goed. We moeten met de opvoeding weer van de basis af beginnen. We zijn heel veel van het elan van het begin kwijt geraakt.

David blijft vertrouwen op God. Hij schuilt bij Hem. God is een schild in de gevaren. De HERE antwoordt altijd als je luid roept. Je hoeft niet te vrezen voor tienduizenden. Er kan een geweldige overmacht zijn, maar God is toch sterker. Roep tot God om op te treden. De HERE verbrijzelt de vijanden. De verlossing is van de HERE, uw zegen is over uw volk. Daar gaat het om. De verlossing is van de HERE. Bij Hem kunnen we altijd schuilen. In alle nood. Hij is altijd sterker. Hij zal je altijd beschermen. Zijn zegen is altijd over ons. Ook al lijkt het er naar de omstandigheden niet altijd naar. De HERE is groot.




Psalm 4:1-9

18 april [1]



4:2

die mij ruimte maakt in mijn benauwdheid;
wees mij genadig en hoor mijn gebed.

4:4

de HERE hoort, als ik tot Hem roep.

4:5

Weest toornig, maar zondig niet;
spreekt in uw hart op uw leger, en zwijgt.

4:9

In vrede kan ik mij te ruste begeven en aanstonds inslapen,
want Gij alleen, o HERE, doet mij veilig wonen.


Een avondlied staat er in de NBG-vertaling boven. Voor mij is het een psalm voor elk uur van de dag. Je kunt het benauwd hebben, maar God geeft ruimte. Hij verheft je boven de omstandigheden uit. Wees mij genadig en hoor mijn gebed. Blijf maar dicht bij Jezus schuilen. Dat valt niet mee als de vijand op de loer ligt, maar toch is het de veiligste plaats. Waar moet je anders heen vluchten dan naar God?

De mensen om je heen proberen je in een kwaad daglicht te stellen. Ze doen alsof jij er niet toe doet. Maar het gaat erom dat jij het van God blijft verwach­ten. Want die mannen die jouw eer versmaden, die leven niet lang. Over hun lot is reeds besloten. Dus blijf bij de HERE. Ga er niet tegen tekeer. Wees toornig op je legerstede, maar laat het ze niet merken. Geef ze geen kans om tegen je tekeer te gaan. Vertrouw op de HERE. Je hebt meer vreugde in je hart bij de HERE, dan met alle rijkdom en oogst en alles wat de wereld je kan geven. Dat is de werkelijkheid waar we steeds aan vast moeten houden.

Daarom is het zo belangrijk dat we onze kinderen het vroeg vertellen en ze het inprenten. Het maakt dat ze de dingen zien, zoals ze werkelijk zijn. Vaak zien we dat niet zo, maar zien we eerst op de aardse dingen. Dat is ook vanzelfspre­kend, want dat is zoals we het met onze natuurlijke ogen zien. Daar hebben we mee te maken. Maar het geheim is dat we moeten zien vanuit God. Want Hij alleen doet mij rustig en veilig wonen. Daardoor kunnen we rustig slapen. Dag aan dag, keer op keer. Dat is het. O, HERE, help ons. Dank U wel.




Psalm 5:1-13

19 april [1]



5:3

Sla acht op mijn hulpgeroep, o mijn Koning en mijn God,…

5:4

HERE, des morgens hoort Gij mijn stem,
des morgens leg ik het U voor, en zie uit.

5:7

Gij richt te gronde de leugensprekers,
de HERE verafschuwt de man van bloed en bedrog.

5:9

HERE, leid mij door uw gerechtigheid
om mijner belagers wil;
effen uw weg voor mijn aangezicht.

5:11

Doe hen boeten, o God,
laat hen vallen door hun eigen overleggingen,…

5:12

Maar verheugen zullen zich allen die bij U schuilen,…

5:13

Want Gij zegent de rechtvaardige, o HERE,
Gij omgeeft hem met welbehagen als met een schild.


Ze kunnen wel tekeergaan, die leugensprekers, de mannen van bloed en be­drog. Kijk ze eens om zich heen slaan. Het lijkt wel of onze stemmen niet meer gehoord worden. Het is één en al leugen. Zo lijkt het wel als we om ons heen kijken. Het is verschrikkelijk. Het is één en al afval en zonde. Hoor HERE, hoor naar mijn stem. Ik roep U aan en ik weet dat U hoort. De dwazen houden geen stand voor uw ogen. Ik weet het HERE, want dat heeft U Zelf gezegd. Maar het lijkt erop dat ze een steeds grotere mond hebben. Nu drugs, dan abortus, daarna weer euthanasie, vervolgens weer het homohuwelijk. Het lijkt een race om alles wat U verboden heeft in wetten vast te leggen. Maar HERE God, U blaast erin. Het gaat om uw gerechtigheid. Het gaat om uw wet. U bent onze rechter, U bent onze wetgever. U bent onze koning en niemand anders. Dat wil ik uitroepen. Dat wil ik vasthouden. Daar wil ik over spreken. Zij zijn niet betrouwbaar. Zij spreken leugen en buigen het recht. Het is ver­schrikkelijk HERE. Maar U doet hen boeten. Ze zullen het weten. U blijft waar en waarachtig. U haat de zonde en doet de ongerechtigheid weg.

Maar verheugen zullen zich allen die bij U schuilen… daar Gij hen beschermt. Want Gij zegent de rechtvaardige, o HERE. Gij omgeeft hem met welbehagen als met een schild. En zo is het. Ga daar maar uit leven. Moet je doen. Daar­door kun je wel problemen krijgen met de ongerechtigheid en de afval en de verloedering. Maar God blijft je omringen met zijn liefde en bescherming en zijn schild. Daar ben je veilig. Echt waar.




Psalm 6:1-11

20 april [1]



6:2

O HERE, straf mij niet in uw toorn,
en kastijd mij niet in uw grimmigheid.

6:5

Keer weder, HERE, red mijn ziel,
verlos mij om uwer goedertierenheid wil.

6:8

Mijn oog is dof geworden van verdriet,
verzwakt door allen die mij benauwen.

6:10

de HERE heeft mijn smeking gehoord,
de HERE neemt mijn bede aan.

6:11

Al mijn vijanden zullen beschaamd staan,
ten zeerste verschrikt,
zij zullen in een oogwenk beschaamd afdeinzen.


David heeft het hier wel heel moeilijk. Hij is bang voor de toorn van God. Hij weet van zijn straffende hand. Verschrikkelijk. Hij weet van Gods liefde die je wil beschermen. Zijn Woord is de waarheid. Je moet geen spelletje met God spelen. Hij weet dat God alles ziet. Daarom is het zo belangrijk om dag en nacht in de gemeenschap met God te blijven. Anders gaat het niet goed. Dan kom je in de hand van de goddelozen. Dan heul je met de vijand. En dan komt het oordeel. Hier wordt David gepijnigd door verdriet en zorg om Gods oor­deel. We weten niet wat er aan de hand is, in welke situatie David zich hier bevind. Hij denkt dat hij sterven moet. Hij is er erg aan toe. Hij moet huilen en huilen. Hij heeft ontzettend veel verdriet. Maar hij roept tot de HERE. Wees mij genadig HERE, want ik kwijn weg.

Zou hij ernstig ziek zijn geweest. Dat kan, dat kan je ook zo afmatten. Wat is de mens. Hij roept tot God. Het zijn de bedrijvers van ongerechtigheid die David lastig vallen. Die het steeds maar op hem aanleggen. Hij weet zeker dat de HERE zijn wenen gehoord heeft. Hij gaat er op staan. Hij gaat staan op het Woord van God. Want wat God zegt, dat doet Hij ook. Hij hoort het hart dat schreiend tot Hem gaat. Hij laat geen bidder staan. Hij wil troost geven in de smart. Blijf maar dicht bij Jezus. Schuil maar bij Hem. Want Hij hoort. Hij is er altijd bij. Hij weet van het lijden van deze wereld. Hij weet van dood en ellende. Hij heeft zijn eigen leven gegeven om weer te herstellen, om de dood als laatste prikkel te overwinnen. Hij is het Leven en in Hem kunnen we met al ons verdriet leven.

De HERE heeft mijn smeking gehoord, de HERE neemt mijn bede aan. Weg zijn alle vijanden. Weg is alle aanval. Want Hij maakt je sterk. Zelf ben je zwak, maar Hij geeft je kracht. Soms tegen jezelf in. Het is immers ook zijn kracht. Wij ontvangen zijn kracht in onze zwakheid. Het is zo waar. Het is de werkelijkheid. We gaan er zo maar aan voorbij als we steeds maar blijven zit­ten bij onze eigen zwakheden, ons eigen verdriet, ons eigen willen. Wij kun­nen ons zelf niet verlossen. Hij is het die ons kracht geeft. Gelukkig maar. Hoe zouden we anders kunnen leven. Prijs de HERE.




Psalm 7:1-18

21 april [1]



7:2

HERE, mijn God, bij U schuil ik,
verlos mij van al mijn vervolgers en red mij,…

7:9

De HERE richt de volken.
Doe mij recht, HERE, naar mijn gerechtigheid,
en naar mijn onschuld, die bij mij is.

7:11

Mijn schild is bij God,
die de oprechten van hart verlost;…

7:15

Zie, wie met ongerechtigheid bevrucht werd,
is zwanger van onheil en baart leugen.

7:16

Hij delft een kuil en graaft die uit,
maar valt zelf in de groeve die hij maakte.

7:18

Ik zal de HERE loven naar zijn gerechtigheid,
en de naam des HEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen.


David heeft het benauwd. Maar hij blijft pleiten op de HERE God, want Hij is de rechtvaardige rechter. Hij kan bij Hem schuilen. Het gevaar kan groot zijn, maar bij de HERE ben je veilig. Hij is onschuldig, maar wordt beschuldigd. Hij gaat vrijuit, maar de vijanden proberen hem in hun eigen ongerechtigheid om te brengen. Maar David blijft zien op de rechte lijn tot God. God regeert. De vijanden kunnen tekeergaan. Maar wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in. Dat is een gezegde geworden in ons land en misschien ook wel in andere landen. Maar het is het woord van God. Pas op, onrechtvaardigen, want het oordeel komt. Als je je niet bekeert, dan komt het onheil onherroepe­lijk. God wil je vergeven. Hij wil je redden, maar verhard je je, dan haal je het oordeel zelf over je heen. Dat kan niet anders. Dat gaat gebeuren. En dat zie je ook voor je ogen. Want de werken van de duisternis nemen toe als de onrecht­vaardigen op de troon zitten. Het onheil dat ze stichten komt op hun eigen hoofd terecht.

Daarom kan David ook eindigen met de woorden: Ik zal de HERE loven naar zijn gerechtigheid, en de naam des HEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen. We kunnen liederen zingen in de nacht, zoals Paulus in de gevangenis. We kunnen het moeilijk hebben. We kunnen ziek zijn of oud of zwak of het niet meer zien zitten. En hoe vaak is dat niet het geval? Juist dan moeten we gaan zingen. We moeten het soms tegen onze eigen wil doen. Maar dan komt wel de vrede Gods over je.

De tegenstander van God zit niet stil om je telkens opnieuw uit je vrede met God te halen. Hij zit vol list en bedrog. En we weten het maar al te goed, want we hebben daar elke dag mee te maken. Dat loeder ligt op de loer. Maar God is sterker. Hij helpt ons. Hij redt ons. Hij laat ons nooit in de steek. Hij staat daar met zijn almacht boven en wil ons beschermen en redden. Hij staat klaar om de onbekeerlijke en onrechtvaardige tegenstander neer te vellen. Ook hem roept Hij, maar dan moet hij wel opschieten. Want er is een einde aan Gods geduld. Mag Hij misschien?

HERE God dank U wel dat u altijd bij ons wilt zijn, We bidden voor onze tegenstanders dat zij zich omkeren om aan het oordeel van U te ontsnappen.




Psalm 8:1-10

22 april [1]



8:2

O HERE, onze Here,
hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde,
Gij, die uw majesteit toont aan de hemel.

8:3

Uit de mond van kinderen en zuigelingen
hebt Gij sterkte gegrondvest, uw tegenstanders ten spijt,
om vijand en wraakgierige te doen verstommen.

8:4

Aanschouw ik uw hemel, het werk van uw vingers,
de maan en de sterren, die Gij bereid hebt:

8:5

Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt,
en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet?

8:6

Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt,
en hem met heerlijkheid en luister gekroond.

8:7

Gij doet hem heersen over de werken uwer handen,
alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd:

8:8

schapen en runderen altegader
en ook de dieren des velds,

8:9

de vogelen des hemels en de vissen der zee,
hetgeen de paden der zeeën doorkruist.

8:10

O HERE, onze Here,
hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde.


Over deze psalm raak je niet uitgesproken. Het is een prachtige psalm. Ook geen wonder dat de psalm begint en eindigt met: O HERE, onze Here, hoe heerlijk is uw Naam op de ganse aarde. En ja zo is het. Het is de heerlijke Naam van de HERE. En die HERE, de schepper van hemel en aarde, heeft ons gemaakt. Niet zo maar, maar bijna goddelijk. Hij heeft ons met heerlijkheid en luister gekroond.

Alles ligt aan zijn voeten. Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest. Wie zou dat ontkennen? Als we een zuigeling zien, dan zien we daarin de almacht van de Schepper. Wat is er mooier dan een kind. Het is prachtig. Wie raakt daardoor niet vertederd? Het is fantastisch. Het is om nooit over uitgesproken te raken. Hoe blij zijn vaders en moeders niet met een kind. Heerlijk toch om zo’n kind in je armen te hebben. Hoe heerlijk is het om kleinkinderen te hebben. Wat kun je daar van genieten. Ja natuurlijk, het is soms ook heel moeilijk met kinderen. Het vraagt een grote inspanning om ze op te voeden. Want ook in de kinderen is de zonde gekomen. De boze rukt aan alle kanten op om ons stuk te krijgen. Hij heeft het op het hartje van de kinde­ren gemunt. Het is te gek hoeveel kinderen de dupe worden van de aanvallen van de boze. Daarom is het zo belangrijk dat kinderen opgevoed worden in de vreze des HEREN. Het is fantastisch om te zien hoe de HERE God alles in het werk stelt om de kinderen te helpen. Hij zegt dan ook niet voor niets, dat wie één van deze kinderen aanraakt het beter ware dat een molensteen om zijn hals gebonden was en hij was gezwolgen in de diepte van de zee. God heeft de kin­deren op het oog. Kinderen zijn geboren aan het hart van de Vader. Heerlijk om daar geboren te zijn. Het is fantastisch. Het is heerlijk om te schuilen aan de voeten van Jezus. Het is veilig schuilen bij God.

Gij die uw majesteit toont aan de hemel. Er gaat niets boven de almacht van God. Er is niets dat sterker is. Het is fantastisch om dat te weten en te schuilen bij de HERE God. Als je de mens ziet dan denk je: is het echt waar dat God hem bijna goddelijk gemaakt heeft? Wat zijn we nietig als we de sterren en de maan zien en alle grote dingen die God gemaakt heeft. Wat is het mensenkind dat Gij zijner gedenkt? En ja hoor. God heeft hem bijna goddelijk gemaakt. Wat een geweldige kracht. Wat een geweldige nabijheid bij God. Daar word je enthousiast van. Want we zitten allemaal wel eens in de druk. Dan is dit het geheim om je aan Hem vast te houden. Niet omdat jij het gelooft of het be­dacht hebt, maar omdat God het zo gemaakt heeft. En soms moet je zelfs tegen je eigen wil in aan Hem vasthouden. En dan zul je merken dat het werkt. Hij staat altijd klaar om te helpen, nee nog sterker: Hij kwam juist in de eerste plaats voor de verbrokenen van hart, de gevangenen, de kleinen, zij die in de druk zitten. Lees het maar na in Jesaja 61 en alle andere plaatsen.

Daarom is Psalm 8 zo heerlijk. Ik word er blij van. O, HERE God, bewaar onze kinderen. Ze hebben het zo moeilijk. Ze worden zo aangevallen. Help ze! Houdt ze vast! Dank U HERE dat uw kracht groter is dan onze kracht en hun kracht. We moeten uw steun en bescherming afsmeken over ons en onze kinderen. Dank U wel HERE God. O HERE, onze Here, hoe heerlijk is uw Naam op de ganse aarde?




Psalm 9:1-21

13 mei [1]



9:5

Want mijn pleitzaak en mijn geding hebt Gij berecht,
als rechtvaardig rechter, de rechterstoel bestegen.

9:7

de vijanden zijn weg – eeuwige puinhopen –,…

9:8

Maar de HERE zetelt voor eeuwig,…

9:9

ja, Hij oordeelt de wereld in gerechtigheid,
Hij richt de natiën in rechtmatigheid.

9:10

Daarom is de HERE een burcht voor de verdrukte,
een burcht in tijden van nood.

9:11

want Gij hebt nooit verlaten wie U zoeken, o HERE.

9:13

want Hij, die de bloedschuld wreekt, gedenkt hunner,
het geroep der ellendigen vergeet Hij niet.

9:17

De HERE deed Zich kennen, Hij handhaafde het recht;…

9:18

De goddelozen keren om naar het dodenrijk,…

9:19

niet voor immer gaat de hoop der ootmoedigen teloor.

9:21

Jaag hun schrik aan, HERE,
zodat de volken erkennen, dat zij stervelingen zijn.


Zo is het. De volken kunnen tekeergaan. De mensen kunnen worden verdrukt. De vijanden gaan tekeer. Maar God zit op de troon. Ook wij, als christenen kunnen in de druk zitten. We aanbidden God. We loven en prijzen Hem. We weten dat Hij machtig is en onoverwinnelijk. Maar toch, de vijanden lijken het voor het zeggen te hebben. Dan moeten we niet verslappen, maar juist de HERE aanlopen en het van Hem verwachten. Met Hem doorgaan. Want het kan wel lijken dat de heidenen het voor het zeggen hebben. Maar één zucht van de adem van de HERE God en weg zijn zij. Eeuwige puinhopen, zegt de psalm.

Wij geloven in een God die eeuwig leeft. Die alle macht heeft. Die gerechtig­heid oefent. En die de verdrukte helpt en redt uit de nood. Die de zwakke en de verdrukten niet vergeet, maar juist alles in het werk zet om hem te redden. Hij oordeelt de wereld in gerechtigheid. Hij richt de natiën in rechtmatigheid. Wat een God. We weten allemaal dat de zonde in de wereld is. Dat ook wij daaraan onderworpen zijn. Daar hebben we allemaal mee te maken. We zien voor onze ogen onrecht en onrechtmatigheid. Het lijkt wel of dat de wereld en de mensen beheerst. Maar God is een God van recht. Hij duldt het niet. En daarom kunnen we temidden van alle ellende God loven en prijzen.

Hij woont op Sion. Dat is de plaats van zijn woning. Daar wordt het recht uit­geoefend. Daarvan zal straks de wet uitgaan. De wet van recht en gerechtig­heid. Wees mij genadig o HERE. Want we kunnen alleen maar leven uit gena­de. Hoe zouden we anders kunnen leven. Het is de genade van God die ons in leven houdt. Het zijn de barmhartigheden Gods dat wij niet omgekomen zijn! Anders waren we allang vergaan. Dat weet David. Want hoe vaak heeft de HERE hem niet gered uit benauwde omstandigheden. Het is een vallen en op­staan. Maar met God zijn we meer dan overwinnaars. Geweldig om dat te we­ten. De goddeloze keert terug naar het dodenrijk en wordt daarmee in de poel des vuurs geworpen. Maar de rechtvaardige zal voor eeuwig leven. De volken zullen niet anders kunnen dan erkennen dat ze stervelingen zijn. Glorie voor zijn Naam.

David leefde eeuwen voor de komst van Messias Jezus, maar wij mogen te­rugzien op een geweldige vervulling van profetie en zien uit naar de weder­komst van Messias Jezus in heerlijkheid. Wij weten al zoveel meer dan David. Dus hebben we nog meer reden om op Hem te vertrouwen. Het is heerlijk om bij de HERE te schuilen. Glorie voor zijn Naam.

Heb je die vrede niet. Lees dan de Bijbel. De vrede van God komt naar je toe. Dat kan niet anders, want God heeft juist het goede op het oog voor wie Hem zoeken en vrezen.




Psalm 10: 1-18

14 mei [1]



10:4

al zijn gedachten zijn: Er is geen God.

10:5

hij blaast tegen allen die hem benauwen;

10:6

hij zegt in zijn hart: ik zal niet wankelen,…

10:7

onder zijn tong zijn ongerechtigheid en onheil,…

10:8

Zijn ogen bespieden de zwakke,…

10:11

Hij zegt in zijn hart: God vergeet het,…

10:14

Gij ziet het, want Gij aanschouwt moeite en verdriet,
om het in uw hand te leggen.
Op U verlaat zich de zwakke,
voor de wees zijt Gij een helper.

10:16

De HERE is koning, eeuwig en altoos.
De volken zijn vergaan uit zijn land.

10:17

De begeerte der ootmoedigen hebt Gij, HERE gehoord;
Gij sterkt hun hart, uw oor merkt op,

10:18

om recht te doen de wees en de verdrukte,
zodat nooit meer een aards sterveling schrik aanjaagt.


Ja wat hier staat daar lijkt het heel vaak op. De goddeloze gaat tekeer. Die denkt: Er bestaat geen God. Maar hij rekent buiten de Waard. Hij gaat tekeer. Hij verdrukt het recht van de weduwen en wezen. Hij schuwt niet om onrecht te laten gelden. Hij ziet de zwakke aan en laat ze in zijn strik vallen. Lees maar na. En kijk ook maar om je heen. Want een goddeloosheid. Wat een zon­de. Wat een haat en nijd. Wat een onrecht. Wat een verbijten en vereten. We kunnen dat in het groot zien, maar we zien dat ook in het klein. Wat kunnen we het elkaar toch lastig maken. Wat is er toch een gekijf en getwist. Dat gaat almaar door. Het lijkt wel of dat het normale leven is. De goddeloze heeft dan ook alle reden om te zeggen: Er bestaat geen God. Het gaat hem immers voor de wind. En zie eens die arme tobbers die het van God verwachten. Dat is toch zielig. Zo wordt er vaak gespot. Het lijkt de omgekeerde wereld wel. Maar de werkelijkheid blijft de werkelijkheid. Het is de roep van de ellendige om recht. HERE, sta op, hef uw hand op!

De HERE God ziet het ook. Het gaat Hem ter harte. Hij lijdt er het meest on­der. Want Hij heeft de hemel en de aarde gemaakt. En zie het was zeer goed. Hoe kan het ook anders dat de Maker het meeste lijdt onder het niet functione­ren van wat Hij gemaakt heeft. Hij zal er dan ook alles aan doen om het weer in orde te krijgen. Zo kan het toch niet verder. Daarom is de oproep van de zwakke en de onderdrukte dat de HERE optreedt om de goddeloze de mond te snoeren. Want God is Koning eeuwig en altoos. Daarom hoeven we niet te twijfelen en daaraan moeten we ook niet twijfelen. De begeerte der ootmoedi­gen hoort God. Hij vergeet het niet. Het kan even duren maar God zal komen met recht en gerechtigheid. Om recht te doen aan weduwe en wees in hun druk. God is altijd het eerste bezig om de zwakke op te richten uit hun druk. Dat is het karakter van God. Daar gaat het om.

Als wij het soms niet meer zo zien zitten is het goed deze psalm weer eens te lezen. We kunnen soms zo in de druk zitten, dat we het niet meer zien. Dat ligt niet aan God, want Hij blijft ons oprichten en helpen. Daarom doen we er goed aan om het van Hem te verwachten. Soms tegen eigen gevoel of situatie in. We moeten Hem niet in de weg lopen maar ons in zijn blijdschap houden, om een uitweg te vinden die ons hart opheft. Want uiteindelijk gaat het om het leven met Hem, een eeuwig leven. We zijn wel ín de wereld, maar niet vàn de wereld. Als we ons leven en de wereld zien vanuit het perspectief van God, dan lijden we met Hem mee om de zonde en de ongerechtigheid in de wereld, maar dan heffen we ons op om onder zijn vleugels te blijven schuilen, want alleen daar ben je veilig. Al zoveel mensen hebben geprobeerd om het anders te doen, maar net als de psalmdichter zegt: De HERE is Koning, eeuwig en altoos. En dat duurt het langst!




Psalm 11:1-7

15 mei [1]



11:1

Bij de HERE schuil ik.

11:2

om oprechten van hart in het duister te treffen.

11:3

Wanneer de grondslagen zijn vernield,
wat kan de rechtvaardige doen?

11:4

zijn ogen slaan gade,
zijn blikken doorvorsen de mensenkinderen.

11:5

De HERE toetst de rechtvaardige en de goddeloze;…

11:6

Hij regent op de goddelozen vurige kolen en zwavel,…

11:7

Want de HERE is rechtvaardig
en Hij heeft gerechtigheid lief;
de oprechten zullen zijn aangezicht aanschouwen.


Een indrukwekkende psalm. Vers 3: Wanneer de grondslagen zijn vernield, wat kan de rechtvaardige doen? Je zou er alle kanten mee op kunnen. In de zin van: Wat moeten we nog doen, nu de grondslagen zijn vernield. Dan kan de rechtvaardige toch zeker niets meer doen. Of: Zie, nu zijn de grondslagen ver­nield en nu is het afgelopen. Het is een onvoorstelbare toestand. Als de grond­slagen zijn vernield dan is er zeker sprake van een ernstige situatie. Hoe is het gekomen dat de grondslagen zijn vernield? De goddeloze heeft de macht ge­grepen. De mensen zonder God en gebod denken dat ze het zelf wel kunnen. De weduwen en de wezen worden verdrukt. Het is verschrikkelijk.

Bij de HERE schuil ik, zegt de dichter David. Ik verberg me niet in de bergen, daar schieten ze me als een vogel neer. Want ze hebben het op mijn leven ge­munt. Zij willen de oprechten van hart in het duister treffen. Pas op! Vlucht, maar vlucht alleen om te schuilen bij de HERE. De HERE woont in zijn heilig paleis. Hij heeft in de hemel zijn troon. Daar kan het onrecht niet komen. Van daaruit ziet Hij recht en onrecht. Van daaruit toetst hij de harten van ieder mens en wie geweld bemint die haat Hij. Op de goddeloze regent Hij vurige kolen en zwavel. Nou dat is niet zo best. Daar ga je aan te gronde. Denk aan Sodom en Gomorra.

Want de HERE is rechtvaardig en Hij heeft gerechtigheid lief; de oprechten zullen zijn aangezicht aanschouwen. Dus als de grondslagen zijn vernield, dan zal de rechtvaardige die bij God schuilt recht en gerechtigheid blijven uitoefe­nen. Want God vanuit de hemel haat het onrecht. Hij zal allen, die recht en gerechtigheid nastreven, zegenen en krachtig maken. Soms, nee meestal, gaat dat door strijd heen. Want hoe is het gekomen dat er zoveel onrecht is. Dat komt omdat er zoveel zonde is toegelaten. Hoe? Dat komt ook omdat de kin­deren van God er maar een potje van hebben gemaakt. De zonde dringt ook zo maar door in de gemeenschap van de kinderen van God. Daar kan iedereen zo zijn eigen verhaal over vertellen. Maar dan gaat het er niet om, om daar maar bij te gaan neerzitten en erin te berusten. Dan gaat het erom dat we ons in Gods heilige woning laten optrekken en met Hem recht en gerechtigheid lief­hebben en dat ook toepassen in de situatie waarin God ons gezet heeft. Dat is meestal niet eenvoudig. Want vaak is daar nauwelijks ruimte voor. Soms gaat dat onder grote druk en verdrukking. Want de boze legt het aan om je in het hart te treffen. Gemeen je te pakken, je te verleiden. En daar weten we alles van. Daar moet je weerstand tegen bieden. Dat het niet vanzelf gaat dat heb­ben wij ook wel ontdekt. Maar om er bij te gaan klagen en ach en wee te roe­pen, dat heeft nog nooit iemand geholpen. Je zult zelf in de kracht van God moeten opstaan om de grondslagen te vernieuwen. Te beginnen bij jezelf. De ontdekkingsreis is dat je gaandeweg sterker wordt. Dan sta je verbaasd over de verandering die er in je leven optreedt. Daar kunnen ook zoveel mensen voor ons van getuigen. Glorie voor de Naam van God. Heerlijk toch. Dat helpt.




Psalm 12:1-9

16 mei [1]



12:2

Help toch, HERE, want er zijn geen vromen meer;…

12:4

De HERE verdelge alle gladde lippen…

12:6

Om de onderdrukking der ellendigen, het zuchten der armen,
maak Ik Mij thans op, zegt de HERE;…

12:8

Gij, HERE, zult ze gestand doen,…


De mensen steken hun tong uit. Ze denken met hun woorden het te kunnen winnen. Wat wordt er toch veel gesnoefd. Wat wordt er toch een grote mond opgezet. Het lijkt wel of de boosheid, de valsheid en de leugen, het bedrog het wint. Het zit overal. Je hoeft de krant maar op te slaan of je krijgt weer een laag snoeven over je heen. Het zit overal. Waar zijn de vromen? Zijn ze er niet meer?

De kinderen Gods worden ondergesneeuwd. Ze worden verdrukt. Het Woord mag niet meer gesproken worden. Dat ervaart de dichter. Hij roept uit tot God. En God antwoordt, want God antwoordt altijd. Hoe dan? Ik hoor er zo weinig van, zeggen we dan. Hoort God ons wel? Ja natuurlijk, zegt God, want ik kom de onderdrukten te hulp. Ik maak Mij op om uitkomst te bieden. Want, zegt de dichter, de woorden van God zijn zuiver. Zo zuiver dat je het niet kunt uit­drukken. Zevenvoudig gelouterd. Nou daar kan niemand tegenop.

Dan moeten we op die gelouterde woorden ook vertrouwen. Dan moeten we zelf met ons hart en met onze mond een toontje lager zingen. Want wij zien alles nog maar ten dele, maar we mogen zeker weten dat Hij zijn hart gezet heeft op de rechtvaardige. Hij duldt de onrechtvaardige niet. Hij zal ze de mond snoeren. Al lijkt het erop dat het onrecht zegeviert. We moeten ons oog veel meer op de Here Jezus gericht houden. We moeten niet op de omstandig­heden ons vertrouwen zetten. We moeten het in het perspectief van de eeuwig­heid zien. Dan weten we dat God overwonnen heeft op het kruis van Golgo­tha. Hij heeft de duivel overwonnen. Hij weet zijn schepselen te bewaren. En dan kunnen we het nog moeilijk hebben. Dan kunnen we het niet meer zien zitten. Dan kunnen we zelfs vervolgd worden en het met de dood moeten bekopen, maar God is rechtvaardig. Hij zal ons verlossen. Want wij verwach­ten naar zijn beloften een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar gerech­tigheid woont. Dan weegt het lijden van deze tijd niet op tegen de kroon die gereed ligt. Heerlijk toch. Daar kunnen we mee leven. Dank U HERE. Want U brengt in veiligheid wie daarnaar smachten.

Wat mogen we ook in deze tijd, maar in alle tijden, smachten en uitzien naar die zekerheid en die tijd. We leven maar een korte tijd op aarde. We moeten allen sterven. Zo is het van den beginne ook niet geweest. We werden geboren om eeuwig te leven. De dood is de laatste prikkel die overwonnen wordt. We geloven in de opstanding. Heerlijk om daar nu al in te geloven. We moeten vooral onze lampen brandende houden. Want we moeten niet door matheid van ziel verslappen. Dat is levensgevaarlijk.

Dank U HERE dat U ons de kracht geeft om staande te blijven, vaak dwars door zwakheid en zonde heen. Dank U wel voor zoveel genade.




Psalm 13:1-6

17 mei [1]



13:2

Hoelang, HERE? Zult Gij mij voortdurend vergeten?

13:3

Hoelang zal mijn vijand zich boven mij verheffen?

13:4

opdat ik niet inslape ten dode;…

13:6

Ik wil de HERE zingen, omdat Hij mij heeft welgedaan.


Uit het leven gegrepen. Het lijkt wel of de HERE je vergeet. Je merkt er niets van. Je voelt niets. De vijanden gaan tekeer. Wat moet ik nu HERE? Hoort U dan niet? Waarom hoort U niet? Ik heb het toch zo moeilijk. Dat ziet U toch wel. Dat is toch niet eerlijk, dat ik zo moet lijden door de verdrukking. Ik geef de moed maar op, want U hoort toch niet. Ik heb zo mijn best gedaan. Ik doe het toch zo goed. En U hoort niet. Dat is niet eerlijk. Dat kan toch niet. Vrese­lijk HERE. Maar U moet mij ook helpen, want ik wil ook niet dat ik wankel en dat mijn vijanden zeggen dat ze gewonnen hebben. Want dan hebben zij hun zin. Dan heb ik U verloochend en dat is het laatste wat ik wil. HERE help me, dat ik U niet verloochen? Daarom vat ik moed en roep het uit: Ik echter vertrouw op uw goedertierenheid. Ik wil de HERE zingen, omdat Hij mij heeft welgedaan.

Dat is geloofsmoed. Dat is zingen tegen jezelf in. Dat is kracht die de HERE geeft. Want we zijn zo vaak alleen maar met onszelf bezig. Ook al denken we dat we helemaal gelijk hebben. Neen, we moeten blijven zingen, loven en prij­zen, want de HERE is goed en altijd te prijzen. Wij zien wat er om ons heen gebeurt. Wij zien wat voor ogen is, maar God ziet het hart aan. Wij moeten nog een korte tijd door dit lijden heen, maar we zijn al deel van het eeuwige Koninkrijk van recht en gerechtigheid. We kijken veel te veel horizontaal en dat schiet niet op. We moeten ons oog hemelwaarts richten. Vooral als we zwak zijn en het niet meer zo zien zitten. Dat is ons houvast. Dat is God die ons draagt als op vleugels van een arend. Heerlijk toch. Glorie voor zijn Naam. Prijs de HERE.




Psalm 14:1-7

18 mei [1]



14:1

De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.

14:2

De HERE ziet… of er… is… één, die God zoekt.

14:3

er is niemand die goed doet, zelfs niet één.

14:5

want God is bij het rechtvaardig geslacht.

14:6

maar de HERE is zijn toevlucht.

14:7

Och, dat uit Sion Israëls redding daagde!
Als de HERE een keer brengt in het lot van zijn volk,
dan zal Jakob juichen, Israël zich verheugen.


Ja, dat kun je wel, als dwaas, zeggen: Er is geen God. Maar dat zijn de on­rechtvaardigen. De HERE kijkt over de aarde en ziet wat er allemaal gebeurt. Hij ziet dat alle mensen zijn afgeweken. Er is er niet één die zonder zonde is. Ze hebben allemaal gezondigd. En zo is het, dat weten we zelf maar al te goed. De zonde heerst in ons sterfelijk lichaam. Daar moeten we goed van doordron­gen zijn. Maar daar moet het niet bij blijven. We moeten de HERE aanroepen. We moeten het van Hem verwachten. We moeten niet in het kamp van de on­rechtvaardigen terecht komen, die roepen: Er is geen God, om vervolgens er maar rustig lustig op los te leven. Want God is bij het rechtvaardig geslacht. Daar hoef je niet aan te twijfelen. En dat voelt ook iedereen aan. God laat je niet in de steek. Hij helpt je altijd. Hij zal een keer brengen in het lot van zijn volk. Uit Sion zal redding komen. Gods beloften zijn eeuwig en vast en zeker!

De HERE is en blijft je toevlucht, ook al maak je nog zoveel ellende mee. We moeten op Hem blijven vertrouwen. We mogen verlangen naar uitredding. Dat de HERE een keer brengt in de ellende van zijn volk. En die verlossing gaat komen. Dat is vast en zeker. Dan zullen we juichen. Wat een belofte. Maar het gaat soms door tranen heen. Want er is nog zoveel onrecht om ons heen en ook in ons eigen hart. O HERE, help mij staande te blijven op uw Woord.




Psalm 15:1-5

19 mei [1]



15:1

HERE, wie mag verkeren in uw tent?
Wie mag wonen op uw heilige berg?

15:2

en waarheid spreekt in zijn hart,

15:3

die met zijn tong niet lastert,…

15:5

hij leent zijn geld niet op woeker…
Wie zó handelt zal nimmer wankelen.


HERE, wie mag verkeren in uw tent? Wie mag wonen op uw heilige berg? Hij, die onberispelijk wandelt en doet wat recht is. Je zou deze psalm uit je hoofd moeten leren. Dat is toch heel simpel en duidelijk. Hij die goed doet. Naar de naaste omziet. Hij is rechtvaardig. Hij doet goed. Hij spreekt geen laster. Er worden heel concrete dingen genoemd. Je leent geld niet op woeker. Je doet de naaste geen kwaad. Je kunt het allemaal invullen. Een ieder onder­zoeke zijn eigen hart of hij zich moet bekeren van de verkeerde weg en weer op de goede weg moet gaan wandelen.

Het ging er immers om, wie mag wonen op de heilige berg. Het gaat dus om je eeuwig heil. Het gaat om hel of hemel. Je wordt uitgenodigd om de weg van de hemel te kiezen. Als je op die weg gaat, dan ga je goed. Dan zie je de liefde opbloeien. Dan helpt de sterke de zwakke. Dan wil je niet anders dan de HERE dienen. Dat is goed. Daar word je blij van. Daar kun je je aan vasthou­den. Geloof je het niet, probeer het dan. Je mag God uitdagen. Want wat Hij wil is zo vanzelfsprekend. Het enige probleem is dat we vaak zo traag zijn in het horen en het doen. Zo vaak naar onze eigen stem luisteren. Dan ga je de verkeerde kant op. Daarom moeten we dicht bij het Woord blijven. Daaruit kunnen we kracht putten, elke dag. Ook vandaag, met deze psalm. HERE, mo­gen we vandaag onberispelijk wandelen. God is goed.




Psalm 16:1-11

20 mei [1]



16:1

want bij U schuil ik.

16:2

ik heb geen goed buiten U.

16:5

O HERE, mijn erfdeel en mijn beker,…

16:7

Ik prijs de HERE, die mij raad heeft gegeven,…

16:8

Ik stel mij de HERE bestendig voor ogen;
omdat Hij aan mijn rechterhand staat, wankel ik niet.

16:10

want Gij geeft mijn ziel niet prijs aan het dodenrijk,…

16:11

Gij maakt mij het pad des levens bekend;
overvloed van vreugde is bij uw aangezicht,
liefelijkheid is in uw rechterhand, voor eeuwig.


Zo maar een psalm. Daar zit weer heel veel in. Het is de zekerheid die ervan afstraalt. Het is nogal aanmatigend. Het klinkt zo vast en zeker. Maar het is ook de oproep: Bewaar mij. Buiten U wil ik niets hebben. Want de vijanden liggen op de loer. Die willen mij in woorden, gedachten en daden van U af­trekken. En dat eindigt niet in vreugde, maar in verdriet, ja zelfs tot in het dodenrijk.

Ik stel mij de HERE bestendig voor ogen. Wat betekent dat? Wat moeten we ermee? De hele dag bijbelteksten opzeggen? De hele dag vroom zitten doen? Neen, het is gewoon leven, maar wel leven vanuit de zekerheid dat de HERE God altijd bij je is. Je Hem voor ogen stellen. Als het goed gaat èn als het niet zo goed gaat. En hoe vaak gaat het niet goed? Maar dan moeten we juist wel vasthouden, want als het niet goed gaat dan zal er wel weer aan je gerukt wor­den. En zo is het. Want je hoeft maar iets te doen of je zit met je denken al weer op het verkeerde spoor. Dan ga je bergafwaarts en dat gaat heel snel. Maar het kost enorm veel inspanning om weer boven, de berg op te klauteren.

Als je dicht bij God blijft, je Hem bestendig voor ogen stelt, dan zal Hij met zijn bescherming komen. Daar kun je je in verheugen. Dan geeft Hij gegaran­deerd eeuwige rust. En als die rust weer wordt aangevallen dan bidden tot God. Je verzetten tegen de aanvallen. In zijn rust blijven. Vooral niet opstan­dig worden. Want het kan wel eens een hele tijd duren voordat je naar li­chaam, ziel en geest weer in balans bent, niet meer in de dip zit en met plezier het leven ziet. Dat kan alleen maar door dicht bij God te blijven. Dat betekent Hem aanvaarden, uit je Bijbel lezen en bidden. Ik ontdek steeds meer dat niet ik de Bijbel lees, maar dat de Bijbel mij leest. Dat is een geheim. Als je denkt dat dit een open deur intrappen is, dan nodig ik je uit om met mij de Bijbel door te lezen. God is een genadig God. Hij wil het goede voor de mensen. De­ze psalm staat daar vol van. Lees hem nog maar eens. En dan onbevooroor­deeld, want we hebben steeds zoveel vooroordelen klaar liggen. Luister naar de stem van God.

Gij maakt mij het pad des levens bekend. Laat je dat dan ook bekend maken en loop niet de kantjes eraf. Je leven hangt er vanaf. En wie wil niet genieten van de liefelijkheid die in zijn rechterhand is en wel voor eeuwig? Recht toe, recht aan, op weg naar de eeuwigheid. Glorie voor zijn Naam.




Psalm 17:1-15

21 mei [1]



17:1

leen het oor aan mijn gebed,…

17:2

uw ogen schouwen wat recht is.

17:5

mijn treden hielden uw spoor,
mijn schreden wankelden niet.

17:6

Ik roep U aan, omdat Gij, o God, mij antwoordt;…

17:7

Verlosser van hen,
die voor tegenstanders schuilen bij uw rechterhand.

17:8

Bewaar mij als de appel van het oog,…

17:13

red met uw zwaard mijn leven van de goddeloze,…

17:15

en bij het ontwaken mij verzadigen met uw beeld.


Wat kun je omringd worden door tegenstanders. Wat kan het tekeergaan in je leven. Hier gaat het om daadwerkelijke vijanden. Die staan je naar het leven. Die komen je te vuur en te zwaard aanvallen. Je zit in het nauw. Je kunt geen kant op. En dan roepen tot de HERE God. Ik roep U aan. Ik wil rechtvaardig leven. Ik ben gehoorzaam aan U. Ik schuil onder uw vleugelen. Ik ben niet rechts en niet links gegaan. HERE, red mijn van mijn tegenstanders. Doe hen bukken. Versla hen. Vaag hen weg. U bent machtig. U kunt dat doen. U laat mij niet in de steek. Bewaar mij als de appel van uw oog, berg mij in de scha­duwen van uw vleugelen. Dat is een veilige plaats. Daar kan niemand bij ko­men. Daar ben ik veilig. De vijand kan tekeergaan, maar hij doet maar, want ik bent veilig geborgen bij God. Doe mijn vijanden weg. HERE, verlos mij.

Wat kun je het benauwd hebben. Toch, bij alles rustig blijven en schuilen bij de Allerhoogste God. Wat er ook gebeurt, daar ben je veilig. Zelfs dan kan het heel moeilijk zijn. Dan kunnen de vijanden zeer dichtbij komen. Maar gebor­gen in Hem. Dan ben je onaantastbaar. Zelfs al proberen ze je naar het leven te staan. Zelfs als ze aan je leven komen, dan ben je nog geborgen in Hem. Want Hij staat boven leven en sterven. Je bent met Christus geborgen in God. Dan kunnen ze je leven nemen, maar je bent en blijft geborgen voor de eeuwig­heid. Daarom is het zo belangrijk om de HERE aan te roepen. Om altijd bij Hem te schuilen. Je mag, je moet roepen, dat Hij je vijanden wegjaagt. Hij wil niets liever. Maar Hij wil erom gebeden worden.

Hij wil ons steeds weer trekken in het centrum van zijn wil. We zijn daar zo weer uit. We zijn zo vaak op drift. We wijken zo van Hem af. Net alsof het vanzelf gaat. Maar dan komen ook vijanden. Die je proberen helemaal in hun greep te trekken. En dan komt het er op aan. Roep tot de HERE. De verdruk­king werkt echter ook volharding uit. En dat komt je alleen maar ten goede. Vaak is het zo, dat als je achteraf kijkt, dat je ontdekt, dat de verdrukking ook zegen heeft uitgewerkt. Voor het moment brengt het geen plezier. Het kan heel moeilijk zijn, maar daarna zie je dat het tot je geestelijke groei heeft bij­gedragen. Daarom kunnen we ook altijd vertrouwen dat Hij ons nooit in de steek laat. Daarom kunnen we ook altijd vertrouwen dat Hij ons beschermt als de appel van het oog. Prijs de HERE.




Psalm 18:1-20

22 mei [1]



18:3

mijn God, mijn Rots, bij wie ik schuil,…

18:4

Geloofd zij de HERE,…
want van mijn vijanden ben ik verlost.

18:7

Toen het mij bang te moede was, riep ik de HERE aan,
tot mijn God riep ik om hulp.
Hij hoorde mijn stem uit zijn paleis,
mijn hulpgeroep tot Hem drong door in zijn oren.

18:14

De HERE deed de donder in de hemel weerklinken,…

18:17

Hij reikte van omhoog, greep mij,
trok mij op uit grote wateren.

18:20

Hij leidde mij uit in de ruimte.
Hij redde mij, omdat Hij welgevallen aan mij had.


Nou, nou, dan zit je wel in de verdrukking. David werd belaagd door Saul. Die staat hem naar het leven. We kennen de geschiedenis. Maar God redde hem steeds weer. Telkens trad God op. Het is opvallend dat David de redding zon­der reserve aan de HERE toeschrijft. De HERE deed dit en de HERE deed dat. Het is niet: Ik deed dit en ik deed dat. Neen het was: de HERE. En zo is het ook. We roepen in benauwdheden tot Hem en dan hoort Hij. Hij wil ons altijd helpen. Hij is altijd nabij.

Hier lezen we dat God de natuurkrachten inschakelt om David te redden. Als de HERE blaast dan gebeurt er wat. Dan gehoorzamen de natuurkrachten. Dan gaan de golven omhoog. Dan bewegen de bergen. We lezen hier van gigan­tische natuurkrachten, die allemaal opgeroepen worden om David te bescher­men. Wij kennen dat niet. We denken dat dat onmogelijk is. Maar hier staat het klip en klaar. David twijfelt er in het geheel niet aan. Voor hem is het ge­sneden koek. Hij ontrukt je aan de macht van de vijand. En zo is het. Alles wat gebeurt, is in handen van de HERE. Wij mogen leven uit zijn genade. We mo­gen Hem aanroepen in de nood. Op Hem vertrouwen met geheel ons hart. We moeten nooit twijfelen, maar blindelings vertrouwen op de kracht van de HERE God. De vijanden zullen alles doen om je in het nauw te brengen om je te vernietigen. De duivel heeft het op ons leven voorzien. Hij is de mensen­moorder van den beginne. Hij is erop uit om ons te verslinden. En daar gaat God tegenin met zijn almacht. God is de Almachtige. Hem kun je niet weer­staan.

Het is eigenlijk stom dat we zo weinig vertrouwen op de HERE God. Hij is groot en machtig. Hij wil ons beschermen. Hij wil ons helpen. Hij is altijd bij ons. We moeten heel eenvoudig op Hem vertrouwen. Looft de HERE. We kunnen er niet genoeg van krijgen. Want als je eenmaal gaat ontdekken wat de macht van God is en wat dat ook voor de natuur kan betekenen, dan sta je ver­steld. Water is daarbij heel belangrijk. We lezen het hier weer. Wij in dit del­talandje beseffen maar al te goed hoe het kan gaan met de rivieren en de zee. Wat een machtige Heiland. En dan te denken aan de Here Jezus. Daar putten we alle kracht uit. Hij heeft onze zonden verzoend op het kruis van Golgotha. Heerlijk. Daar mogen ook wij uit putten. Gode zij dank.




Psalm 18:21-30

23 mei [1]



18:23

Want al zijn verordeningen stonden mij voor ogen
en zijn inzettingen deed ik niet van mij weg,…

18:26

Jegens de getrouwe toont Gij u getrouw,…

18:30

Met U immers loop ik op een legerbende in
en met mijn God spring ik over een muur.


David pleit erop dat hij de geboden des HEREN heeft gehouden. Hij is niet af­geweken. Hij is op het rechte pad gebleven. Dat weet hij heel zeker. Hij kent zijn Woord en is erbij gebleven. Dat is dan weer de eenvoudige les. Blijf bij de geboden van de HERE, dan ga je goed. Ga met God, dan ga je goed. Het was telkens weer spannend. Maar David roept de hulp van de HERE in. Hij pleit op zijn belofte. Hij smeekt de HERE om hem te verlossen van zijn vijan­den. En dat doet de HERE God.

Het lijkt erop dat David het vanzelfsprekend vindt dat de HERE hem redt. Want al zijn verordeningen stonden hem voor ogen en zijn inzettingen deed hij niet weg. Dat is geloofstaal. Daar kunnen we ons aan spiegelen. Hoe dat moet? Heel eenvoudig. Lees je Bijbel, bid elke dag, opdat je groeien mag. Daar gaat het om. Het is ook geen moeilijke zaak. Je moet het gewoon doen. En als je het doet, dan word je er door gezegend. Jegens de getrouwe betoont Gij U getrouw. Trouw met trouw. Jegens de reine toont Gij U rein.

Met U immers loop ik op een legerbende in en met mijn God spring ik over een muur. Dat is nogal wat. Het geloof geeft je kracht. Je voelt je sterk. Je voelt je gedragen. Hier wordt geloofstaal gesproken. En zo ervaren we het toch ook. We moeten volledig op de HERE vertrouwen. We moeten niet twij­felen. We moeten niet links en niet rechts kijken. We moeten dicht bij Jezus blijven. Daar staat de hele Bijbel vol van. HERE, dank U wel voor zoveel liefde, voor zoveel vertrouwen, voor zoveel bescherming. Wij zijn veilig bij U. Wij zullen de weg des levens lopen als we U blijven gehoorzamen. De vijanden kunnen oprukken. Maar U redt mij. U beschermt mij.

We sterven wel, maar we hebben het eeuwige leven. We zijn verborgen met Christus in God. Glorie voor zijn Naam. Wat een leven, wat een zegen. Dan gaat je hart zich verheugen en dan schiet je vol van de oneindige zegen van God. HERE wat een zegen, wat een liefde, wat een genade. Dank U wel HERE God.




Psalm 18:31-43

24 mei [1]



18:31

Gods weg is volmaakt;
des HEREN woord is zuiver.
Hij is een schild voor allen
die bij Hem schuilen.

18:36

Ook gaaft Gij mij het schild uws heils,
en uw rechterhand ondersteunde mij,
uw nederbuigende goedheid maakte mij groot.

18:41

Gij deedt mijn vijanden mij de rug toekeren,
en mijn haters verdelgde ik.


Gods weg is volmaakt; des HEREN woord is zuiver. Hij is een schild voor al­len die bij Hem schuilen… die mijn voeten maakt als die der hinden en mij op mijn hoogten doet staan; die mijn handen oefent ten strijde, zodat mijn armen een koperen boog spannen. Wat een geweldige kracht. Wat een opbeurende psalm. Gods weg is goed. Gods weg is de beste, de beste altijd. Dan word je opgetild in de hemelse gewesten om met God de vergezichten te zien van zijn eeuwig plan van recht en gerechtigheid. Dan zie je de almacht van God. Dan ben je wel in deze wereld, maar niet meer van deze wereld. Hij maakt je sterk. Hij maakt je voeten als die der hinden. Dan ga je toch met een snelheid voor­uit. Je moet in die wegen van de HERE gaan staan. Je moet er niet aan twijfe­len. Je moet gehoorzamen en gaan. Hij laat je immers gaan. Voor David is er geen twijfelen aan. Hij bekijkt alles vanuit de HERE. En dan gaat het goed. Dan gaan je voeten ook als van hinden. Dan maakt hij je paden recht. Dan geeft Hij je het schild van zijn heil. Als we dat lezen, dan gaan onze gedachten direct uit naar de geestelijke wapenrusting. Trek die aan dan ga je goed. Dan ben je beschermd tegen de aanvallen van de boze. En je weet het. Het Woord is het zwaard des geestes. En daar zijn we nu mee bezig. Wat kun je beter doen dan je vermeien in het Woord van God. Elk moment, dat je daar mee bezig bent, ga je goed. Dan raak je niet in de war. Want als je weer op je eigen kracht gaat vertrouwen dan val je in je eigen denken en doen. Dan ben je gauw uitgepraat. Dan zit je binnen de kortste keren te navelstaren. Dan raak je heel snel je vreugde kwijt. Daarom vertrouw op God.

Een prachtige tekst is: uw nederbuigende goedheid maakte mij groot. Prachtig toch? Zie je het voor je? God buigt zich neder met zijn grote liefde en goed­heid en dan worden wij zo groot. Het is ook, zoals Jacobus zegt: als jij je ver­nedert voor de HERE, dan zal Hij je verhogen. Wat een geweldige God. En dan even verder: Gij deed onder mij bukken wie tegen mij opstonden. En wat kunnen ze tegen je opstaan. Je ziet het voor je. Het lijken wel reuzen. Wat moet jij daar nu tegen beginnen? Je kunt er zo onder gebukt gaan. En dan staat daar dat God ze laat bukken. We kijken over ze heen. Ze lijken wel niets meer. Dank U HERE voor zoveel liefde. Mijn vijanden gaan op de vlucht. Ze zijn bang. Ze zullen ons niet meer kunnen pakken. Want de beschermende armen van de HERE zijn altijd om ons heen. Wat zijn we toch stom dat we ons zo vaak weer in de war laten brengen door ons eigen denken en doen terwijl de oneindige liefde van God zo voor het grijpen ligt. Glorie voor zijn Naam!




Psalm 18:44-51

25 mei [1]



18:44

Gij steldet mij tot hoofd der natiën,
volken die ik niet kende werden mij dienstbaar;…

18:47

De HERE leeft. Geprezen zij mijn Rots,
en verhoogt zij de God mijn heils,…

18:49

Gij hebt mij gered van de geweldenaar.

18:50

Daarom loof ik U, o HERE, onder de volken
en wil ik uw naam psalmzingen,

18:51

Hij schenkt zijn koning grote uitreddingen,
en betoont trouw aan zijn gezalfde,
aan David en zijn nageslacht voor altijd.


God heeft David verhoogd. God stelde hem aan het hoofd van volken. God legde zijn vijanden onder zijn voeten. God deed de twisten van het volk ver­stommen. God doet het. God heeft de leiding in het leven. God weet wat goed voor ons is. We moeten het van God verwachten. We moeten niet God er een beetje bij halen als we Hem nodig hebben. Daar laat God zich niet voor ge­bruiken. Dat wist David maar al te goed. Hij had God zo diep ontmoet in goe­de en in slechte tijden. Er bleef niets bij hem over dat hij maar kon denken dat hij een el aan zijn lengte zou kunnen toevoegen. Daarom looft hij de HERE God. Hij krijgt er niet genoeg van. Het wordt als het ware een climax naarma­te we het einde van de psalm naderen.

Ja, je kunt God dan ook voortdurend prijzen, als je zo ervaren hebt dat God al­tijd bij je is. En dat kunnen en mogen wij ook doen. Wat hebben we toch een onvoorstelbare zegen in ons leven. Wat een voorrecht om geboren te mogen zijn in een land met zoveel welvaart en zegen. En daar moeten we ons blijvend voor inzetten. Wat missen de mensen zonder God toch ontzettend veel. Is het niet geweldig om te weten dat we mogen leven uit de eeuwige genade van God. Dat doet je toch klimmen over al je zorgen en problemen en je eigen ge­dachten, Problemen en gedachten die je zo gauw in de weg staan. Probeer het maar. Geef je restloos over aan God. Dat wil niet zeggen dat je zelf niet meer mag denken en doen. Integendeel, maar je denken en je doen wordt gericht vanuit de kracht die God geeft. Dat is het geheim van deze psalm. Gods belof­ten zijn waar. Van eeuwigheid tot eeuwigheid. Zijn plannen falen niet. Hij laat je nooit in de steek.

Hij is trouw. Ook aan David en zijn nageslacht voor altijd. Dat is dus voor Al­tijd. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. Ook niet aan zijn beloften over de komst van het eeuwige rijk van recht en gerechtigheid. Daar was David voor verkozen. Er zou altijd iemand op de troon van David zitten. Spraken de enge­len daar al niet van? Was die trouw ook niet de basis van het verbond met Abraham. Ja en amen.




Psalm 19:1-15

26 mei [1]



19:2

De hemelen vertellen Gods eer,
en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen;…

19:5

toch gaat hun prediking uit over de ganse aarde…

Hij heeft daarin een tent opgeslagen voor de zon,

19:6

die is als een bruidegom die uit zijn bruidsvertrek treedt,
jubelend als een held om het pad te lopen.

19:8

De wet des HEREN is volmaakt,
zij verkwikt de ziel;…

19:9

De bevelen des HEREN zijn waarachtig,
zij verheugen het hart;…

19:11

Kostelijker zijn zij dan goud,…

19:12

in het houden ervan ligt rijke beloning,…

19:14

Behoed ook uw knecht voor overmoed,…

19:15

Mogen de woorden van mijn mond
en de overleggingen van mijn hart
U welgevallig zijn,
o HERE, mijn rots en mijn verlosser.


Een psalm van David. Als ik een nobelprijswinnaar voor letteren mocht aan­wijzen dan zou ik David voorstellen. Wat een hoogstaande poëzie. Dat is geen geringe zaak. David is een romantisch man. Hij weet met woorden te spelen. Hij weet zijn hart weer te geven. Hij ziet alles om zich heen en weet het te om­schrijven op een manier dat je hart er door geraakt wordt. Het is van hart tot hart. Het is een geweldige zaak. Wat een zekerheid. Wat een liefde. Wat een aanbidding.

Hoe hij in deze psalm de zon beschrijft! Het is van hoog gehalte. Je ziet het voor je. Het is prachtig. Ik word daar enthousiast van. Hoe hij de zon als kroon van schepping neerzet! God maakte de hemel en de aarde. De psalmist geeft God alle eer. Je ziet God de aarde maken. Hij maakte de aarde met zijn han­den als een pottenbakker. De hele aarde, dag en nacht, spreken van de almacht van de HERE God. Het is wereldomvattend. Daar wil je bij horen. Je kijkt dan dwars door al het onvolkomene heen, want daarachter zie je de almacht van God. Hoe geweldig Hij het allemaal gemaakt heeft! Hebben we dat allemaal niet? Als we iets moois in de natuur zien, of we zien een pasgeboren baby in de wieg. Dan word je vertederd. Dan raak je onder de indruk. Dan zie je dat er iets is ver boven je eigen kunnen uit. Dan zie je met je eigen ogen dat er een Schepper is. En zo is het. Je kunt met je verstand doorzien dat God de hemel en de aarde geschapen heeft. Dat kan niet anders. Je komt met je eigen gerede­neer niet verder dan dat je denkt dat je bestaat. Je weet eigenlijk maar een heel klein gedeelte van de werkelijkheid. Kijk eens naar de zon. David zegt, dat God in het heelal een tent heeft opgeslagen voor de zon. Het is onvoorstelbaar. Wat een gloed, wat een kracht, wat een precisie!

Ja, dan gaat David ertoe over om de geboden van de HERE God te prijzen. De wet des HEREN is volmaakt, zij verkwikt de ziel. Het lijkt alsof hij nog aan de zon denkt. Zonder zon kom je ook nergens. Als er geen zon was, dan was er geen leven. Zo is het met de wet. De wet verkwikt de ziel. De wet houd je op het rechte spoor. Er is dus ook een schaduwkant aan het leven. Als je de wet niet houdt dan ben je bezig met het kwade, dat wat niet van God is. Daarom is de wet een zegen. Het gebod des HEREN is louter; het verlicht de ogen. Het houdt je scherp op koers. Heel veel mensen krijgen negatieve gedachten als ze denken aan de wet. Maar dat is niet juist. De wet is een zegen. De bevelen van God verheugen het hart. Kostelijker zijn zij dan goud, ja, dan veel fijn goud. Je moet je erdoor laten vermanen. In het houden ervan ligt rijke beloning. Welke beloning dan? Nou, daar staat de Bijbel vol van. Waar liefde woont, gebiedt de HERE zijn zegen. Wat een zegen. Wat een liefde. Wat een vrede. En ieder weet precies dat het zo werkt. Het begint al heel dichtbij in je eigen hart. Dwaal je af, God ziet het. Pas op voor overmoed. Pas op voor de afval, de tegenstander ligt op de loer. In woorden, gedachten en daden moeten en mogen we afgestemd zijn op de HERE.

En dan het prachtige einde: Mogen de woorden van mijn mond en de overleg­gingen van mijn hart U welgevallig zijn. Daar moeten we naar streven. Daar moeten we ons naar uitstrekken. Daar gaat het om. We moeten daarom dicht bij Gods Woord blijven. Doe je dat, dan kom je goed uit. Doen en doen en doen! Ook al heb je er geen zin in. Of heb je er geen tijd voor. Dat is de bron. Daar komt de kracht vandaan. Dat is de zon der gerechtigheid. Ben je daar los van, dan kom je kracht te kort. O HERE, mijn rots en mijn verlosser. Dank U HERE. Dank U voor uw liefde. Dank U voor uw oproep. Vul mijn hart vandaag met uw liefde.



Psalm 20:1-10

27 mei [1]



20:2

De HERE antwoorde u ten dage der benauwdheid,…

20:5

Hij geve u naar uw hart,
en doe al uw plannen in vervulling gaan.

20:6

de HERE vervulle al uw begeerten,…

20:7

Hij antwoordt hem uit zijn heilige hemel
met de machtige heilsdaden zijner rechterhand.

20:8

maar wij roemen in de naam van de HERE, onze God.

20:10

O HERE, schenk de koning de overwinning,
Hij antwoorde ons ten dage dat wij roepen.


Waar moet onze hulp vandaan komen? Het kan toch alleen maar van onze God komen. Als we in benauwdheid zijn, dan moeten we Hem aanroepen. Dat Hij ons antwoorde uit Sion. Hij regeert het grote wereldgebeuren. Waarop ver­trouwen we? Wij vertrouwen op de HERE. Hij heeft alle macht en majesteit. Hij doet grote legers terugdeinzen. Hij doet het water van de Rode Zee en de Jordaan splijten. En niet één keer, maar telkens als Hij het goed denkt in de vervulling van zijn plan ten leven. O HERE, hoor naar het gebed van uw knecht. Luister naar ons gebed. Wij bidden en wij smeken U, dat U ons be­schermt. Stuur uw legermachten. HERE wij verwachten het van U. Van wie zouden wij het anders verwachten? O HERE onze God. Dank U wel voor zo­veel zekerheid. Voor zoveel scheppingskracht.

HERE, vergeef! Wij hebben gezondigd. Wij hebben uw geboden overtreden. Wij hebben gezondigd. We hebben het verspeeld. Wij doen belijdenis van on­ze zonde. Wij doen boete in stof en in as. HERE, o HERE, vergeef ons. Dank U wel voor uw almacht en uw grote liefde. Dank U wel dat U hoort naar het gebed te dezer plaatse. Want U wilt gebeden zijn. U bent onze God. Als we denken aan de nood in ons eigen land, dan smeken we de HERE. HERE, help. HERE, ontferm u. HERE, vergeef. Het kan zo niet langer.

HERE, laat ons hart op U gericht zijn. Wilt u de wensen van ons hart vervul­len. U antwoordt uit de hemel met uw machtige heilsdaden. Als U spreekt, dan gebeurt het. Het zijn niet onze machtige legers die de boel in de hand hebben, het zijn uw machtige daden. U volvoert uw plan. U stuurt machtige legers. U regeert het grote wereldgebeuren. HERE help ons. We danken u voor al uw liefde en genade. HERE, hoor naar ons gebed. Wij roepen U aan, schenk ons de overwinning. U antwoordt als wij roepen. Wij roepen tot U. HERE wij roepen U aan.




Psalm 21:1-14

8 mei [2]



21:3

Zijn hartewens hebt Gij hem geschonken,…

21:4

Want Gij treedt hem tegemoet met rijke zegeningen.

21:5

Leven vroeg hij van U; Gij gaaft het hem,…

21:8

Want de koning vertrouwt op de HERE
en door de goedertierenheid des Allerhoogsten
wankelt hij niet.

21:9

Uw hand zal al uw vijanden vinden,…

21:12

Als zij onheil over U willen brengen,…

21:13

Ja, Gij zult hen de rug doen keren,…

21:14

wij willen uw sterkte met psalmen bezingen.


Want de koning vertrouwt op de HERE. Daar gaat het om. Waar vertrouwen wij op? Vertrouwen we op ons eigen inzicht? Vertrouwen we pas als we het kunnen begrijpen? Vertrouwen we God pas als Hij doet wat wij zeggen of wil­len of denken? Hoe zit het nou? Is God iemand of iets dat wij hebben uitge­dacht? Heeft Hij ons het denken gegeven of hebben wij Hem in ons denken bedacht? Waar blijft ons vertrouwen? Als Hij ons het vertrouwen gegeven heeft, waarom nemen we het dan van Hem af door alleen op Hem te vertrou­wen als hij ons de overwinning geeft? Hier zien we een David die echt wel in de druk gezeten heeft. Dat is nog eens iets anders dan ons veilig belegde bo­terhammetje. Wij hebben niets te klagen. Misschien gaan ze af en toe tegen ons tekeer, of ze doen een beetje moeilijk, of iets valt ons tegen, maar voor de rest hebben we een luizenleventje. Dan is het andere koek met David en ande­re koek met onze miljoenen broeders en zusters die in landen leven waar ze vervolgd worden, waar ze in het geheim bijeen komen, omdat ze anders hun baan kwijt raken of in de gevangenis terecht komen. Daar weten we alles van uit de geschiedenisboeken en ook uit hedendaagse rapporten. We kennen de verhalen van de martelaren. Zij hebben zich laten folteren en kruisigen, maar ze hebben hun geloof niet verloochend. Ze zijn trouw gebleven aan de roep­stem van God. Want zij verwachtten een beter vaderland. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Hij verkwikt ons. Hij helpt ons. Hij redt ons. Hij laat ons niet in de steek. Hij wil ons altijd helpen en ons geleiden. Hij schenkt ons zijn heil. En dat is de taal van David.

David begrijpt helemaal dat hij zijn leven niet te danken heeft aan zijn kracht, zijn overwinning, zijn wijsheid of wat dan ook, maar dat het de kracht, de op­dracht, de genade, de liefde, de weg van God is geweest, die hem het leven heeft doen behouden. Het was God, die vanuit zijn grote liefde, David nog het leven gaf. Hij bestuurt de hand van de vijand. Hij laat het toe niet om de vij­and gelijk te geven, maar omdat Hij ons zijn grote liefde en vertrouwen geeft; omdat Hij ons wil helpen te begrijpen dat we ons eigen vertrouwen moeten inleveren voor de grote trouw van God. En wat zijn we hardnekkig. Wat zijn we tegenstribbelend. Want hoe vaak gaan we in tegen de wil van God, weten we het beter, zitten we te klagen in plaats van te danken.

En David weet wat God doet met zijn vijanden: Hij doet hen weg. Hij rekent ze hun ongerechtigheid toe, omdat zij God niet hebben willen accepteren. En Hij verdelgt hen. Ze willen onheil over jou brengen, maar het omgekeerde gaat gebeuren: God brengt onheil over hen. Dat staat vast. Daar hoef je niet aan te twijfelen. Ook al zie je er zelf niet alles of helemaal niets van. Hoe vaak lijkt het niet dat de bozen het voor het zeggen hebben! Ze maken zich nergens druk over, maar ze zijn allemaal slachtoffer van de tegenstander van God. God roept hen tot gehoorzaamheid, maar zij hebben het aardse, duivelse leven lie­ver met al zijn tijdelijke geneugten, waarvan ze niets mee kunnen nemen in het graf.

De HERE verheft zich in zijn kracht. Dat staat vast. Wij willen uw sterkte met psalmen bezingen. Wat een heerlijk leven om met God te leven. Prijs de HERE. Hij is God. Alleen al in de psalmen kun je de grootheid van God voor eeuwig zingen. En dan komt alles nog door de genade van Jezus Christus. Hij is onze verlosser. Hij verzoent onze zonden. Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven. Hij is de toegang tot het eeuwige Koninkrijk van God. Heerlijk evangelie. Lees het en leef het. Het is de waarheid. Pas dat toe in je leven. Doen!




Psalm 22:1-22

9 mei [2]



22:2

Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten,…

22:3

Mijn God, ik roep des daags, en Gij antwoordt niet,
en des nachts, en ik kom niet tot stilte.

22:4

Nochtans zijt Gij de heilige,
die troont op de lofzangen Israëls.

22:6

op U hebben zij vertrouwd en zij zijn niet beschaamd.

22:8

Allen die mij zien, bespotten mij,…

22:10

Gij toch hebt mij van de moederschoot getogen,…

22:11

aan U werd ik overgegeven bij mijn geboorte,
van de moederschoot af zijt Gij mijn God.

22:12

Wees dan niet verre van mij,
want nabij is de nood, en er is geen helper.

22:14

zij sperren hun muil tegen mij open –
een verscheurende, brullende leeuw.

22:15

Als water ben ik uitgestort…
…mijn hart is gesmolten als was,…

22:16

in het stof des doods legt Gij mij neer.

22:17

een bende boosdoeners heeft mij omsingeld,
die mijn handen en voeten doorboren.

22:18

zij kijken toe, zij zien met leedvermaak naar mij.

22:19

Zij verdelen mijn klederen onder elkander
en werpen het lot over mijn gewaad.

22:20

Maar Gij HERE, wees niet verre;
mijn sterkte, haast U mij ter hulpe.

22:21

Red van het zwaard mijn ziel,
mijn eenzame, van het geweld van de hond.

22:22

Verlos mij uit de muil van de leeuw,
en van de horens der woudossen.
Gij hebt mij geantwoord!


Je kunt je soms verlaten voelen. Je kunt tot de HERE God roepen en het lijkt of Hij er niet is. Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Woorden vanaf het kruis. Indrukwekkend. In het hart van de verzoening. De Godverla­tenheid, die op ons moest rusten, werd van ons afgenomen en op Messias Jezus gelegd. Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Dat klonk als een stille scherpe schreeuw door het aardedonker van de drie uren duister­nis. Dan voel je je ook verlaten. Dat is verschrikkelijk, om helemaal aan je lot overgelaten te zijn. Zo iets voelde David ook. De vijanden loerden van alle kanten. Ze gaan tegen hem tekeer. Maar toch zegt hij: Nochtans zijt Gij de Heilige, die troont op de lofzangen van Israël. En zo is het. Dat moet dwars door alles heen ook steeds weer ons uitroepen zijn. We kunnen het helemaal niet meer zien zitten. Maar toch: Gij zijt de Heilige! En als we roepen tot Hem, dan zullen we ook niet beschaamd uitkomen. Want Hij is een God die redt. Daar staat de Bijbel vol van. Daar mogen we op pleiten. Dat doet David dan ook. Want als hij op zichzelf ziet is hij een worm Ze bespotten hem aan alle kanten. Ze roepen dat God hem maar moet redden, daar vertrouw je toch op? Het snerpt door hem heen. Hij roept om hulp, maar ervaart niet dat er hulp is. Hij roept God aan, die hem van de moederschoot gedragen heeft. Hij weet niet anders dan in de bescherming van God te zijn. Dat is uiterste geborgen­heid tegen totale verlatenheid. Daarom is het contrast ook zo groot. En was dat ook niet bij de HERE Jezus zo? Hij was de Zoon van God. Dat is uiterste ge­borgenheid. En dan verstoten zijn in de eeuwige verlatenheid. Dat is vreselijk! Dat is ondraaglijk. De vijanden loeren en brullen en gaan tekeer. Wat kun je dan in angst zitten. Maar nochtans klinkt het dan, soms tegen jezelf in: Glorie voor uw Naam.

We zijn nu dicht bij het kruis. Het is de kruiswoorden-psalm. Wat een diep­gang. Wat een profetie. Het leven is afgemat. Mijn hart is geworden als was. In het stof des doods legt Gij mij neer. Als we denken aan de Here Jezus en lezen wat Hij doorgemaakt moet hebben, dan kunnen we dat nooit bij benade­ring ervaren, want het gaat zo diep. Daar komen we niet bij. Een bende boos­doeners staat om het kruis, die zijn handen en voeten doorboren. Zij verdelen zijn kleren onder elkaar. Zien we het onder het kruis? Ze doorboren handen en voeten. Ze verdelen kleren en werpen het lot. Dat is profetie. Dat is aankondi­ging van het lijden en sterven van Messias Jezus. Het is vervulde profetie. Daar worden we blij van. Hoe vaak leven we niet aan de profetie voorbij! Maar vanaf Adam en Mozes en de profeten wordt het uitgelegd. De hele we­reldgeschiedenis is gericht op de komst van de Messias. Hij de verzoener van de zonden. Hij ging die weg. Verschrikkelijk. Wat een vreugde om dan gebor­gen te zijn in Hem. Dan kan de mens je van alles aandoen, maar je bent gebor­gen in Hem. Want het kruis heeft daar ook gestaan voor mij. Het kruis wil daar staan voor iedereen. Iedereen mag vluchten naar het kruis om weer op te staan in nieuwe kracht. We kunnen ons verlaten voelen. Ons hart kan smelten als was. De vijanden kunnen rukken aan de poort, maar God laat ons nooit in de steek. Dat is het evangelie. Niet dat we het zelf kunnen, of iets aan ons heil kunnen bewerken, neen, het is de genade die met grote stromen neerdaalt om ons te verkwikken. Heerlijk om dat te gaan ontdekken in het rijke Woord van God. David wist er van. Hij kende de strijd. Maar nochtans klampte hij zich aan God vast. Dat is de marsroute. Dat is de weg. Gaan!




Psalm 22:23-32

10 mei [2]



22:23

Ik zal uw naam aan mijn broeders verkondigen,
In het midden der gemeente zal ik U lofzingen.

22:24

Gij, die de HERE vreest, looft Hem,
verheerlijkt Hem, gij ganse nageslacht van Jakob,…

22:25

Want Hij heeft niet veracht noch versmaad
de ellende van de ellendige,…

22:27

De ootmoedigen zullen eten en verzadigd worden,
wie de HERE zoeken, zullen Hem loven,
uw hart leve op, voor immer.

22:28

Alle einden der aarde zullen het gedenken
en zich tot de HERE bekeren;
alle geslachten der volken
zullen zich nederbuigen voor uw aangezicht.

22:29

Want het koninkrijk is des HEREN,
Hij is heerser over de volken.

22:30

Alle welgedanen der aarde eten en aanbidden;
voor Hem knielen allen die in het stof nederdalen,
en wie zijn ziel niet in leven kan houden.

22:31

Het nakroost zal Hem dienen,
er zal van de Here verteld worden aan het komende geslacht;

22:32

zij zullen zijn gerechtigheid verkondigen
aan het volk dat geboren zal worden,
omdat Hij het gedaan heeft.


Wat een profetie. Het zal gaan gebeuren. Het lijkt er misschien niet op, maar het is toch echt waar. Heel de wereld zal Hem loven. Heel de wereld zal moe­ten erkennen dat Hij God is. Heel de wereld zal zich tot Hem bekeren. Dat is een blijde toekomst. Daar kunnen allen die ootmoedig zijn en nu niet serieus genomen worden, omdat de heidenen dit niet willen zien en de machthebbers tekeergaan, zich aan vasthouden. De Messias gaat komen. Zij zullen tegen Hem tekeergaan. Zo is het vroeger gegaan. Ze hebben Hem doorstoken. Ze hebben inderdaad zijn klederen verdeeld. Zij hebben zich tegen Hem gekeerd. God zond zijn Zoon, maar in drie jaar hebben ze Hem uit de weg geruimd. Het lijkt er niet op dat Hij de wereld regeert, welnee. Weg met Hem! Kruisig Hem! Niets mee te maken. Zo lijkt het vandaag ook. Ze willen de Messias niet. Ze willen Hem uit de weg ruimen. Weg met Israël, weg met de christe­nen, zeggen ze. Wij weten wel beter. Wij zullen de aarde wel beheren. En zo nemen de geweldenaars de macht. De primitieven. Ze denken dat ze de wijs­heid in pacht hebben en vervolgen de kleinen en de ootmoedigen. Maar dat zal veranderen. Daarom kan David de HERE loven en prijzen. Hij houdt zich vast aan zijn machtige God, die alles in zijn hand heeft. Want kijk toch eens in de geschiedenis, hoe God met almachtige hand hen uit Egypte geleid heeft. Die God, dat is God. En al gaan de vijanden tekeer, dat blijft de werkelijkheid. Heerlijk toch? Wat een houvast. God hoort het geroep van zijn kinderen. Hij vergeet hen niet. De HERE is groot. Prijs de HERE. Grijp het. Het komt zo maar naar je toe. Looft de HERE.




Psalm 23:1-6

11 mei [2]



23:1

De HERE is mijn herder, mij ontbreekt niets;

23:2

Hij doet mij nederliggen in grazige weiden;
Hij voert mij aan rustige wateren;

23:3

Hij verkwikt mijn ziel.
Hij leidt mij in de rechte sporen
om zijns naams wil.

23:4

Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis,
ik vrees geen kwaad,
want Gij zijt bij mij;
uw stok en uw staf, die vertroosten mij.

23:5

Gij richt voor mij een dis aan
voor de ogen van wie mij benauwen;
Gij zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.

23:6

Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen
al de dagen van mijn leven;
ik zal in het huis des HEREN verblijven
tot in lengte van dagen.


Deze psalm komt zo weldadig naar je toe. Je kunt er wel over blijven naden­ken. Het verheugt je helemaal. Je raakt er door bevangen. Het is zo rustge­vend. Het is zo overtuigend. Je wordt er helemaal vol van. Het komt zo over­stelpend naar je toe. Je voelt je helemaal geborgen. Je bent omringd door alle liefde en goedheid van God. David moet zich op een hoogtepunt van zijn le­ven hebben bevonden. Dat kan op de top van een berg zijn geweest of in een diep dal van duisternis. Want deze psalm omspant het hele spectrum van de hoogte- en dieptepunten van het leven van een mens. Want er gaat niets buiten de almacht van God om. Alles kan tekeergaan. Het kan je heel erg moeilijk gemaakt worden. Je kunt het helemaal niet meer overzien. Maar de HERE is mijn herder, mij ontbreekt niets.

Maar hoe kan dat nou? Het ontbreekt je aan alles! Je hebt niets. En je hebt al­les! Dat is het grote geheim van de aanwezigheid en de bescherming van God. We zijn in een wereld waar de dalen van de moeiten steeds maar weer opdoe­men. En als ze niet voor jou opdoemen, dan doemen ze wel op voor de wereld om je heen. Er zijn altijd wel dalen voor heel veel mensen op deze wereld. Als wij in de zon leven, dan zijn er zoveel mensen die in de duisternis leven. En waar je ook kijkt, de doodgravers zijn almaar bezig om doden te begraven. De dood heerst in ons leven. Vandaag leven we en morgen sterven we. Als we denken alles onder controle te hebben, dan breekt het ons het andere moment bij de handen af. Zo gaat het almaar door. Zou er nu nooit een einde komen aan al die ellende? Waarom leven we en waarom heeft het allemaal zin? Zo tobt de mens maar voort. En dan, midden in die woestijn, komt dit kleinood, deze psalm, die door de eeuwen de parel is van alle psalmen, op ons af en ver­kwikt ons hart. Een geheime kracht. Gods kracht. Gods ondoorgrondelijke liefde. God, die weet hoe moeilijk wij het kunnen hebben, die Zelf lijdt aan de zonde in de schepping. Alles vergaat, maar Gods Woord houdt stand in eeu­wigheid. En dat woord, dat vecht zich door de woestijn van het leven heen naar de eeuwige zekerheid van de komst van dat eeuwige rijk van recht en ge­rechtigheid, zoals het bedoeld is geweest van den beginne. Je kunt het ook met je verstand doorzien. Het kan niet zo zijn dat we geboren worden om te ster­ven. Het kan niet zo zijn dat de schoonheid van de schepping er alleen maar zou zijn om weer te sterven. De dood loert, als het leven komt. En de dood probeert het leven al in de kiem te smoren. Het is verschrikkelijk. Het is te gek. Wat een ellende. Maar ver daarboven uit is God, die ons in deze psalm optilt en meeneemt in zijn eeuwig Koninkrijk waar het goed rusten is.

Als de HERE inderdaad mijn herder is, dan ontbreekt mij ook niets. Hij leidt mijn leven. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden. Hij voert mij aan rus­tige wateren. Dat doet Hij. Alles in ons leven komt van Hem. We moeten het van Hem verwachten. Hij daalt op ons neer. Wij hoeven niet naar Hem om­hoog te klauteren en te ploeteren. Want je bent al moe als je er aan begint. Want op je eigen kracht kom je er nooit. Dan val je steeds weer naar beneden. Neen, het is precies andersom. Hij daalt neer en komt met zijn liefde en al­macht in ons leven wonen. Als we het gaan ontdekken en vanuit Hem leven, dan is er inderdaad ook geen haar op ons hoofd die maar denkt dat wij er iets aan toegevoegd hebben. Dan kunnen we alleen maar in verbazing naar boven kijken en zeggen: Duizendmaal, duizendmaal dank, o HERE. Heerlijk om dat te mogen ontdekken.

Hij verkwikt dan ook je ziel. Hij vernieuwt je denken. Hij leidt je. Hij heelt je. Heerlijk. Heerlijk. En weet je wat er gebeurt? Hij leidt je in rechte sporen. Hij neemt je bij de hand. Deze kant op. Niet links en niet rechts. Nee, rechtdoor, achter Mij aan. Zie op de Here Jezus. Hij droeg het kruis. Hij verzoende onze zonden. Hij wees de weg. Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Geloof je het niet? Probeer het maar. Je zult het ontdekken; niet omdat jij zegt, dat het waar is, maar het is de Waarheid. Het is de Weg, het is het Leven. Dan ga je in rechte sporen. Waarom? Niet om mijn naam. Niet omdat ik dat vind, wat denk je wel? Komt helemaal niets van in. Neen! Maar alleen maar om zijns Naams wil. Wij kijken veel te veel van beneden naar boven. We kijken tegen God aan, in plaats dat we gaan staan in de oneindige genade en zegen van de HERE God. Waar moeten we het ook anders zoeken. Dat is een heerlijke ze­kerheid. Want als we dat niet doen, dan staan we in het aanvalsgebied van de tegenstander van God. Want er is oorlog. De duivel gaat rond als een briesen­de leeuw, zoekende wie hij kan verslinden. Hij zal ons almaar aanklagen. En ons in twijfel brengen. Hij komt in ons eigen denken en doen en zegt: Je kunt het niet; wie ben jij wel dat je denkt in Gods genadige zegen te kunnen gaan staan? En dat is ook zo. Wij kunnen het ook niet. Dat moet Hij doen. En Hij doet het ook. Sta in zijn zegen. Stop je eigen geredeneer en je zult ontdekken dat de duivelse stemmen verstommen. Ze gaan weg. Hij zal van je vlieden en je komt in het licht des levens te staan. Heerlijk toch? Om zijns Naams wil. Hoe meer het op je afkomt, hoe enthousiaster je wordt.

Als we denken aan wat er over de herder in de Bijbel gezegd wordt, dan weten we dat er goede en valse herders zijn. Steeds maar weer. Maar Jezus is de Goede Herder. Hij jaagt de huurling weg. Hij luistert niet naar de dwaalle­raars, maar ontmaskert ze. Daar kunnen we nog lang over door schrijven. Maar lees het zelf maar. Je komt het tegen op elke bladzij in de Bijbel. Blijf in de geboden en inzettingen van God. Dan gaat het je goed. Maar doe je het niet, dan haal je zelf het oordeel over je heen. Dan gaat het niet goed. Maar als je vernacht in de schuilplaats van de Allerhoogste, dan ga je ontdekken dat er vrede en rust is temidden van de aanvechtingen en de duistere plaatsen. Want zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij; uw stok en uw staf, die vertroosten mij. Hoe is het mogelijk dat je toch blij kunt zijn als je door dit dal van die duisternis gaat? Dat is het geheim van de alles overheersende kracht van God. Hij gaat boven alle pijn en moeite uit. Hij trekt je op in zijn denken en doen. Hij beschermt je, zodat je niet mee­gesleurd wordt in het denken van de dood. Daar staat de Bijbel vol van. Wat een voorbeelden. Wat een getuigenissen elke dag, wanneer we in lijden en sterven velen en velen zien schuilen bij de HERE God. Dat kan toch niet van de mens zelf komen? Dat komt van God zelf. Want God heeft ons geen kalme reis beloofd, maar wel een behouden aankomst. Ja, zo is het. Hoe kunnen we anders standhouden in de boze dag? Dat kan alleen als we blijven schuilen bij Hem. En waarom kan dat? Omdat Hij gezegd heeft dat we het niet zullen kun­nen, maar dat we boven bidden en denken geborgen zijn in Hem. Het is dan ook een werkelijkheid. Niet omdat wij dat kunnen, want het breekt ons bij de handen af. Maar omdat Hij ons de kracht schenkt. We kunnen het niet genoeg herhalen. Het komt van God en niet van ons. Want Gij zijt bij mij. Niet ik ben bij God, neen: Gij zijt bij mij. Hij is er. Hij is almachtig. Hij beschermt. Hij weert de pijlen af. Zijn levenslessen vertroosten mij. Zijn stok en zijn staf houden me op het rechte spoor. De herder zet zijn leven in voor zijn schapen. En wee de valse herders. Ik zal die valse herders!, zegt God. En dat doet Hij dan ook. Hij beschermt de zijnen. Heerlijk toch?

En dan gaan de vijanden tekeer. Maar God richt voor ons een dis aan. Hoe kan dat nou? De vijanden schreeuwen en brullen en staan ons naar het leven. En God maakt ons een heerlijke tafel klaar, waar vrede en recht en overvloed van afstraalt. Dat kan toch niet? Ja, en dat is het geheim. Hij doet het. Hij geeft kracht. Hij zet de vijand te kijk. Ze kunnen je van alles aan doen, maar wij blijven getuigen en eten van de rijkvoorziene dis van God. Heerlijk. Wat een zegen. Het kan je dan wel eens te veel worden. Maar Hij is er en Hij blijft er. Hij zalft je hoofd met olie. Heerlijk. Wat een ontspanning. Wat een zegen. Het vloeit over. Alles komt zo weldadig op je af. Alle toestanden om je heen ver­bleken bij die overweldigende aanwezigheid van God. En daar waar God is, daar kan de boze niet zijn. Daar wordt het licht, volledig licht. Daar wordt het leven pas echt leven. Daar ervaar je de totale bescherming en de liefde van God. Wat doen we God toch tekort, door toch steeds maar in ons eigen denken en doen om te blijven tobben. En wat doen we ons zelf tekort, door het maar steeds niet van Hem te verwachten. Maar we hebben een God genadig en lank­moedig en groot van goedertierenheid. Hij laat je als zondaar niet staan.

Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen, al de dagen van mijn leven. Niet wij halen dat heil en de goedertierenheid over ons heen. Neen, het is God Zelf die met dat heil en die goedertierenheid ons zal volgen. Niet zo maar een beetje en zo nu en dan. Neen, al de dagen van mijn leven. Dus altijd. Wande­len in het licht van de HERE God, is wandelen in de stroom van zijn genade en de altijddurende stroom van zijn overstelpende goedertierenheid. Want zo is het toch? Als we niet leven van de genade, dan kunnen we voor Hem hele­maal niet bestaan. Wat is het mensenkind dat Gij zijner gedenkt en het men­senkind dat Gij naar hem omziet? We weten het toch allemaal? En hoeveel komen we niet tekort! Maar Gode zij dank. Ik zal in het huis des HEREN ver­blijven tot in lengte van dagen. Als je dat dan allemaal ziet, dan wil je toch ook niet anders dan tot in lengte van dagen in het huis des HEREN verblijven. En weer kan het niet genoeg herhaald worden. Jij bent het niet die het initia­tief neemt, neen, het is de liefde van God die neerdaalt in ons leven en ons trekt naar Hem toe, om te ontdekken de oneindige genade en liefde van Hem. Wat een rijkdom. Daar kun je je hele leven mee vullen. Daar wil je van verha­len. Daar kun je niet over zwijgen. Daar wordt je leven mee gekleurd. Daarom is er altijd hoop in bange dagen. Er is altijd uitkomst. De HERE is mijn Her­der. Ik kan er niet over zwijgen. Laten we er mee door gaan. Glorie voor zijn Naam.




Psalm 24:1-10

12 mei [2]



24:1

Van David. Een psalm.
Des HEREN is de aarde en haar volheid,
de wereld en die daarop wonen.

24:2

Want Hij heeft haar op de zeeën gegrond
en op de stromen gevestigd.

24:3

Wie mag de berg des HEREN beklimmen,
wie mag staan in zijn heilige stede?

24:4

Die rein is van handen en zuiver van hart,
die zijn ziel niet op valsheid richt, noch bedrieglijk zweert.

24:5

Die zal van de HERE een zegen wegdragen
en gerechtigheid van de God zijns heils.

24:6

Dat is het geslacht van wie naar Hem vragen;
die uw aanschijn zoeken; dat is Jakob.

24:7

Heft, poorten, uw hoofden omhoog,
en verheft u, gij aloude ingangen,
opdat de Koning der ere inga.

24:8

Wie is toch de Koning der ere?
De HERE, sterk en geweldig,
de HERE, geweldig in de strijd.

24:9

Heft, poorten, uw hoofden omhoog,
en verheft ze, gij aloude ingangen,
opdat de Koning der ere inga.

24:10

Wie is Hij toch, de Koning der ere?
De HERE der heerscharen,
Hij is de koning der ere.


Niet ter discussie. Dat staat vast en zeker. Des HEREN is de aarde en haar volheid. Want Hij heeft de aarde gegrondvest. Vast en zeker. Wat een dwaas­heid om maar te denken dat het anders is. Het is vast en zeker. En iedereen die denkt dat het anders is, is een afgodendienaar. Die liegt en spreekt de waar­heid niet. Pas dus op voor al die valse voorlichters die zeggen dat het anders is gebeurd dan door de schepping van God. Ze proberen de mens af te brengen van het geloof in God. En dat zal altijd mislukken, want God schiep de hemel en de aarde en al wat er in is.

Dus wie behoort aan God toe? Dat zijn de mensen die rein van hart en handen zijn. Die de geboden van God onderhouden. Die zijn wil doen. Dan zul je de zegen van de HERE ontvangen. Dan zul je het zien. Dat zal God je duidelijk maken. Daar heerst vrede. Het geslacht dat naar Hem vraagt. Die het aange­zicht van de HERE zoeken. Het is steeds maar weer hetzelfde liedje, herhaling op herhaling: Gods geboden en inzettingen onderhouden, daar is zegen aan verbonden. Dat kan je alleen maar helpen. Daar is het om te doen. Dan ver­wacht je de Koning. Dan zal Hij door de poorten binnengaan. Dan zal Hij zijn rijk van recht en gerechtigheid grondvesten met macht en majesteit. Dan zal de stad feest vieren, want de Koning komt. Wat een Messiaanse psalm. Wat een psalm van de komst van het rijk van recht en gerechtigheid. Hij zal rege­ren. Hij zal met macht en majesteit alles onder zijn voeten leggen. Hij zal bin­nentreden. En iedereen zal het weten. Het gaat gebeuren. Dan zal alles weer zijn zoals het was. En de wet zal uitgaan van Jeruzalem. Alle volkeren zullen weten dat Hij de HERE God is. Wat een zegen. Eén groot feest.

Het is nu al feest in je hart als je de geboden van de HERE God onderhoudt en in zijn wegen wandelt. Want je wandelt op de weg van het eeuwige leven. Want daar gaat het om. Niemand wil toch het feest van de intocht van de grote Koning missen? Hij kwam Jeruzalem binnen. Het was feest. Maar het kruis werd opgericht. Hij weende over Jeruzalem. Lees het toch! We leven in pro­fetische tijden. Dank U HERE, voor al uw vastigheid en al uw zekerheid. Uw profetie staat vast. Vergeef ons toch dat we het zo vaak vergeten en vergees­telijken, terwijl het er toch staat. HERE, help ons het te zien. Dank U wel, HERE God.




Psalm 25:1-22

1 september [1]



25:1

Van David.
Tot U, HERE, hef ik mijn ziel op;

25:2

mijn God, op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden,
laten mijn vijanden niet over mij juichen.

25:4

HERE, maak mij uw wegen bekend,
leer mij uw paden,

25:5

leid mij in uw waarheid en leer mij,
want Gij zijt de God mijns heils,
U verwacht ik de ganse dag.

25:8

Goed en waarachtig is de HERE;
daarom onderwijst Hij de zondaars aangaande de weg.

25:9

Ootmoedigen doet Hij wandelen in het recht,
en Hij leert ootmoedigen zijn weg.

25:10

Alle paden des HEREN zijn goedertierenheid en trouw
voor wie zijn verbond en zijn getuigenissen bewaren.

25:11

Om uws naams wil, HERE,
vergeef mij mijn ongerechtigheid, want die is groot.

25:18

Zie op mijn ellende en moeite,
en vergeef al mijn zonden.

25:20

Bewaar toch mijn ziel en red mij;…

25:22

O God, verlos Israël
uit al zijn benauwdheden.


Er kan van alles om je heen gebeuren. Je kunt midden in de grootste proble­men zitten. Je kunt geen soms kant meer op. Je ziet het niet meer zitten. Wat moet ik nu weer doen? En dan komt deze psalm. We weten niet waar David over inzat. Hij heeft heel wat meegemaakt. Hij zat vaak in de knel. Hij wist dat ook zijn hart en leven vol van zonden was. Maar hij ziet steeds weer op de HERE. Hij weet het, en heeft een groot verlangen om steeds dieper ingewijd te worden in de wegen van de HERE. Hij weet dat, als hij volgt wat de HERE verlangt, dat hij dan goed uitkomt. Want zijn wegen zijn goed en vol van goedertierenheid, recht en genade. En dat zijn goede woorden. Dat is een richting waarop het met God wandelen is. Hij beseft dus telkens weer, dat hij alleen maar kan leven uit vergeving. De zonde kleeft ons aan. En dat doet je steeds weer herhalen: O God, wees mij, arme zondaar, genadig. We hebben een genadige God. Want als we met al ons lek en gebrek maar bij Hem schui­len, dan zijn we veilig. Dan weten we ons verzekerd van zijn liefde. Blijf maar dicht bij Jezus. Blijf maar in de vertrouwelijke omgang met Hem. Hij, de Schepper van hemel en aarde. Hij onze Schepper. Daar kan niemand tegen op. Daar gaan de vijanden voor op de vlucht. Die lopen vast. Die komen verkeerd terecht. Die beërven het heil niet. Vast en zeker. Die hebben daar geen recht op. Maar God is met de ootmoedigen en de reinen van hart, de vromen, de rechtvaardigen. Dus ootmoedig, rein van hart, daar moeten we ons naar uit­stekken. Niet naar de snoevers, niet naar de grootsprekers, niet naar de mach­tigen zonder God. Neen, de vertrouwelijke omgang met God. Dat is heerlijk. Dat is veilig.

Dan lezen we ook het slot van de psalm, waar David zegt: O God, verlos Israël uit al zijn benauwdheden. Daar gaat het om. Het gaat in het hele wereldgebeu­ren om David en zijn troon. De belofte. Er zal weer een Koning zijn op de troon van zijn vader David, tot in alle eeuwigheden. Dat is vast en zeker. Glo­rie voor zijn Naam. We zien de voetstappen van de HERE Jezus al. Dank U, HERE.




Psalm 26:1-12

2 september [1]



26:1

Van David.
…op de HERE heb ik vertrouwd
zonder te wankelen.

26:2

Toets mij, HERE, en beproef mij,
keur mijn nieren en mijn hart.

26:3

Want uw goedertierenheid houd ik voor ogen,
en ik wandel in uw waarheid.

26:8

HERE, ik heb lief de stede van uw huis,
de woonplaats van uw heerlijkheid.

26:11

Ik echter wandel in onschuld –
verlos mij en wees mij genadig.

26:12

Mijn voet staat op effen baan –
in de samenkomsten zal ik de HERE prijzen.


Het is heerlijk als je op de HERE vertrouwt. Dat geeft vrede en rust. Waar haal je het vandaan, op Hem te vertrouwen? Het geheim is dat Hij naar je toe­komt. Hij geeft je zijn vrede. Het is niet jouw vrede, maar het is zijn vrede. En je zult het ervaren dat het werkt. Het is geen religieus gepraat. Het is een wer­kelijkheid. Het is een duidelijke leefregel. Indien je het niet doet, dan ben je op het verkeerde spoor. Dan kun je met je verstand ook zien dat je dan niet op het terrein van de liefde bent. Dan ga je de weg van de zonde op. En daar moet je je nu juist van afwenden. Dat kan, want daar geeft God je de kracht voor. Dat kun je ook niet in je eigen kracht, maar als je je uitstrekt naar God, dan kom je in zijn levenskring terecht. Je hebt de HERE lief, omdat je weet dat je dan in je denken, doen en beleven veilig bent. En dat niet slechts op bepaalde terreinen van het leven, maar op alle. Verlos mij en wees mij genadig. Houd mij op een effen baan. In de samenkomsten zal ik de HERE prijzen. Dat zul je dan ook doen. Daar kun je mee verder.

Soms zijn we een eind van de HERE weg. Dan zijn we verslapt en dan merken we het meteen. Dan gaat ook de vrede en de vreugde op de loop. Dat gaat van­zelf. Daarna is het soms heel moeilijk om weer terug te keren. Dat kost in­spanning. Je voelt je schuldig. Je ervaart dat je op het verkeerde pad bent. En dat is ook zo. Maar het geheim is dat we te maken hebben met de grote goe­dertierenheid van God. Die staat niet eerst aan de deur om je door het stof te laten gaan. Die nodigt en opent zijn armen. Je mag zo weer verder zingen, want je weet zelf heel goed hoe de vork verkeerd in de steel heeft gezeten. Daarom wordt in deze psalm ook gesteld dat de dichter bij de vijanden van God weg blijft. Daar is het niet veilig. Daar krijg je last mee. En daar ga je ook mee van God af. Het is allemaal zo simpel dat je haast denkt: zo eenvou­dig kan het niet zijn. Maar het geheim is dat het inderdaad zo simpel is. Dicht bij Jezus blijven, dan ben je veilig. Want Hij heeft alle tegenspraak van de zondaren tegen zich verdragen. Hij heeft de straf op Zich genomen, die wij moesten dragen. Daarom is het veilig schuilen bij Hem. Heerlijke zekerheid. Glorie voor zijn Naam.




Psalm 27:1-14

3 september [1]



27:1

Van David.
De HERE is mijn licht en mijn heil,
voor wie zou ik vrezen?

27:3

Al legert zich een leger tegen mij,
mijn hart vreest niet;…

27:4

dit zoek ik:
te verblijven in het huis des HEREN
al de dagen van mijn leven,…

27:6

En nu heft mijn hoofd zich op
boven mijn vijanden rondom mij;…

ik wil zingen, ja psalmzingen de HERE.

27:9

Verberg uw aangezicht niet voor mij,…

27:13

O, als ik niet had geloofd des HEREN goedheid te zullen zien
in het land der levenden!

27:14

Wacht op de HERE, wees sterk,
uw hart zij onversaagd; ja wacht op de HERE.


De vijanden kunnen soms tekeergaan en op je af komen. Je ziet het niet meer zitten, weet niet waar heen te vluchten. Je kunt aardig in het nauw komen, maar dan komt het er op aan dat je dicht bij de HERE schuilt. Te weten dat, hoe dicht de vijanden je ook op de hielen kunnen zitten, je toch veilig bij Hem kunt schuilen en Hij je op een hoge rots zet, hoog boven je vijanden. Ook al lijkt het dat je helemaal verzwolgen wordt door de vijanden. Je roept dan tot de HERE dat Hij je staande houdt en je verlost uit de banden van de boze. Iedereen kan je verlaten hebben, ja zelfs je vader en je moeder, maar je blijft op de HERE vertrouwen, want Hij verlaat je nooit.

Het is dan ook heel belangrijk dat je dicht blijft bij het onderricht dat de HERE jou wil geven. En dat onderricht is niet ver weg. Dat onderricht komt door zijn Woord en Geest heel direct naar je toe. Hij wijst je de weg. Hij houdt je op het rechte spoor. Hij verheft je boven je vijanden. Hij blaast de vijanden weg. Ze kunnen tegen je tekeergaan. Ja, ze kunnen zelfs je leven nemen. Maar jij bent in de overwinning, want God is hoger dan alle vijanden. Moge de lering van de HERE je zo dicht nabij komen, dat je in alle omstan­digheden dat vertrouwen mag hebben en houden. Dat is genade. Dat is zijn grote liefde. Dat is zijn leven.

Hij weet hoe we het kunnen hebben. Daarom heeft hij zijn eniggeboren Zoon gegeven, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Wat een grote liefde. En wat een genade dat David in deze psalm ook al zo overtuigd is van die liefde van de HERE, dat hij het hier ook uit kan zingen. Wat een prachtige psalm. Wat zijn de psalmen toch heerlijk! Ik krijg er niet genoeg van. Dank U, HERE.




Psalm 28:1-9

4 september [1]



28:2

Hoor naar mijn luide smekingen,
als ik tot U roep om hulp,
en mijn handen ophef
naar uw binnenste heiligdom.

28:5

Omdat zij niet letten op de daden des HEREN
noch op het werk zijner handen,
zal Hij hen afbreken
en hen niet opbouwen.

28:7

De HERE is mijn kracht en mijn schild;…

28:8

De HERE is hun kracht,…

28:9

weid hen en draag hen tot in eeuwigheid.


De vijand kan dichtbij komen. Maar ik roep tot de HERE. Bescherm mij! Help mij dat ik niet in het kamp van de tegenstander terecht kom. Help mij, HERE. Dank U, HERE, voor uw almacht. Voor uw liefde. Voor uw bescherming. De HERE is mijn kracht en mijn schild. Hij beschermt mij. Hij breekt de godde­lozen af. Hij bouwt hen niet op. Ze kunnen wel tekeergaan, ze kunnen wel proberen om mij af te breken, maar het zal hun niet gelukken. Een veste des heils is Hij voor zijn gezalfde. David weet van de kracht en de almacht van de HERE. Hij twijfelt er niet aan. Temidden van de grote nood waarin hij vaak verkeert, weet hij steeds weer op de HERE te zien, die hem uitredt en boven zichzelf verheft, zodat hij op Hem vertrouwt. Dat is de grote kracht die de HERE wil uitstoten in het leven van iedereen die het van Hem verwacht. Je praat dan vaak tegen jezelf in. Want met je eigen denken en doen denk je dat het een verloren zaak is. Dan weet je niet hoe je de vijand moet weerstaan. Maar steeds opnieuw is het het uitroepen naar de HERE om je te helpen, om niet op de omstandigheden te zien, maar op de almacht van de HERE God. Dan zie je wonderen gebeuren. Want het hele leven is één wonder. Dat kun­nen we zien in het leven van David. Het is telkens de HERE die hem uitredt uit de meest benarde situaties. Daar moet je durf voor hebben. Je moet er wel op uittrekken, maar steeds met het volle vertrouwen op de HERE. Dan zul je ontdekken dat het hele leven een wonder is. Een wonder waar je zelf het meest verwonderd naar staat te kijken. Want van onszelf zijn we niet zulke helden, maar met de kracht van God gaan we ontdekken dat de HERE onze kracht is. En die kracht kan bergen verzetten. Die kracht draagt ons tot in eeuwigheid. Prijs de HERE, mijn Rots. Met Hem springen we over muren! Hij is in onze zwakheid onze kracht.




Psalm 29:1-11

5 september [1]



29:1

Een psalm van David.

29:2

geeft de HERE de heerlijkheid van zijn naam,…

29:3

De stem des HEREN is over de wateren,
de God der heerlijkheid doet de donder weerklinken,
de HERE over de geweldige wateren.

29:7

De stem des HEREN klieft vuurvlammen,

29:8

de stem des HEREN doet de woestijn beven;…

29:9

de stem des HEREN doet de hinden jongen werpen…
Maar in zijn paleis zegt ieder: Ere!

29:10

De HERE troonde boven de zondvloed,
ja, de HERE troont als koning in eeuwigheid.

29:11

De HERE zal zijn volk sterkte verlenen,
de HERE zal zijn volk zegenen met vrede.


Hoe machtig klinkt de donder. De slagen rollen. De bliksem schicht. Het licht van de ene kant naar de andere. De wateren zijn machtig. De regen klettert neer. Het is één grote, machtige manifestatie van het uitspansel. Wie zit daar achter? Het is natuurgeweld. Maar wie geeft het natuurgeweld? Hoe is het allemaal ontstaan? Waar komt het vandaan? We denken niet meer aan de HERE. We denken aan de weermannen, die alles verklaren. We denken aan de wetenschap die bliksem, donder en wolken en regen prachtig gaat verklaren. We denken dan: de bliksemafleider staat op de toren, dan gaat het goed, we hoeven nergens bang voor te zijn. Maar dan slaat de bliksem in. Een machtig vertoon van Gods almacht. God is groot en niet genoeg te prijzen. David wist het in deze psalm. Hij staat midden op het veld en is midden in de donder. Hij zal het vaak hebben meegemaakt. Dan schuilt hij in de spelonken. Dan kan het plotseling uit de hemel neerdalen. Dan worden het kolkende waterstromen, die alles meenemen in hun onstuimige kracht. Niets is er tegen bestand, zo hard regent het. Wat een machtige vertoning van Gods almacht in de natuur. Het is de stem des HEREN over de wateren.

We moeten weer worden als de kinderen, die daar heel bang de hand van de HERE in zien. En het is ook de stem van de HERE. Het is de HERE, die ons weer eens duidelijk maakt hoe de vork in de steel zit. Hij troont boven de zondvloed. Hij is machtig boven het firmament. Hij regeert het grote wereld­gebeuren. Het komt van Hem en wij zullen niet eens in onze hoogmoed ver­klaren hoe God het allemaal gemaakt heeft. We mogen alles verklaren en God wil ons ook alles verklaren, zolang we het ontvangen als een geweldige kracht van boven. We moeten niet van beneden naar boven kijken, maar we moeten met Hem van boven naar beneden kijken. En dat kunnen we. Want we zijn met Christus gestorven en begaven en met Hem opgewekt om met Hem, van­uit de hemelse gewesten, samen met al de heiligen, te zien de vergezichten van de hoogte, de breedte en de diepte van de almacht van Hem. Dan wil je je knieën wel buigen voor die God, om dan in zijn kracht op te staan om met geweldig elan Hem te loven en te prijzen.

Daar begint David dan ook mee. Geeft de HERE de heerlijkheid van zijn Naam. Buigt u neder voor de HERE in heilige feestdos. Als we eenmaal de almacht van God gaan ontdekken, of beter: er aan ontdekt worden, dan wor­den we almaar enthousiaster. Dan springen we op. Dan gaan we aan het werk. Dan zien we het zitten. We blijven vol bewondering kijken naar die heilige God. De HERE troont als koning in eeuwigheid. De HERE zal zijn volk sterk­te verlenen. De HERE zal zijn volk zegenen met vrede. Dat geldt voor het volk, maar dat geldt ook voor ieder als individu. Want als we de almacht van God gaan ontdekken, dan ontdekken we dat Hij een zegenende God is. Hij wil het goede voor de mensen. Hij komt naar ons toe met zijn onvoorwaardelijke liefde en geduld en kracht. Dan is het zelfs mogelijk om temidden van de grootste strijd liederen tot God te zingen. Dat is het wonder van Gods almacht. Dat wil Hij. Dat doet Hij. Zo is Hij.




Psalm 30:1-13

6 september [1]



30:2

Ik zal U verhogen, HERE, want Gij hebt mij opgetrokken,
en mijn vijanden geen vreugde over mij gegeven.

30:3

HERE, mijn God, tot U riep ik om hulp,
en Gij hebt mij genezen.

30:5

Psalmzingt de HERE, gij zijn gunstgenoten,
en looft zijn heilige naam;

30:6

want een ogenblik duurt zijn toorn,
een leven lang zijn welbehagen;…

30:7

In mijn onbezorgdheid had ik gedacht:
ik zal nimmer wankelen –…

30:11

Hoor HERE, en wees mij genadig,
HERE, wees mij een helper.

30:12

Mijn rouwklacht hebt Gij veranderd in een reidans,…

30:13

opdat mijn ziel U zou psalmzingen, en nimmer verstommen.
HERE, mijn God, voor altoos zal ik U loven.


Je kunt leven en nergens aan denken. Je kunt inderdaad denken dat je nooit iets zal overkomen. Dan ineens is het er, nooit verwacht. Het verandert dras­tisch en radicaal je leven. In mijn onbezorgdheid, zegt David, zal ik nimmer wankelen. En dan gebeurt het. Hij roept de HERE aan in zijn nood. En de HERE redt hem. Hij geneest en trekt hem op uit de groeve. En daarom zal ik U verhogen, mijn leven lang. Als je dat gaat ontdekken in je leven, dan wil je dat ook. Dan zie je ineens hoe het allemaal zit. Dan ervaar je dat je leven en sterven van God afhankelijk is, en niet andersom. We leven, omdat God ons genadig is. Want we verdienen allemaal de dood. Het is de genade van God, die zijn eigen Zoon niet gespaard heeft maar voor ons allen overgegeven heeft, dat we nog een ademtocht van hem krijgen. Het gaat om het opgetrokken zijn door God. In die bescherming en die veiligheid moeten we blijven. Dan leven we eeuwig. Dan worden we wel aangevallen, maar dan weten we de branden­de pijlen van de boze te weren. Dan kunnen we Hem psalmzingen. Want een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn welbehagen! God is goed. Hij heeft het eeuwige leven van een ieder van ons op het oog. Daar gaat het om. Het is niet alleen een gedachte, het is een heerlijke absolute zekerheid! Daar zit het leven vol van. Daar staat de Bijbel vol van. Daar zit ik vol van. Daar mag een ieder vol van zitten. Hoe? Heel eenvoudig: laat je volstromen met de liefde en de waarheid van God. Niets meer en niets minder. En dat doet David. En dat doen wij. Opdat mij ziel U zou psalmzingen en nimmer verstommen. HERE, mijn God, voor altoos zal ik U loven. Wat een leven. Leven in het al­toos loven van de HERE God, dat kan niet anders, dan je hart en je leven vul­len met blijdschap. Dat kan niet anders, dan dat je de zorgen en de moeiten waar het leven vol van is, wegduwt en je laat vullen met die onvoorstelbare, onverklaarbare eeuwige rust en vrede in je hart waar je zelf versteld van staat. Dat is leven. Leven vanuit de eeuwige genade van God die in zijn grote liefde naar jou heeft omgezien, omdat hij niet wil dat sommigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen. Glorie voor zijn Naam. Dank U, HERE.

Wat een vreugde, wat een feest. David is gered vanuit de groeve. Hij riep de HERE aan in zijn nood. Dat mogen wij ook doen. We mogen roepen uit de nood van ons leven. We mogen Hem aanroepen en pleiten op zijn Woord. Want God is een God van genezing. Hij wil gebeden zijn. Hij wil dat we heel concreet de vragen bij Hem neerleggen met een oprecht hart. En Hij hoort. Want zal een vader stenen voor brood geven als zijn kind Hem om brood vraagt? Wat een domme vraag! De vraag is het antwoord: Gods weg is de bes­te. De beste, altijd. Daar gaat het om. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Wat zit er een zegen in. Wat kan het me troosten. Wat maakt het me afhanke­lijk van U. Dank U.




Psalm 31:1-9

7 september [1]



31:2

Bij U, HERE, schuil ik…
Doe mij ontkomen door uw gerechtigheid,…

31:4

want Gij zijt mijn steenrots en mijn vesting,…

31:5

want Gij zijt mijn veste.

31:6

In uw hand beveel ik mijn geest;…

31:8

Ik wil juichen en mij verheugen over uw goedertierenheid,
daar gij acht hebt geslagen op mijn ellende,…

31:9

Gij toch hebt mij aan de vijand niet prijsgegeven,
Gij hebt mijn voeten in de ruimte doen staan.


Je kunt vreselijk in de nood zitten. Je kunt het niet meer zien zitten. Je kunt denken: Hoe red ik me hier ooit uit. Het gaat verkeerd. Zo kan het niet langer. Wat moet ik nu doen? O HERE, help me. Het wordt steeds moeilijker. De mensen zijn tegen je. Alles breekt je bij de handen af. Ze haten je. Ze geven je geen kans. Ze vervolgen je, en wat dies meer zij. Dan komt de roep om hulp in de ellende. God waar bent U? God, help me. God, laat me niet in de steek. Ik heb het zo moeilijk. HERE, red mij van de strik van de vogelvanger, laat mij niet omkomen in de verdrukking. Red mij HERE, want U bent mijn God. U bent mijn schuilplaats. U bent mijn veste. Bij U ben ik veilig. Bij U ben ik ge­borgen. Mij kan niets overkomen. Ze kunnen tekeergaan, en wat kunnen ze niet tekeergaan, maar Gij zijt bij mij. Daarom schuil ik bij U. Ik weet: daar ben ik veilig. Daar kan niemand mij te pakken nemen. Daar moet ik blijven en vernachten in de schaduw van de Allerhoogste. God is goed. Hij laat je niet in de steek. Je kunt het moeilijk hebben met de omstandigheden waar je in te­recht bent gekomen, maar God houdt je vast. Hij is lankmoedig en groot van goedertierenheid. De vijanden kunnen het op je aanleggen maar Gods bescher­ming, daar kan niemand tegen op. Dat is een veste. Dat is een burcht. Die is onneembaar, die is veilig. Wat een heerlijke gedachte.

David weet wat het is om achtervolgd te worden. Hij weet wat gevaar is. Maar hij weet ook wat wonderlijke uitreddingen zijn. Hij weet wat zijn God kan. Wat het betekent om in de nood op God te vertrouwen. Met mijn God spring ik over muren. Want je kunt het benauwd hebben, maar dan ineens is daar de kracht van God. Je krijgt vleugels als een arend. Dan word je als het ware op­getild boven jezelf uit en dan vlieg je op de vleugels van Gods wind. Dan word je onaantastbaar, want dan ben je geborgen in Christus bij God. Dat is een heerlijke gedachte. Dat betekent niet dat je het niet benauwd kunt hebben. Dat je het niet uitschreeuwt naar God. Dat je helemaal ervaart, dat alleen God het is Die er wat aan kan doen. Hoe vaak zijn we niet in zo’n situatie? Maar dan komt God. En Hij redt je. Hij redt je in alle omstandigheden van het leven, want Hij laat je nooit in de steek. Hij weet wat vijanden je kunnen aandoen.

En de laatste vijand is de dood. Die komt onherroepelijk. Je weet nooit wan­neer. Maar dan kun je toch rustig en stil in Hem zijn, omdat je weet dat de dood je wel tracht te halen, maar dat je over de dood heen geborgen bent in Hem. Want het is waar. Niets kan je scheiden van de liefde van Christus, die alles vermag. Het woord ‘rots’ valt herhaaldelijk. Jezus, de Messias is de rots, op Wie je kunt bouwen. Dan sta je vast. Dat is vijandbestendig. Daar kun je het eeuwige leven aan verbinden. Een heerlijke gedachte. Dat stijgt uit boven al het aards gewriemel; de kleine dingen die ons zo bezig kunnen houden. Dat zijn de nietigheden van de mens, waar je niet mee verder komt. Maar op God kun je bouwen. Zijn goedertierenheid is eindeloos. Hij redt je. Hij helpt je. Hij houdt je vijanden op een afstand. Het is goed om in Zijn goedertierenheid te leven. Glorie voor God! Gij hebt mijn voeten in de ruimte doen staan. En mijn vijanden kunnen wel van alles denken, maar U bent overwinnaar. Vast en zeker.




Psalm 31:10-19

8 september [1]



31:10

Wees mij genadig, o HERE, want ik ben benauwd;
van verdriet verkwijnt mijn oog, mijn ziel en mijn lichaam.

31:11

Want mijn leven vergaat in kommer en mijn jaren in zuchten,
mijn kracht struikelt door mijn ongerechtigheid,
en mijn gebeente verkwijnt.

31:12

wie mij op straat zien, vluchten voor mij weg.

31:14

terwijl zij met elkander tegen mij beraadslagen,
smeden zij plannen om mij het leven te benemen.

31:15

Maar ik vertrouw op U, HERE,
ik zeg: Gij zijt mijn God.

31:16

Mijn tijden zijn in uw hand, red mij
uit de hand van mijn vijanden en vervolgers.

31:17

Doe uw aanschijn lichten over uw knecht,
verlos mij door uw goedertierenheid.

31:18

laten de goddelozen beschaamd worden,
tot zwijgen gebracht in het dodenrijk.

31:19

Laten de leugenlippen verstommen,
die tegen de rechtvaardige verwaten spreken,
met trots en hoon.


Het gaat niet best. Wees mij genadig, want het gaat niet goed. Ik kwijn weg. Ik ga zienderogen achteruit. Het leven trekt weg, vanwege mijn ongerechtigheid. En mijn vijanden gaan tekeer. Ze beraadslagen hoe ze mij uit de weg kunnen ruimen. Ze hebben alleen maar kwaad in de zin. Ik zie het niet meer zitten. HERE, red mij uit mijn benauwdheden. HERE, laat mij niet in de steek. Zo begint dit tweede deel van deze psalm. Maar als een contrast komt dan: Maar ik vertrouw op U, HERE. Zo is dat. Dwars tegen alle ellende en achtervolging en alle verdachtmaking in. Gij zijt mijn God. Mijn tijden zijn in uw hand. U weet wanneer mijn einde gekomen is. Ik voel me ellendig. Ik verkwijn. En als het uw tijd is, dan is het uw tijd, want mijn tijden zijn in uw hand. Wat een goddelijke berusting. Wat een geloofskracht temidden van allerlei tegenslagen en ellende. Dan staat als een huis: Gij zijt mijn God. Punt uit. Dat is mijn ijk­punt. Dat is mijn koers. Mijn baken. Mijn licht in de duisternis. Dank U HERE. Dat is de erkentelijkheid, waar we uit mogen leven, waar we kracht uit kunnen putten. Verlos mij HERE, uit de hand van mijn belagers. Uw goeder­tierenheid is over mij. Laten de goddelozen tot zwijgen gebracht worden in het dodenrijk. Nu kunnen ze nog denken dat ze het voor het zeggen hebben. Maar U weet beter en ik weet ook beter. U rekent met hen af. Vast en zeker. Zij zul­len verstommen. Nu spreken ze nog hooghartig en verwaten tegen de recht­vaardige, maar dan is het afgelopen. Eens en voor altijd. Daar hoef je niet aan te twijfelen. Toen niet en nu ook niet. Heerlijk evangelie. We kijken verder dan onze neus lang is. Wij kijken over de dood heen. Wij hebben een dimen­sie meer. Het is de goddelijke dimensie, omdat we met Hem zijn opgewekt. Met Hem mogen we vergezichten zien van Zijn oneindige liefde en eeuwig koninkrijk van recht en gerechtigheid, waar we reikhalzend naar uit mogen zien. Ook al moeten we in dit tranendal nog van alles doorstaan.

Ieder heeft zo zijn deel te dragen. Maar we weten dat het zeker is, dat aan deze wereld een einde zal komen en dat recht en gerechtigheid, met de nieuwe he­mel en de nieuwe aarde, zullen nederdalen. Dan zullen we in een punt des tijds veranderd worden en altijd met de HERE zijn. Dat gaat door heel veel strijd heen. Daar weet David van mee te praten. Daar weten de geloofshelden en de martelaren van mee te praten. Maar in al die mensen zullen wij de diepte en breedte, hoogte en rijkdom zien van Christus. Dat weten we nu al. Dan zullen we ten volle zien, wat een heerlijke toekomst. Het is waar, dus blijf bij die waarheid.




Psalm 31:20-25

9 september [1]



31:20

Hoe groot is het goed
dat Gij hebt weggelegd voor wie U vrezen,…

31:21

Gij verbergt hen in het verborgene van uw aanschijn
voor de samenscholingen der mensen;…

31:22

Geprezen zij de HERE,
want Hij heeft mij wonderbare goedertierenheid betoond
in de gloed der benauwdheid.

31:24

Hebt de HERE lief, al zijn gunstgenoten;
de HERE bewaart de getrouwen,
maar ruimschoots vergeldt Hij de trotsen.

31:25

Wees sterk en uw hart zij onversaagd,
gij allen, die op de HERE hoopt.


Dan komt de psalm tot een einde. Tot een conclusie. Het is ook de cadans van de dichter David. Hij is het die steeds maar weer ervaart, dat God goed is voor wie Hem vrezen. Hij heeft een schat voor hen bewaard. Geprezen zij de HERE, want Hij betoont Zijn goedertierenheid. Daar hoef je niet aan te twijfe­len. Hij verbergt je in het verborgene van zijn aanschijn. Daar zijn we veilig. Daar kan geen vijand komen. Daar lopen ze allemaal op stuk en zo moet het ook. Hoe kunnen we anders staande blijven in deze strijd, als we niet onvoor­waardelijk kunnen rekenen op de goedertierenheid en bescherming van God. Dat kan toch niet anders. Neen, dat kan inderdaad niet anders. God omringt je van voren en van achteren. Je bent onaantastbaar. Je bent gewapend in de geestelijke wapenrusting en alle brandende pijlen van de boze ketsen af. Dat is nog eens een bescherming. Als wij denken, ik ben verbannen uit zijn ogen, is Hij daar om ons te beschermen. In het heetst van de strijd geeft Hij ons de kracht om staande te blijven en het geeft dan niet wat voor strijd dat is. Het is God die je nooit met Zijn goedertierenheid in de steek laat. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Wat een genadige en beschermende God.

Daarom, hebt de HERE lief, al zijn gunstgenoten. We zijn genoten van zijn gunst. De HERE bewaart de getrouwen. Dat is vast en zeker. Daar hoef je niet aan te twijfelen, en dat doe je dan ook niet. Maar Hij vergeldt de trotsen. Dat is ook zeker. Dus pas op dat je niet bij de hoogmoedigen, bij de trotsen hoort. Laat je niet in de war brengen. Blijf bij God, wat er ook gebeurt. Laat je niet verleiden om in het kamp van de tegenstander terecht te komen, want dan kom je verkeerd uit. Hoe groot kan de verleiding niet zijn. Want het lijkt er vaak op dat de trotsen het beter hebben, dat het hen voor de wind gaat. Zij doen alsof ze de wereld in hun macht hebben en kijken neer op de kleinen, de ootmoe­digen. Maar de werkelijkheid is precies andersom. God ziet de zijnen. Hij is bij de verbrokenen van hart. De nederigen van Geest. Hij laat de gevangenen vrij. Hij troost de treurenden. Hij is daar waar de nood is. Hij laat de zijnen nooit in de steek, dat is een werkelijkheid waar we ons steeds weer naar moe­ten uitstrekken. En zijn we het kamp van de tegenstander genaderd, dan moet je je altijd weer indenken hoe het ook al weer was. Want de trotsen houden er een korte termijn politiek op na. Ze komen en ze gaan. Ze zijn als het gras, maar het Woord van God blijft tot in eeuwigheid. Daar kun je op bouwen. Dat is levend en krachtig. Dat scheidt vanéén. Dat is een licht op je pad en een lamp voor je voet. Opdat je niet struikelt, maar het licht des levens hebt. Dus wees sterk en onversaagd. Gij allen die op de HERE hoopt. Prijs de HERE!




Psalm 32:1-11

10 september [1]



32:1

Welzalig hij, wiens overtreding vergeven,
wiens zonde bedekt is;

32:2

welzalig de mens,
wie de HERE de ongerechtigheid niet toerekent,
en in wiens geest geen bedrog is.

32:3

Want zolang ik zweeg, kwijnde mijn gebeente weg…

32:5

ik zeide: Ik zal de HERE mijn overtredingen belijden,
en Gij vergaaft de schuld mijner zonde.

32:6

Daarom bidde iedere vrome tot U
ten tijde dat Gij U laat vinden;…

32:7

Gij bewaart mij voor benauwdheid,…

32:8

Ik leer en onderwijs u aangaande de weg die gij gaan moet;

Ik raad u; mijn oog is op u.

32:10

Talrijk zijn de smarten van de goddeloze,
maar wie op de HERE vertrouwt,
die omringt Hij met goedertierenheid.

32:11

Verheugt u in de HERE en juicht, gij rechtvaardigen;
jubelt allen, gij oprechten van hart.


Zo is het. Belijd je zonden. Je kunt er lang over doen of je kunt er kort over doen. Je kunt van allerlei smoezen naar voren halen om het niet te doen. Je kunt je eigen gelijk willen verdedigen. Je kunt je schoon praten. Je kunt dit of je kunt dat, maar het komt erop neer dat God alles ziet. Hij kent je zitten en je opstaan. Hij kent van verre je gedachten. Als je denkt dat je iets voor God kunt verbergen, vergeet het maar. Het ligt allemaal open voor Hem. Dat is niet bedreigend maar dat is bevrijdend. Want als dat dan zo is, dan hoef je je ook niet in allerlei bochten te wringen, kom er dan maar mee voor de draad en belijd je zonden. Want Hij is een vergevend God. Hij wil niet dat de zondaar verkwijnt of ten onder gaat. Hij wil redden en behouden. En het is bevrijdend als je je ongerechtigheden voor de HERE belijdt. Dat heeft David ervaren. Op zonde komt de straf, maar het offer van de HERE Jezus reinigt ons van alle zonden. Er komt geen einde aan de vergevende genade van God. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.

Dat is God. Hij gaf alles wat Hij had. Want Hij weet hoe hardnekkig de duivel is om de boel kapot te maken. Die kan je stuk maken voordat je je zonden be­lijdt. Die zal alles doen om te voorkomen dat je je zonden belijdt. Die zal er alles aan doen om je in de zonde te houden. En daar weten we allemaal van. Daarom is deze psalm een heerlijke, eerlijke, openbarende, psalm. Want het is waar, dat als we onze zonden niet belijden, ons gebeente wegkwijnt, dat het ons drukt. Je kunt het wegdrukken – en hoe gewiekst zijn we daar niet in – maar het vreet aan je. Je merg verdroogt, staat er, als in zomerse hitte en je wordt er niet blij van. Het neemt je krachten weg. Het is de drukkende liefde­volle hand van God die zegt, doe toch niet zo stom, kom er mee voor de draad. Je weet toch dat Ik een vergevend God ben. Maar je moet er wel mee komen. De boze krachten in je leven moet je krijgsgevangen maken door het bloed van Jezus. Dat is de verlossende kracht, waarmee je gered door het leven kunt. Dat geeft je blijdschap en kracht, volharding, weerstand en alles wat goed is. Dat geeft je liefde en vrede in je hart, omdat God in je woont.

Daarom bidde iedere vrome tot U, ten tijde dat Gij U laat vinden. Zo moet ons gebed zijn. HERE, ik wil U aanroepen en bidden om vergeving. Ik wil U dan­ken voor het offer van uw Zoon. Gij zijt een vergevend God. U laat een bidder nooit in de steek. Want als wij onze zonden belijden, dan bent U een verhoor­der van gebeden. Dan komt U en herstelt U. Dan mogen we grote dingen ver­wachten. Dan kunnen de vijanden komen met een stortvloed van geweld en aanvallen, maar die zullen mij niet kunnen grijpen. Want U bent de overwin­naar. God is goed en nooit genoeg te prijzen Heerlijk Evangelie.

God leidt je op die weg. Uw Woord is de waarheid. Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad. Ik zal niet struikelen. U houdt mijn hand vast. Ik leer u, Ik onderwijs u aangaande de weg die gij gaan moet. Wees gehoorzaam! Talrijk zijn de smarten der goddelozen, maar als je op de HERE vertrouwt, omringt Hij je met goedertierenheid. Verheugt u in de HERE en juicht, gij rechtvaardigen; jubelt, allen, gij oprechten van hart. Het is feest in je hart en in je leven. Niets kan je scheiden van de liefde van God. En wat kan het tekeergaan in je leven, maar Gode zij dank, God laat je nooit in de steek. Het is feest. Zie je de feestgangers? Zie je de hemel? Hoor je het eeuwig halle­lujakoor. Het is al feest en het wordt steeds mooier. Glorie voor uw Naam!



Psalm 33:1-22

11 september [1]



33:1

Jubelt, gij rechtvaardigen, in de HERE…

33:3

Zingt Hem een nieuw lied,…

33:4

Want des HEREN woord is waarachtig,…

33:5

Hij heeft gerechtigheid en recht lief,
de aarde is vol van de goedertierenheid des HEREN.

33:6

Door het woord des HEREN zijn de hemelen gemaakt,…

33:7

Hij legt watervloeden in schatkamers op.

33:8

De ganse aarde vreze voor de HERE,…

33:9

Want Hij sprak en het was er,
Hij gebood en het stond er.

33:10

Hij verijdelt de gedachten der natiën;

33:11

de raad des HEREN houdt eeuwig stand,…

33:12

Welzalig het volk, welks God de HERE is,
de natie, die Hij Zich ten erfdeel koos.

33:13

Hij slaat alle mensenkinderen gade;…

33:15

Hij, die hun aller harten vormt,…

33:16

Geen koning wordt behouden door een machtig leger,…

33:18

Zie, des HEREN oog is op hen die Hem vrezen,…

33:20

Onze ziel verwacht de HERE,
Hij is onze hulp en ons schild.

33:21

Ja, in Hem verheugt zich ons hart,
ja, op zijn heilige naam vertrouwen wij.

33:22

Uw goedertierenheid, HERE, zij over ons,
gelijk wij op U hopen.


Deze psalm zou je uit je hoofd moeten leren. Want het is inderdaad waar. Het komt allemaal van de HERE. Hij heeft de hemel en de aarde geschapen, de zee en al wat daar in is. Hij heeft de zon en de maan gesteld, Hij heeft de zeeën gemaakt. En zie het was zeer goed. Het is prachtig. Hoe kunnen we niet genieten van de schoonheid van de schepping? Kunnen wij iets toevoegen aan de golven? Kunnen wij de kolken van de waterstromen tegenhouden? De gan­se aarde vreze voor de HERE. Want als wij moeten erkennen, dat het niet onze kracht is die de aarde gemaakt heeft, maar dat het door de adem van zijn mond is gebeurd, dan mogen we wel eens een toontje lager zingen. God sprak en het geschiedde. Zijn Woord is de waarheid. Maar wij zijn vaak eigenzinnig. Wij denken dat het allemaal met ons verstand is te doorzien. Dat is een drogreden. Zo werkt dat niet. Het is belachelijk om dat te denken. Het is het meest van­zelf sprekende dat er een God is, Die alles gemaakt heeft. Dan moet ons eigen ik capituleren en dat is moeilijk. Dan gaan we er zelf aan. Dan zit er iemand anders op de troon.

We kunnen de HERE loven en prijzen. Hem een nieuw lied zingen. Want Zijn Woord is waarachtig. Daar word je blij van en het maakt je vrolijk. Want dan zie je alles in het perspectief van Hem, van zijn grootheid en luister en maje­steit. Heerlijk is zijn Naam! Hij zit ook vandaag op de troon. Hij spreekt en het gebeurt.

En dan verbreekt de HERE de raad der volken. Hij verijdelt de gedachten der natiën. De raad des HEREN houdt eeuwig stand. En die raad, die hoger is dan onze gedachten, bepaalt het wereldgebeuren. Die volvoert zijn plan en zijn plan is te lezen in zijn Woord. Daarom lezen, lezen en nog eens lezen. Elke dag maar weer. Niet als dwang, maar genieten van en studeren in de openba­ring die in zijn Woord staat. Als een houvast. Om zicht te krijgen op Hem. Want we moeten eens en vooral weten dat wij niet de Bijbel lezen, maar dat de Bijbel ons leest. God leest ons. Hij kent onze harten, Hij ziet van uit Zijn hoge hemel de harten van alle mensen aan. Hij doorgrondt al onze werken. Wat een kracht. Wat een grootsheid. Want Gods ogen doorlopen de ganse aarde om krachtig bij te staan, hen wier hart volkomen naar Hem uitgaat. God is groot en nooit genoeg te prijzen. Hoe is het mogelijk, maar het is waar. En Messias Jezus zei, toen de discipelen bedroefd waren omdat Hij moest lijden en sterven: Het is beter dat Ik heenga, want al Ik heenga dan komt de Trooster, de Heilige Geest en Die zal altijd bij u wonen. Deze zal u de weg der waarheid aanwijzen. Hij zal u openbaren wat gij weten moet. En zo is dat. Hij wijst ons de weg. Wij zijn geborgen in Christus in God. Wat een zekerheid, een rust geeft dat, om te weten hoe de koers van ons leven is. Het is éénrichtingsver­keer naar de Hemelpoort. Prachtig! Heerlijk! Daar word je blij van. Glorie voor zijn Naam! Prijs de Heer!

Het zijn niet de legers der volken die de overwinning behalen. Neen, het is de HERE Die de legers leidt en in zijn plan laat passen. Het heeft alles te maken met de voleinding der wereld. Daar is alles wat op aarde gebeurt aan onder­hevig. Daarom is het belangrijk om je hart en je hoofd opwaarts te heffen en op Jezus te zien. Zie, des HEREN oog is op hen die Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen. Om hun ziel van de dood te redden, en hen in het leven te houden zelfs in de felste nood.

Onze ziel verwacht de HERE, Hij is onze hulp en ons schild. Ja, in Hem ver­heugt zich ons hart, ja, op Zijn heilige Naam vertrouwen wij. Uw goedertie­renheid, HERE, zij over ons, gelijk wij op U hopen.




Psalm 34:1-23

12 september [1]



34:1

toen hij zich bij Abimelech als een waanzinnige gedroeg,…

34:2

Ik wil de HERE te allen tijde prijzen,
bestendig zij zijn lof in mijn mond.

34:5

Ik zocht de HERE en Hij antwoordde mij.
Hij redde mij uit al mijn verschrikkingen.

34:8

De Engel de Heren legert Zich
rondom wie Hem vrezen, en redt hen.

34:9

welzalig de man die bij Hem schuilt.

34:10

want wie Hem vrezen, hebben geen gebrek.

34:11

maar wie de HERE zoeken,
hebben geen gebrek aan enig goed.

34:12

ik zal u de vreze des HEREN leren.

34:14

Bewaar uw tong voor het kwade…

34:15

wijk van het kwade en doe het goede,
zoek de vrede en jaag die na.

34:16

De ogen des HEREN zijn op de rechtvaardigen,…

34:17

het aangezicht des HEREN is tegen hen die kwaad doen,…

34:19

De HERE is nabij de gebrokenen van hart
en Hij verlost de verslagenen van geest.

34:20

Talrijk zijn de rampen van de rechtvaardige,
maar uit die alle redt hem de HERE;

34:21

Hij behoedt al zijn beenderen,
niet één daarvan wordt gebroken.

34:23

De HERE verlost de ziel van zijn knechten,
allen die bij Hem schuilen, zullen niet boeten.


Als er één was die weet wat het is om in de ellende en de druk te zitten dan is het David wel. Wat heeft hij in de rats gezeten, toen Saul achter hem aanzat en hem probeerde te doden. En later de ruzie in zijn familie met zijn zoon Absa­lom. Wat heeft hij meegemaakt toen hij verkeerd ging met Bathseba. Het kost­te hem het kind. Dat is verschrikkelijk en daar word je toch moedeloos van. Dan zie je het toch niet meer zitten. Dan kun je niet meer bidden. Dan geef je God de schuld. Dan roep je waarom, met een verwijtende gedachte naar God, want God is toch een God van wonderen? Hij kan er toch wat aan doen en zo is het ook. God doet grote wonderen. Hij heeft de hemel en de aarde gemaakt God is goed en niet genoeg te prijzen.

Maar deze psalm, zoals zo vele psalmen, beginnen met de HERE God te lo­ven. Want als je gaat ontdekken, dat God alleen maar het goede wil geven aan hen die tot Hem roepen, dan besef je dat het kwaad niet van God komt, maar dat Hij je wil steunen en helpen om door dit tranendal heen te komen. Het gaat er alleen maar om, dat je sterk in Hem wordt. Dan ontdek je dat Hij het is Die in de strijd van jouw leven naast je staat en je vasthoudt en je met zijn Woord en Geest op het pad der waarheid en redding houdt. Een heerlijk evangelie. Hij gaf Zijn Zoon in de dood om onze zonden te verzoenen. Want waar zonde is, is straf. En wij verdienen de dood. Er moet geofferd, verzoend worden. Dat is de weg naar de vrijheid en de bevrijding. Waar schuld beleden wordt, daar ontstaat nieuw leven. Daarom roept David het hier ook uit, na de gebeurtenis bij Abimelech. Ik beroem mij in de HERE. Laten de ootmoedigen het horen en zich verheugen. Let niet op de schreeuwerige hoogmoedigen, die je er onder proberen te werken. God zit op de troon. God is met de ootmoedigen van hart. Dat is wat David ervaren heeft in al zijn strijd en daar heeft hij het hier over. Daarom kunnen we de HERE te allen tijde prijzen.

De Engel des HEREN legert zich rondom wie Hem vrezen en redt hen. Heeft u er wel eens aan gedacht dat de Engel des HEREN zich rondom ons legert? En dan Hij ons redt. Het staat hier toch, dus het is zo! Soms openbaart die Engel des HEREN zich ook. Er zijn verschillende voorbeelden in de Bijbel waar dat gebeurt. God is goed. Hij openbaart zich door zijn Woord en Geest. En de Geest woont in ons. Dat is een onvoorstelbare werkelijkheid. Dat is de waarheid van waaruit wij mogen leven. Jezus in je hart. Waar je ook bent, daar is Jezus en Hij openbaart Zijn kracht in onze zwakheid. Hij troost ons. Hij beschermt ons juist op die plaatsen en momenten, dat het heel moeilijk is. De HERE is goed. Vreest de HERE, gij, zijn heiligen, want wie Hem vrezen hebben geen gebrek. Je zult volledig ervaren dat je het goed hebt. Wie de HERE zoeken hebben geen gebrek aan enig goed. Je verheugt je in de HERE. Dat is je vreugde. Dat is je goed. Waarom zijn wij toch vaak helemaal vastge­ketend aan zaken die ons helemaal in de greep hebben? Daar gaan we dan ook geestelijk aan kapot. Het is onvoorstelbaar.

Kom dan ook. Ik zal je de vreze des HEREN leren. Dan moet je leven en je tong voor het kwade bewaren. Wijk van het kwade en doe het goede, zoek de vrede en jaag die na. Dat is duidelijke taal. Dat heeft niets met vrezen te ma­ken. Dat is gewoon doen wat God zegt. De geboden van God zijn goed voor alle mensen. Gewoon doen wat Hij zegt. Heerlijk evangelie. Doe het maar, dan zul je zien dat het werkt.

Want de ogen des HEREN zijn op de rechtvaardigen, en zijn oren op hun hulpgeroep. Zou God ons dan niet horen? Hij hoort ons. Hij is dicht bij ons. Hij redt ons uit alle benauwdheden. Ze kunnen je leven nemen, maar God blijft in je leven. Hij is je redding. God is goed! De HERE is nabij de gebro­kenen van hart en Hij verlost de verslagenen van geest. Dat is Messiaanse taal. Hij kwam voor de verbrokenen van hart. Hij zet de gevangenen vrij. Hij troost de ootmoedigen. Zalig zij, die vervolgd worden om mijns Naams wil. Hij is bij hen. Het is de grote troost en zekerheid dat God altijd bij ons is. Hij helpt ons. Hij verlost ons. Hij richt ons op. Talrijk zijn de rampen van de rechtvaar­dige en je denkt waar moet dat heen. Maar uit alle redt de HERE. Want Hij laat je nooit in de steek. Hij bouwt je op. Hij behoedt al je beenderen, niet één daarvan wordt gebroken. Dat brengt ons bij het kruis. Ze braken zijn beende­ren niet. Het is Messiaanse, profetische taal, in deze psalm. Het is de aankon­diging, de bevestiging van onze redding, door het bloed van het Lam aan het kruis. Het is vast en zeker. En het is geschied. Het is volbracht. De verlossing is zeker. Heerlijk evangelie. Prijs de HERE! God is goed!

Het onheil doodt de goddeloze en wie de rechtvaardigen haten, zullen er voor boeten. Hun rijk van trots en hoogmoed zal vallen. Het zal daarmee afgelopen zijn. Gods Koninkrijk breekt baan. De HERE richt Zijn Koninkrijk op. Hij komt met duizelingwekkende vaart. Het is fantastisch. Het is heerlijk. Glorie voor zijn Naam! We kunnen er met deze psalm weer tegen. Rustig blijven in de bescherming en de almacht van God. Niet naar links of naar rechts buigen, maar naar de stem luisteren die achter jou je wijst om op zijn pad te gaan. Want zijn Woord is een lamp voor je voet en een licht op je pad. Vertel Hem je plannen, dan zal Hij je paden recht maken. Zo werkt het. Je moet het ge­woon in praktijk brengen. En word je van de weg af getrokken, klauter er weer op. Want Hij trekt je met de koorden van zijn liefde. Hij laat je niet vallen. Hij staat altijd met de reddingsboei van zijn reddende liefde klaar. Glorie voor zijn Naam! Prijs de HERE!




Psalm 35:1-18

13 september [1]



35:1

Twist, HERE, tegen wie met mij twisten,
bestrijd wie mij bestrijden.

35:3

zeg tot mijn ziel: Ik ben uw verlossing.

35:5

Laten zij worden als kaf voor de wind,
wanneer de Engel des HEREN hen neerstoot;…

35:7

zonder oorzaak dolven zij een kuil voor mijn leven.

35:8

het net, dat hij verborgen had, vange hemzelf,…

35:9

Maar mijn ziel juicht in de HERE,
jubelt in zijn verlossing;

35:10

al mijn beenderen zeggen:
HERE, wie is als Gij,…

35:13

ik verootmoedigde mij met vasten,…

35:14

zo liep ik rond;
in het zwart gaande als in rouw over een moeder,
zo boog ik mij neder.

35:16

Een kring van goddeloze spotters
knarsten de tanden tegen mij.

35:17

Hoelang, Here, zult Gij toezien?
Verlos toch mijn ziel van hun verwoestingen,…

35:18

Dan zal ik U loven in een grote gemeente,
onder een geweldige schare U prijzen.


Laten beschaamd en te schande worden, wie mij naar het leven staan. Twist, HERE, tegen wie met mij twisten, bestrijd wie mij bestrijden. Dat is duide­lijke taal. Dat is God oproepen en op zijn Woord vertrouwen. Hij zal ons niet verlaten. Hij zal ons beschermen. Hij zegent hen wie op Hem hopen. Dat zijn de zegenende en beschermende woorden van God. Je bent geborgen in Chris­tus in God. Ik ben met u tot aan de voleinding der wereld, heeft Hij beloofd. De HERE is nabij de gebrokenen van hart. Hij laat de zijnen niet in de steek. Niets kan ons scheiden van de liefde van Christus. Het zijn de woorden van de Bijbel. Het zijn de woorden van God. Het zijn de zegeningen, die van Hem neerdalen op ons en ons oprichten en staande houden in de strijd. Het is een strijd, want de tegenstander van God gaat tekeer als een briesende leeuw, zoe­kende wie hij kan verslinden. We hebben niet te strijden tegen vlees en bloed, maar tegen de boze machten in de hemelse gewesten. Laten we niet bang zijn, maar ons oog richten op Jezus, onze overste Leidsman en Verlosser. Strekt dan de knikkende knieën en maakt een recht spoor, opdat hetgeen kreupel is, in het lid gerake. Wat een oproep en troostende en bewarende woorden. We moeten niet bang zijn. We moeten sterk en moedig zijn. God is aan onze kant.

David twijfelt er ook niet aan dat God de goddelozen neerslaat. Die kunnen wel denken dat zij de macht in handen hebben. Maar zo is het niet, want God is almachtig. Hij spreekt en de goddeloze is uitgeroeid. Het lijkt of de meer­derheid de minderheid knecht. Wat zouden we moeten doen als God niet zou ingrijpen? Maar God is goed en niet genoeg te prijzen. Glorie voor zijn Naam! We moeten nooit twijfelen aan de almacht van God. We kunnen in de druk zitten. We kunnen in rouw rond gaan, in zak en as. We kunnen vastende de nood bij de HERE brengen, maar we moeten nooit denken dat God niet bij machte is om een einde te maken aan de verdrukking. God is goed. God is machtig. Strijd, HERE, die met mij twisten. HERE, doe er wat aan! HERE, help mij! HERE, laat mij niet in de steek! HERE, hef de bazuin! HERE, ga de strijd aan! En de HERE strijdt, want Hij heeft alles geweldig geschapen. We kunnen de HERE loven en prijzen, want Hij is goed. “Mijn ziel juicht in de HERE, jubelt in zijn verlossing; al mijn beenderen zeggen: HERE, wie is als Gij, die de ellendige redt van wie sterker is dan hij, en de ellendige en de arme van wie hem berooft?” Dat is nog eens taal. Herhaal: “…die de ellendige redt van wie sterker is dan hij, en de ellendige en de arme van wie hem berooft?” Vers 10. Wie is als Gij? En daar gaat het om. Wie is als Gij? Niemand en niets. Hij redt. Hij verandert de dingen. Hij maakt ons vrij. Hij is nabij de ver­brokenen van hart. Hij richt je op. Hij doet je Hem loven en prijzen tot op de vuilnisbelten van deze wereld.

Niets kan ons scheiden van de liefde van God. Het gaat niet om geld of goed. Het gaat om de almacht van de HERE, om Hem te loven en te prijzen. Glorie voor Zijn Naam! Wat een evangelie. Wat een Godsvertrouwen. Gaat dat ge­makkelijk? Neen, we zien het hier bij David. Hij twijfelt niet aan de almacht van God, maar Hij roept de HERE op om in zijn nood te helpen, zijn vijanden te bestrijden. God moet het doen. God weet wat het beste voor ons is. Hij laat ons nooit in de steek. Ook al is het moeilijk, want hoe kan het niet moeilijk in dit leven zijn? Maar dan is Hij nabij in de nood. Dan woont Hij op de bodem van ons hart, ook al zijn we gevloerd, ook al zijn we in zak en as. Al proberen de vijanden ons pootje te lichten. Maar dan is ons gebed, dat Hij ons verlost en dat ze mogen vallen in de kuil die ze voor ons gegraven hebben. Zo is het, en zo gaan we moedig verder. Want God is onze Rechter, God is onze Wetge­ver en God is onze Koning. Glorie voor zijn Naam!




Psalm 35:19-28

14 september [1]



35:20

Waarlijk, van vrede spreken zij niet,
en tegen de stillen in de lande
beramen zij bedrieglijke dingen,

35:21

zij sperren hun mond open tegen mij,
zij zeggen: Ha, ha! ons oog heeft het gezien.

35:22

Gij hebt het gezien, HERE, zwijg niet;
o Here, wees niet verre van mij.

35:24

Doe mij recht naar uw gerechtigheid, o HERE, mijn God,…

35:25

dat zij niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!

35:26

laten met schande en smaad bekleed worden,
wie tegen mij pralen.

35:27

Laten jubelen en zich verheugen,
wie mijn rechtvaardiging begeren;
dat zij bestendig zeggen: De HERE is groot,…

35:28

En mijn tong zal van uw gerechtigheid gewagen,
van uw lof de ganse dag.


De vijanden kunnen vaak zeer boos zijn. Ze kunnen hun haat in koelen bloede uiten. Ze zijn in staat om de vreselijkste dingen te beramen. Als haat en onge­rechtigheid bezit nemen van een mens, dan is hij nog erger dan een aanvallend beest. Het is verschrikkelijk wat mensen elkaar zonder blikken of blozen kun­nen aandoen. Ze staan erbij en zien het gebeuren en verroeren geen vin. Het is onvoorstelbaar. Daar is de geschiedenis vol van. Wat een wereld, wat een el­lende. Dat heeft David ook gezien. Hij weet het. De blinde haat van Saul en de haat van de Filistijnen. De meedogenloze laster en de woede gepraktiseerd. Als je in hun handen valt dan ben je nog niet klaar.

David roept het uit, roept de HERE, om in te grijpen, opdat zij niet kunnen zeggen dat zij het hebben gedaan om mij uit te moorden. Dat ze niet hun gelijk kunnen vieren. Voer mijn rechtsgeding, o God. En God moet het doen, want hoe kun jij als klein en nietig mensenkind opboksen tegen die meerderheid van heidenen? Dat is onmogelijk, het gaat niet. Je gaat er kapot aan als je in eigen kracht tegen zo’n reus wil opboksen. Onmogelijk. De vijand ligt op de loer om steeds opnieuw en steeds weer, listig de kinderen Gods te vermorze­len. Maar dat lukt hen niet, want God zit op de troon en dat vergeet David niet. Daarom moeten wij dat ook nooit vergeten. We leven wel in deze wereld, maar we zijn niet van deze wereld. Deze wereld vergaat. En alles wat met zon­de, dood en ongerechtigheid te maken heeft, zal vergaan. Dat staat vast. God troont in de hemelen en Hij volvoert Zijn plan van recht en gerechtigheid.

Wij moeten niet naar links of naar rechts buigen, als we het geweld en de list en het bedrog van de tegenstander horen. Het is onvoorstelbaar wat we alle­maal horen, maar we moeten heel eenvoudig op Hem aanlopen en niet bang zijn. Op Hem pleiten met een onwrikbaar verlangen en een grote zekerheid, dat Hij de Overwinnaar is. Dat Hij voor ons strijdt. Dat Hij ons nooit in de steek laat. Hij strijdt met onze vijanden. Hij voert een strijd die naar de over­winning voert. We zien het voor onze ogen. We zien het om ons heen. We leven vanuit de profetie van het komende Koninkrijk van recht en gerechtig­heid. Profetie op profetie zien we voor onze ogen voltrekken. We zien nog door een spiegel in raadselen, en straks zullen we ten volle zien. Wat gezien kan worden van God, is zijn almacht en zijn genade en zijn troost. Want we liggen niet neer in vernedering, we zijn niet in de minderheid, we zijn geen nietig mensenkind. Dat allemaal, omdat God in Zijn grote liefde en genade zijn Zoon gezonden heeft, opdat we eeuwig zouden leven. Hij heeft de Troos­ter, de Heilige Geest gezonden, opdat Hij altijd bij ons zou wezen en ons de woorden te binnen zou brengen, die we moeten spreken.

Dan weten we dat er een gevecht gevoerd wordt op leven en op dood, maar wij zijn geborgen in Christus in God. Dat is de schuilplaats van de Allerhoog­ste. Daar ben je onaantastbaar. Daar ben je temidden van de strijd veilig. Van daaruit roep je God aan en vraag je God om haast te maken met het uitroeien van de goddelozen. Dan roep je Hem aan, dat mensen zich zullen bekeren en de weg ten leven vinden. Daar kan het leven niet stuk. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Wat een God. Wat een psalm. Laten zij beschaamd staan, die mij te schande maken. HERE grijp in, doe hen zwijgen. Vaag hen weg. Laten wij juichen en ons verheugen, wie mijn rechtvaardiging begeren; dat zij bestendig zeggen: De HERE is groot. En zo is het en niet anders. Dan loven we en prijzen Hem de hele dag.




Psalm 36:1-13

4 april [2]



36:5

op zijn legerstede beraamt hij onheil,…

36:8

Hoe kostelijk is uw goedertierenheid, o God;
daarom schuilen de mensenkinderen
in de schaduw uwer vleugelen;…

36:10

Want bij U is de bron des levens,
in uw licht zien wij het licht.

36:13

zij zijn neergestoten en kunnen niet opstaan.


De zonde kan een mens volkomen in de greep hebben. Dat lezen we in deze psalm. De boze beraamt onheil op zijn legerstede. Stel je dat eens voor. ’s Nachts ligt hij te denken welke rottigheid hij de volgende dag weer uit kan halen. Over lijken gaat hij als het om zijn eigen belang gaat. De liefde gooit hij te grabbel en tegen de ander gaat hij tekeer. Zich als sterkste een weg ba­nend en de zwakkeren wegmaaiend. Maar de goedertierenheid van God is gro­ter, oneindig. Hoger kun je niet denken. Want er komt geen einde aan. Het is geweldig! En het is geweldig als we daarin blijven schuilen, onder de vleuge­len van de Here God. Dan kan niemand ons ook maar iets doen. Dat is gewel­dig. Daar is bij te leven. Dat is heerlijk. Blijf maar onder de vleugels van de Here God. Dan kan je, naar het vlees, wel van alles overkomen, maar je bent veilig en geborgen en blij naar de geest. Dat is het geheim van God. Dat is ook het geheim voor ons. Elke dag weer opnieuw. Heerlijk toch?

En dan die prachtige tekst uit Psalm 36 vers 10: “Want bij U is de bron des levens, in uw licht zien wij het licht.” “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven”, zegt Jezus. Als we in zijn licht, waarheid en leven blijven wandelen, dan zien we het licht in ons leven. Ons levenslicht is geborgen en beschut in de schaduw van de vleugelen van de Almachtige. Pas op, laat je niet meesleu­ren en misleiden door de werkers der goddeloosheid. Blijf bij koning Jezus. De werkers der ongerechtigheid zullen door God zelf worden neergestoten. Het is de HERE, Die boven alles staat. Maar blijf dichtbij Jezus, want daar is het goed toeven. Heerlijk toch om met deze psalm verder te gaan?




Psalm 37:1-20

5 april [2]



37:4

verlustig u in de HERE;
dan zal Hij u geven de wensen van uw hart.

37:5

Wentel uw weg op de HERE en vertrouw op Hem,
en Hij zal het maken;…

37:11

maar de ootmoedigen beërven het land
en verlustigen zich in groten vrede.

37:20

Voorwaar, de goddelozen gaan te gronde,…


God heeft Zijn oog gericht op de rechtvaardigen. Het kan wel lijken of de god­delozen alles voor het zeggen hebben. Maar dan hebben ze het mis. Dan heb­ben wij het mis. De HERE zegt: Zij gaan voorbij. Het kan kort of lang duren, maar ze gaan er aan. Hij roeit ze uit. Maar zij die de HERE gehoorzamen zul­len voor altijd leven. De rechtvaardigen beërven het land. Wijk dan van het kwade en doe het goede. Dat kunnen we ons allemaal aantrekken. Al de boze dingen wegdoen. Daarin zijn we niet gehoorzaam aan de HERE God. Dan zit­ten we ook zo in het kamp van de goddelozen. En de goddeloze gaat er toch aan. Deze psalm van David is een ernstige waarschuwing. Eigenlijk wordt steeds hetzelfde herhaald. De goddeloze vergaat, maar de rechtvaardige blijft voor eeuwig bestaan. Heerlijk om door deze psalm daarin bemoedigd te wor­den.

Soms lijkt het wel het omgekeerde, alsof het de onrechtvaardige goed gaat; voor de wind gaat. Hij kan van alles doen en grote rijkdom verzamelen en macht uitoefenen. Maar God zegt heel duidelijk: Pas op: Let daar niet op. Let op zijn daden. Alleen de daden van de rechtvaardige blijven in eeuwigheid. Heerlijk toch! Daar kunnen we het weer mee doen. Dank U, HERE! Ik wil me verlustigen in de HERE, dan zal Hij de wensen van uw en mijn hart geven. Wat een genade. Dat moeten we luid en duidelijk tegen onszelf en anderen zeggen en er ook uit leven. HERE wilt U de wensen van mijn hart vervullen? En vult Uzelf maar in wat uw wensen zijn.




Psalm 37:21-40

6 april [2]



37:24

wanneer hij valt, stort hij niet neder,
want de HERE schraagt zijn hand.

37:27

Wijk van het kwade en doe het goede,
dan zult gij voor altoos wonen;…

37:31

de wet van zijn God is in zijn hart,
zijn schreden wankelen niet.

37:34

Wacht op de HERE
en bewaar zijn weg,
dan zal Hij u verhogen om het land te beërven,
de uitroeiing van goddelozen zult gij met vreugde zien.

37:36

toen iemand voorbijging, zie, hij was niet meer…

37:40

de HERE helpt hen en doet hen ontkomen
Hij doet hen ontkomen aan de goddelozen en verlost hen,

want zij schuilen bij Hem.


De goddelozen, de machthebbers, de vijanden van God, doen alles om de kin­deren van God ook in hun macht te krijgen. Ze vervolgen ze, ze houden ze allerlei drogredenen voor. Ze verleiden met geld en macht. Dat is verleidelijk, want geld en macht en middelen lokken. Het is een grote verleiding. Maar hier klinkt de cadans: pas op, pas op. Het lijkt mooi. Maar de goddelozen zullen vergaan. Zij zijn er en ze zijn er niet meer. Maar de rechtvaardige blijft voor eeuwig bestaan.

De HERE helpt ons om te ontkomen. We zitten kennelijk in een gevaarlijk ge­bied. We worden kennelijk aangevallen. Maar Hij doet ons ontkomen. Zijn kracht gaat boven alles uit. Hij is niet te verslaan. Hij is de Overwinnaar over zonde en dood. Hij verlost ons. Hij doet ons ontkomen aan de goddelozen. Nou, en vul zelf maar in. Dat kan van alles zijn. Lees de tien geboden er maar op na. Hij redt ons uit alle verleidingen. Blijf bij Hem schuilen. Pas op! Want als je even uit deze schuilplaats gaat, komen de boze, goddeloze dingen en gedachten al weer boven en dan loop je weer averij op. Pas op, pas op! Daar moeten we niet te lichtzinnig over denken. Want in het licht van deze psalm is er dus een geweldige strijd gaande, met de bedoeling ons in het kamp van de goddeloze te krijgen. Pas op! Pas op!

We moeten de weg van de HERE bewaren. Hoe doe je dat? Door in zijn we­gen te wandelen. We moeten niet opgeven. We moeten zijn wegen bestuderen. Ze overpeinzen bij dag en bij nacht. Want er is ontzettend veel verleiding. Want de tegenstander van God probeert je te pakken. Vul zelf maar eens in wat dat in je eigen leven betekent. Maak maar eens een lijstje waar we ons hebben laten verleiden. We staan versteld over deze slimmerik. Maar deze psalm jaagt ons terug onder de vleugels van de Almachtige, daar is het veilig vertoeven. Heerlijk zo’n God te hebben.




Psalm 38:1-23

7 april [2]



38:2

HERE, straf mij niet in uw toorn,
en kastijd mij niet in uw grimmigheid;…

38:10

HERE, al mijn verlangen ligt voor U open
mijn zuchten is voor U niet verborgen;…

38:16

Want op U, HERE, hoop ik;
Gij immers zult antwoorden, HERE, mijn God.

38:22

HERE, verlaat mij niet,
mijn God, wees niet verre van mij!

38:23

Haast U, mij ter hulpe,
Here, mijn heil.


Ziekte is een vreselijke zaak. Je kunt je beroerd voelen. Van iedereen verlaten. Ja, zelfs van God verlaten. Deze zieke is er wel helemaal erg aan toe. Hij rot weg. Voelt zich verlaten van alle mensen om zich heen. Ziekte is een gevolg van de zonden. In het paradijs was geen ziekte, in de hemel zal geen ziekte zijn. Maar nu is er wel zonde. Wij zijn allen schuldig aan de zonde, aan de ziekte. Wij hebben gezondigd. Wij hebben God verlaten. We lijden allen aan de dood. De dood die de laatste prikkel is. En ziekte gaat veelal aan de dood vooraf. Wat een lijden in ons eigen leven en wat een lijden in de wereld. En wat doen we elkaar een lijden aan. Daar kunnen we zelf ook mee worstelen. De liefde is zo gemakkelijk ver weg en de haat, de afgunst, de concurrentie­zucht, verteert ons. Het staat alles Gods volmaakte liefde in de weg. HERE, help mij!

Deze zieke erkent dat alles voor God open ligt. Hij schreeuwt het uit in zijn nood. HERE, verlaat mij niet! God heeft alle reden om hem te verlaten. Want wij allen zijn des doods schuldig. Maar zijn barmhartigheid en genade houden ons dicht bij Hem. De zieke roept het uit: “HERE, verlaat mij niet, mijn God, wees niet verre van mij! Haast U, mij ter hulpe. HERE, mijn heil!”

Dat is de uitroep die in de grote nood van ons fysieke en psychische leven naar Hem mag en moet uitgaan. Temidden van al het lijden waaraan de schep­ping onderhevig is en wij dus ook. Wat kan dat al niet zijn in het leven van de mensen en ook in ons eigen leven. Dan moeten we blijven uitroepen: HERE, verlaat mij niet! Want het ergste zou zijn als wij de HERE loslaten en onze eigen weg gaan. Hoe zijn we dat in de nood niet geneigd! Daarom: “HERE verlaat mij niet, mijn God, wees niet verre van mij! Haast, u mij ter hulpe, HERE, mijn heil!” Dank U, HERE, dat U nooit verre wilt zijn van hen die naar U uitroepen. Dank U wel HERE. Dank U wel. Ik vlucht naar U.




Psalm 39:1-14

8 april [2]



39:6

mijn levensduur is als niets voor U:…

39:7

Ja, de mens gaat daarheen als een schaduw,…

39:8

En nu, wat verwacht ik, Here?
Mijn hoop, die is op U.

39:9

Red mij van al mijn overtredingen,…

39:13

Hoor mijn gebed, HERE, en neem mijn hulpgeroep ter ore,…


We lezen in deze psalm dat David onder grote druk zit van de goddelozen. Be­sluit om zijn mond te houden en niet te klagen of God de schuld te geven. Maar als het hem te heet onder de voeten wordt, dan begint hij toch tegen de goddeloze in te praten. En een stuk zelfbeklag te uiten. Ook geheel begrijpe­lijk, want de goddelozen kunnen je van alles aandoen, waardoor je buiten zin­nen raakt. Hij laat zich toch verleiden om tegen te spreken, en dan eigenlijk ook tegen Gods wil en gedachten in te gaan. De vraag van het waarom van het lijden in ons leven, is nooit te beantwoorden. Opstandigheid is een strik om je van God af te trekken en daar gaat het hier dan ook om.

We moeten de hulp van de HERE inroepen, keer op keer, want anders gaat het gegarandeerd mis en hoe vaak gaat het niet mis? Daarom zegt hij ook aan het einde: “Neem mijn hulpgeroep ter ore,… want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner gelijk al mijn vaderen.” We moeten schuilen bij de HERE en steeds opnieuw ons corrigeren en inzetten om ons niet te laten meesleuren met het denken en doen van de wereld. Heel eenvoudig achter Jezus aangaan. Glo­rie voor zijn Naam!




Psalm 40:1-6

9 april [2]



40:2

Vurig verwachtte ik de HERE,…

40:3

Hij trok mij op uit de kuil van het verderf,…

40:4

Hij gaf mij een nieuw lied in de mond,
een lofzang aan onze God.

40:5

Welzalig de man,
die de HERE tot zijn vertrouwen heeft gesteld,…

40:6

Talrijk hebt Gij gemaakt, o HERE, mijn God,
uw wonderen en uw gedachten jegens ons;…


Zo komen we bij Psalm 40. Het zijn allemaal kleinoden van grote waarde. Pa­rels om bij te leven. Heerlijke liederen. Al uit de tijd van David. Een klassie­ker. Waar de Mattheüs Passion niets bij is. Ze hebben ze in de tijd van David gezongen. Ze hebben ze vandaag gezongen. Ze hebben ze in tijden van nood en in tijden van voorspoed gezongen. Eeuwige psalmen. Psalmen zijn de schatkamer van de gemeente, toen en nu en tot in eeuwigheid.

Het is de HERE Die het doet. Roep Hem aan en Hij zal je verlossen. Hij trekt je op. Hij brengt je dicht bij Hem. Hij geeft je een nieuw lied in de mond. Op U, HERE, vertrouwen we. Mogen de mensen zien dat wij op de HERE ver­trouwen in alle omstandigheden des levens? Vertrouw op de HERE, met je ganse hart.

Niet afdwalen naar hoogmoed en naar leugen. Gods hulp is groots. Er komt geen einde aan. Als je uit de HERE leeft zul je het ook zien. Dan word je hele leven een wonder en een aaneenschakeling van wonderen en zegen. Het ergste wat je kan overkomen is dat je afdwaalt uit het centrum van Zijn wil. Daar moeten we onszelf en elkaar in bemoedigen en voor waarschuwen. Dat bete­kent heel simpel dicht bij het Woord van God blijven. Want daarin zit alle wijsheid en waarheid en kracht. Je komt bij één conclusie uit, dat Jezus de Koning is Die we maar beter kunnen navolgen. We zullen er nog veel meer van horen. Prijs de Heer!




Psalm 40:7-18

10 april [2]



40:9

ik heb lust om uw wil te doen, mijn God,
uw wet is in mijn binnenste.

40:14

Het behage U, HERE, mij te redden;
HERE, haast U mij ter hulpe.

40:18

Al ben ik ellendig en arm,
de HERE gedenkt mijner.
Gij zijt mijn hulp en mijn bevrijder;
o, mijn God, vertoef niet.


Je kunt in grote nood zitten. Ze kunnen je van alle kanten belagen. En wat kan je niet tegen zitten? De strijd is vaak zo moeilijk. Je kunt een zware ziekte hebben, zoals in de vorige psalm. Je kunt tegenslag in je beroep of je zaak hebben. En wat al niet? Maar dan moet je je verlaten op de Heer. Bij Hem blijven, ook al begrijp je niet het hoe en het waarom en het waartoe. Want de zonde heerst in dit leven en de duivel gaat rond als een briesende leeuw, zoe­kende wie hij kan verslinden. Hij zal alle trucs uit de kast halen om de kinde­ren Gods te verzoeken. Het is een strijd op leven en dood. Maar David roept uit naar de HERE of Hij hem wil verlossen uit de macht van zijn tegenstan­ders. Hij weet dat alleen God dat kan doen. Er is geen aanklacht. Want God heeft het goede voor met Zijn kinderen. Hij wil ze zegenen. Het ergste zou zijn als je uit de bescherming van de HERE valt. Dan kom je ook in het kamp van de tegenstander terecht. Dan heul je mee met de wolven in het bos en dat is levensgevaarlijk, eeuwig levensgevaarlijk.

Daarom eindigt David dan ook: “Al ben ik ellendig en arm, de HERE gedenkt mijner, Gij zijt mijn hulp en mijn bevrijder; o mijn God, vertoef niet.” Hoe kunnen we niet verlangen naar uitkomst. Uitredding. Het gaat erom dat we de HERE God blijven aanlopen als enige Redder. Er is niemand anders die kan redden. De ander is de tegenstander van God, die het ons wel steeds moeilijker zal proberen te maken en heel wat macht heeft om een hoop ellende te veroor­zaken. Maar God staat daarboven.

Als we beproefd worden, dan is het doel, dat we dichter bij God terecht ko­men. En is het ook niet waar dat we zien hoe door lijden heen mensen dichter bij God komen? God wil Zich openbaren in de zwakken van geest. Het is heerlijk een God te hebben, Die omziet naar de verdrukten en de hongerenden. Hij kwam om het verlorene te zoeken. “O, mijn God, vertoef niet.”

Hij kwam voor de verbrokenen van hart, zoals Jesaja 61 zegt. Hij nodigt uit: Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt




Psalm 41:1-14

11 april [2]



41:2

Welzalig hij die acht slaat op de geringe;
ten dage des onheils zal de HERE hem uitkomst geven;

41:5

Ik zeide: HERE, wees mij genadig,
genees mij, want tegen U heb ik gezondigd.

41:11

Maar Gij, HERE, wees mij genadig en richt mij op,…

41:14

Geloofd zij de HERE, de God van Israël,
van eeuwigheid en tot in eeuwigheid.
Amen, ja amen.


Hoe het precies zit met de relatie tussen ziekte en zonde weet ik niet. Moet ik nog meer over lezen. Ziekte hoort niet bij het leven. Dood hoort niet bij het leven. Het leven behoort bij het eeuwigheidsleven. Leven zal weer hersteld worden als de laatste prikkel, de dood, overwonnen zal zijn. Op het kruis van Golgotha is de dood overwonnen. Halleluja, de dood is overwonnen. Gelovi­gen zullen de dood niet zien! Ons lichaam sterft, maar onze ziel en geest niet. Wij leven in eeuwigheid.

Ziekte hoort bij de zondeval. En als de ziekte ons overvalt zijn wij onderdeel van die zonde. Soms is het een rechtstreeks gevolg van eigen persoonlijke zonde. Soms ook niet aanwijsbaar, maar we zijn onderdeel van de zonde. Zo­als ieders leven aan de zonde en de dood onderworpen is. Het is verschrikke­lijk hoeveel lijden er kan zijn. We hoeven maar even om ons heen te kijken en zien onvoorstelbaar lijden. Maar David roept het uit naar de HERE. Hij kan niet hebben dan anderen hem daarom lasteren en door hem te lasteren ook zijn hemelse Vader lasteren. Hij roept uit naar God.

Maar hij begint met een loflied. “Welzalig hij die acht slaat op de geringe.” Dat kan ook vaak een zwakke, een zieke zijn. Zie naar hen om. Dat is onze taak. We moeten niet de zwakken vergeten, omdat we er niet zoveel aan heb­ben, omdat het lastig is. Omdat het ons niet uitkomt. Daar zit het leven vol van. De eenzaamheid van de zwakke, de zieke, de weduwe, de wees, de arme, de oudere, is groot. We hebben er haast geen oog meer voor. We gaan er aan voorbij in de jacht van het leven en het televisiekijken en internetverkeer. Al­les gaat veel sneller. Alles kan veel beter. We konden nog nooit zo goed com­municeren als nu en toch: De eenzaamheid en de ellende is nog nooit zo groot geweest. Wat willen we toch?

We moeten de zieke niet alleen laten, zoals David klaagt. We moeten elkaar in de zware dagen bemoedigen. Daar gaat het om. De zieke zal dan ook gesterkt worden en wijzelf daarbij. Kracht van de HERE vragen. De HERE God ook samen aanlopen om verder te kunnen, om uitgered te worden. Het is zo be­langrijk om aan het ziekbed te zitten. David komt dan ook ondanks zijn ern­stige ziekte uit bij de lofprijzing: “Geloofd zij de HERE, de God van Israël, van eeuwigheid tot in eeuwigheid!” En zo is het. Amen!




Psalm 42:1-12

18 april [2]



42:2

Gelijk een hinde die naar waterbeken smacht,
zo smacht mijn ziel naar U, o God.

42:3

Mijn ziel dorst naar God,
naar de levenden God;
wanneer zal ik komen
en voor Gods aangezicht verschijnen?

42:4

Mijn tranen zijn mij tot spijze
dag en nacht,
daar men de ganse dag tot mij zegt:
Waar is uw God?

42:5

Hieraan wil ik denken
en mijn ziel in mij uitstorten:
hoe ik optrok in de dichten drom,
voor hen uit schreed naar Gods huis,
bij jubelklank en lofgezang –
een feestvierende menigte.

42:6

Wat buigt gij u neder, o mijn ziel,
en zijt gij onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem nog loven
mijn Verlosser en mijn God!

42:7

Mijn ziel buigt zich neder in mij,
daarom gedenk ik Uwer
uit het land van de Jordaan en de Hermonbergen,
uit het klein gebergte.

42:8

Watervloed roept tot watervloed
bij het gebruis uwer stromen;
al uw baren en golven
slaan over mij heen.

42:9

Des daags zal de HERE zijn goedertierenheid gebieden,
en des nachts zal zijn lied bij mij zijn,
een gebed tot de God mijns levens.

42:10

Ik wil tot God, mijn rots, zeggen:
Waarom vergeet Gij mij?
Waarom ga ik in het zwart
vanwege des vijands onderdrukking?

42:11

Met een doodsteek in mijn beenderen
honen mij mijn tegenstanders,
doordat zij de ganse dag tot mij zeggen:
Waar is uw God?

42:12

Wat buigt gij u neder, o mijn ziel,
en wat zijt gij onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem nog loven,
mijn Verlosser en mijn God!


Een diepe Psalm. Het is ook deprimerend als de mensen steeds roepen: Waar is uw God? Met de gedachte: ‘Hij is er toch niet, ha, ha, ha’. Spotten. En er zijn wat spotters. Ze spotten ook aan het kruis met Jezus. En wat wordt er ook nu niet gespot. Verschrikkelijk. Daar kun je ook verdrietig van worden. Ik denk dat de psalmist er ook verdrietig van was. Misschien zit hij wel in nood. Misschien hebben ze hem wel in het nauw gebracht. Wat kun je soms in het nauw zitten. Wat kunnen de mensen dan opdringen. En tegen je tekeergaan.

Maar dan mogen we ons ook herinneren, hoe we met God en zijn kinderen de vreugde van de gemeenschap en het samen optrekken beleven. En als we verder teruggaan. Hoe we ons kunnen verlustigen in de grote daden die de HERE gedaan heeft. Fantastisch. Het is een prachtige psalm.
“Hoop op God, want ik zal Hem nog loven.”
Terug naar God. Terug naar God.
“Mijn ziel buigt zich neder in mij.”
Het waarom kan opwellen. En bij wie niet. Het grote ‘Waarom?’ Maar dan toch:
“Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God.”
Heerlijk! Mijn Verlosser en mijn God.

God laat ons niet in de steek. Hij wil altijd bij ons zijn. Wat een heerlijkheid. Wat een belofte. We kunnen deze psalm zingen in alle omstandigheden. Ik vind de melodie ook zo goed. Het is een fantastische psalm. Het is een eerlijke psalm. We hoeven niet altijd op de berg te zitten. Maar God is er altijd. Hij wil ons helpen. En dat is genoeg. Dat is de redding. “…mijn Verlosser en mijn God.”

Je bent in de druk. Je ziet het niet meer zitten. Het lijkt of God je verlaten heeft. Je hebt het slecht. De vijanden liggen op de loer. En de mensen om je heen honen God: ‘Waar is nou je God?’ Het is als Jezus aan het kruis. ‘Als je dan de Koning der Joden bent, kom dan af van het kruis.’ Dan ben je toch in staat om alles naar je hand te zetten? Maar nee. Het lijden van Jezus was de verzoening van de zonden der wereld. Dat is vandaag nog zo. Niets kan ons scheiden van de liefde van Christus. Zelfs de dood niet, zegt Paulus aan het einde van Romeinen 8. Nou, dat is nog al wat. Dat is ook de hoop en de troost van deze psalmdichter en dus ook van ons.

O mijn ziel, wat buigt gij u neder. Waartoe zijt g’in mij ontrust. De psalmdich­ter verlangt naar God als een hinde die smacht naar het water van de waterbe­ken. Als je dorst hebt dan wil je alles wel doen om water te vinden. Water is een noodzaak om in leven te blijven. De hinde smacht. Zo smacht de dichter naar God. Het is een diep intens verlangen, met alles wat in hem is roept hij. Maar God is er niet. En kijk, daar staan de vijanden die schamper zeggen, waar is nu je God? Je hoort het ze zeggen. Als God bestond… waarom dan dit en dat? En als God dit of dat, waarom is dan deze situatie? Neen, God bestaat niet. Je kunt het er nu wel over hebben, maar echt, God bestaat niet. En dat is dan nog tot daar aan toe, maar de mensen die Hem openlijk honen en bespot­ten, dat snijdt helemaal door je hart.

De dichter denkt aan de tijd dat hij met de pelgrimgangers optrok naar Jeruza­lem. Dat was nog eens een feest. Daar klonken de liederen, dat was echt feest. Fantastisch die hele stoet op weg naar de tempel in Jeruzalem. Als je daar aan denkt dan word je blij. Dat kan niet stuk. En het is alsof hij zijn eigen conclu­sie trekt. Waarom ben ik toch zo onrustig? Als ik daar maar aan denk, aan de grootheid van God. En aan het feit dat God er altijd is. Ik moet op God hopen en me op Hem richten. Mijn Verlosser en mijn God! Dit mag steeds weer de conclusie zijn op je zoektocht van binnen naar God. Maak er geen lange tocht van. Begin elke dag vanuit deze roep. Mijn Verlosser en mijn God! Op U blijf ik hopen in al mijn zorg en mijn pijn, mijn verdriet, mijn zoeken, en ook in mijn blijdschap. Of wat er ook aan de hand kan zijn. Ik kan de omstandighe­den niet naar mijn hand zetten. Ik weet wel dat God er is, mijn Verlosser en mijn God. De Bijbel staat vol van de aanwezigheid van God. De Bijbel staat vol van de poging van de vijand van God om de boel in de war te sturen en mij van God af te halen. Maar het zal niet gelukken. Mijn Verlosser en mijn God. Roep het uit, zelfs tegen jezelf in. Juist als de boze je weer van God af wil trekken. Want er is maar één toevlucht en dat is God.

Buig je voor God en drink uit de rijkdom van water, de Fontein des levens Die God is. Wat een zegen. Wat een belofte. Wat een wonder. God gaat boven elke situatie uit. Niet de situatie bepaalt je leven, maar de liefde van God en jouw afhankelijkheid aan Hem bepaalt de blijdschap en de richting van je leven. God is groot. Prijs de Heer! Dan mag je zeggen: “Waarom vergeet Gij mij?”’ Omdat je het niet kan hebben dat je vijanden almaar roepen: “Waar is uw God?” Dat kan moeilijk zijn. En dan roep je God aan: O God, openbaar U aan mij en aan mijn vijanden. Je zou het wel van de daken willen roepen. Maar steeds opnieuw klinkt het in ons hart:

“Wat buigt gij u neder, o mijn ziel,
en wat zijt gij onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem nog loven,
Mijn Verlosser en mijn God.”

Dat moet je boven je bed hangen.




Psalm 43:1-5

19 april [2]



43:1

Doe mij recht, o God, en voer mijn rechtsgeding
tegen een volk zonder godsvrucht;
doe mij ontkomen aan de man van bedrog en onrecht.

43:2

Want Gij zijt de God mijner toevlucht;
waarom verstoot Gij mij?
Waarom ga ik in het zwart
vanwege des vijands onderdrukking?

43:3

Zend uw licht en uw waarheid;
mogen die mij geleiden,
mij brengen naar uw heiligen berg
en naar uw woningen.

43:4

zodat ik kan gaan tot Gods altaar,
tot de God mijner jubelende vreugde,
en U love met de citer,
o God, mijn God!

43:5

Wat buigt gij u neder, o mijn ziel,
en wat zijt gij onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem nog loven,
Mijn Verlosser en mijn God!


Psalm 43 hoort bij psalm 42. De tegenstanders gaan tekeer. Het lijkt wel of er geen adem meer is te krijgen. Wat een toestand. De roep is om licht en waar­heid te zenden om bij God te kunnen zijn en blijven. De God mijner jubelende vreugde. Als we bij God blijven dan zullen we kunnen jubelen. Het valt niet mee. Het kan allemaal heel moeilijk zijn. Het is vreselijk om het allemaal te moeten meemaken. Het kan zijn dat we het niet meer zien zitten. Maar ons gebed kan zijn om licht en waarheid te zenden.

Als het donker is dan hebben we veel licht nodig. Heerlijk om dan te weten dat God altijd het licht wil sturen. Als we het moeilijk hebben, zegt de Here Jezus, dan wil Hij ons de woorden te binnen brengen, die we moeten spreken. En zo is het. Daarom kan de dichter ook weer eindigen met: “Hoop op God, want Ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God!” Zo is het. Mijn Verlosser en mijn God! Hij zal ons leiden uit deze moeilijke tijd. We kunnen in het zwart gaan vanwege al de ellende, maar Hij wil ons er bovenuit tillen. We zullen dan versteld staan van onszelf. Of beter gezegd van God. Dat Hij ons er toch doorheen trekt. Omdat Hij de God is van mijn jubelende vreugde. Hij toch is mijn Verlosser en mijn God. Dat ik Hem toch kan loven. Dat staat haaks op je gevoel en de situatie. Maar het is de werkelijkheid van het leven met God. Want op deze wereld vinden we geen blijdschap en vrede voor het hart. In dit aardse tranendal overkomt ons veel.

Het meeste dat ons overkomt is smart, zegt Paulus in de Romeinen brief. Maar God zij dank ben ik een nieuwe schepping in Christus. In de wereld lijdt gij verdrukking. Maar houdt goede moed. Jezus zegt: “Ik heb de wereld overwon­nen.” Daar gaat het om. We moeten beginnen waar de psalm mee eindigt. Het kan stormen in je leven. Ze kunnen je dwars zitten. Ze kunnen je ook van God proberen af te houden. Ze kunnen doen alsof ze Gode een welgevallige dienst doen, maar ondertussen vervolgen ze je. God voert een rechtsgeding tegen een volk zonder godsvrucht. Gaat het hier over een koning, die met een volk te maken heeft zonder godsvrucht? Gaat het over een profeet, die geprofeteerd heeft en daardoor niet meer in het huis van God mag komen? Hij verlangt naar de tempel om daar bij het altaar te zijn. Hij verlangt ernaar dat licht en waar­heid hem begeleiden en hem brengen naar de heilige berg. Wat kan de heilige berg anders zijn dan de berg Sion? De berg waar de tempel op staat? Dat is het centrum van de wereld. Daar gebeurt het, toen en nu en altijd. Daar kun je naar verlangen als je er niet vlakbij bent. Daar wil je God loven en prijzen. Hem loven met de citer. O God, mijn God! Daar kun je het wel uitroepen. Je blikrichting op Jezus. Je blikrichting op God.

Jezus, Die zoveel tegenspraak van de zondaars verdragen heeft, staat voor ons altijd klaar om een ieder die vervolgd wordt, een ieder die het niet meer ziet zitten, op te vangen. Strekt de slappe handen en de knikkende knieën en maakt een recht spoor opdat hetgeen dat kreupel is geneze. HERE help. HERE ver­geef. HERE hoor. Het is geweldig. Het kan niet stuk. Wat kun je verlangen naar God! En je mag weten: God is dicht bij je. “Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God.” Dat is de tekst van de dag.




Psalm 44:1-27

20 april [2]



44:4

maar uw rechterhand en uw arm en het licht van uw aanschijn,
omdat Gij in hen een welbehagen hadt.

44:8

maar Gij hebt ons verlost van onze tegenstanders
en onze haters beschaamd gemaakt.

44:9

In God roemen wij de ganse dag,
uw naam zullen wij loven voor altoos.

44:12

Gij hebt ons overgeleverd als slachtvee,
ons onder de volken verstrooid;…

44:15

Gij hebt ons tot een spreekwoord onder de volken gesteld,
Gij doet de natiën over ons het hoofd schudden.

44:18

Dit alles is ons overkomen, maar wij vergaten U niet,
noch verloochenden wij uw verbond;

44:21

Indien wij de naam van onze God hadden vergeten,
en onze handen uitgestrekt naar een vreemden god,

44:22

zou God dat niet uitvorsen?
Hij toch kent de geheimen des harten.

44:24

Waak op! Waarom slaapt Gij, Here?
Ontwaak! Verstoot niet voor eeuwig!

44:27

Sta op, ons ter hulpe,
verlos ons om uwer goedertierenheid wil.


Het waren de grote daden van God, waardoor de volken terugdeinsden als ze het volk van God aanvielen. Wat een grote wonderen zijn er niet gebeurd? Keer op keer gaf God de overwinning. Het is precies opgeschreven in de anna­len van Israël. De volken rondom Israël wisten dat. Ze waren beducht voor de macht en de majesteit van de God van Israël. Dat wordt in deze psalm nog eens luid en duidelijk herhaald. Zo is het. Wat een geweldige God.

Maar nu zijn de vijanden in het land. Nee, erger nog, Gods volk is verstrooid onder de volken. Er is niets meer over. Ze zijn een schande voor de volken rondom. Die schudden het hoofd. En zeggen: Waar is hun God nu? Maar ze hebben God niet verlaten. Ze voelen dat ze bij God horen. Wij willen U trouw blijven. Wij hebben uw verbond niet verlaten. Waarom, waarom, waarom klinkt het. Een gebed uit diepe nood. Je zult maar verdrukt worden door de vijanden. Je zult maar niets meer te vertellen hebben. Het is verschrikkelijk. Maar zelfs dan verlaten zij hun God niet. Dat is geloofsvertrouwen. Daar kun je mee verder.

Dat is een geweldig voorbeeld. Om je te herinneren als je zelf in grote nood zit. En dat kan gebeuren. Hoeveel mensen zitten niet in grote nood? Kijk de wereld maar rond. Blijf op God vertrouwen. Hij is niet veranderd. Hij is een eeuwig God, dwars door de moeilijkheden heen. Roep tot Hem en Hij zal je antwoorden naar ziel zeker; naar lichaam en omstandigheden als het past in Zijn heilsplan met jou en je omgeving. Goede uitkomst is verzekerd. Het eeuwige leven wenkt en des te sterker en feller.

Dat is me nog al wat. Terwijl de HERE God je beproeft en verlaten heeft, begin jij de psalm met een loflied op God. Je herinnert je dat het God is, die Israël uitgered heeft. Het was zijn sterke hand die hen in het beloofde land bracht. Het waren niet je eigen legers en je eigen kracht die het allemaal tot stand gebracht hebben. De eer komt alleen aan God toe. Zo gaat de psalmdich­ter verder. Dat is natuurlijk ook zo. Er is niets uit onze eigen kracht dat kan toevoegen aan ons heil. Het is enkel God en Gods barmhartigheid, lankmoe­digheid en goedertierenheid en genade die ons het heil aanbrengt. Want alzo lief had God de wereld, dat Hij Zijn enig geboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe (Jo­hannes 3:16). Zo is het en niet anders en zo blijft het, wat ons ook overkomt in ons leven.

Want ook hier zien we dat het volk in grote druk is. God heeft Zich van hen afgewend. En toch willen ze Hem niet vergeten. Ze zijn onder de volkeren verstrooid. Waarschijnlijk is dit een psalm uit de ballingschap. Daar zitten ze dan in het verre Babel. Daar zijn ze dan onder volkeren. Ver van de tempel. Ver van God. Maar ze willen geen andere goden nalopen. Want zou God dat niet zien? Ze roepen God om aandacht te schenken aan hun situatie. Ze doen het krachtig. O God, verlaat ons niet. Help ons! De volkeren spotten met ons. Ook toen voelden zij zich als schapen, die moeten worden geslacht. Zij zijn in ballingschap, omdat ze ontrouw waren geweest. ‘Want wij verdienen de straf. Wij hebben het gedaan. Het is onze schuld.’ Want waarom zijn ze daarna ook verstrooid onder de volkeren? Vanwege hun zonde. Zij hebben gezondigd. Net als wij. Tot vandaag zijn ze verstrooid onder de volkeren. Het is verschrikke­lijk.

Maar zij roepen hier tot de HERE. En als wij roepen tot de HERE, ons veroot­moedigen en onze schuld belijden, zal God horen. Dan zal Hij antwoorden. Thans zijn mijn ogen en mijn oren op deze plaats om te horen naar het gebed, te dezer plaats. Waar is ons gebed? Waar zit ons hart? O HERE, red ons! O HERE, help ons!




Psalm 45:1-18

21 april [2]



45:7

Uw troon, o God, staat voor altoos en eeuwig,…

45:8

Gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid;…

45:12

laat de koning uw schoonheid begeren,…

45:18

Ik wil uw naam vermelden in alle geslachten;
daarom zullen volken u loven voor altoos en immer.


Uw troon, o God, staat voor altoos en eeuwig.”
“Gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid.”
Het is een prachtige psalm. Er wordt gesproken over de schoonheid van de bruid. De koninklijke bruiloft. Niets mooiers kun je je bedenken. Met alle pracht en praal. Je kunt er lyrisch van worden. Het is jouw koning. Kijk eens wat een prachtige bruid. Je wordt daar enthousiast van. Je bent ook trots, want het is ook jouw koning en koningin. Ze regeren jouw land. Ze zorgen goed voor hun onderdanen. Ze hebben het beste met je voor. Heerlijk om daar naar te kijken.

En dan staat daar die tekst: “Uw troon, o God, staat voor altoos en eeuwig.” Het gaat hier niet om een gewone troon, maar het is de troon van God. Die troon van God staat voor altoos en eeuwig. Als we de koning eren, dan eren we God en als we God eren dan zijn we opgenomen in Zijn eeuwig plan. Want die troon staat voor altoos en eeuwig. Wat een bevoorrechte mensen zijn we toch om deze psalm te mogen zingen. Om er onze blijdschap uit te putten.

Wat staat er dan in het volgende vers: “Gij hebt gerechtigheid lief en haat god­deloosheid.” Nou, dat is toch wat we allemaal willen. Gerechtigheid en geen goddeloosheid. Want goddeloosheid is synoniem voor duisternis en zonde. Daar kan God niet regeren, maar heerst de tegenstander van God. En wat die wil, dat weten we allemaal. Die wil dood en ellende. Daar is de liefde zoek. Daar wil toch niemand bij horen? O HERE God, help ons om in uw Konink­rijk te blijven. Het is daar één en al pracht en praal. Waaraan dus geen einde komt. Het is er blijdschap. Er is eeuwige, hemelse muziek. Iedereen is blij. Je kijkt je ogen uit. Heerlijk! Heerlijk! Wat een vreugde. Woorden schieten te kort om het allemaal te beschrijven. We gunnen de koning Zijn bruid. En die bruid mag er dan ook zijn. We zien daarin Israël en de Gemeente. Een eenheid voor de troon van God. Adeldom verplicht. Dat betekent dat wij ons moeten uitstrekken naar recht en gerechtigheid. Dat we de zonde haten. Dat we naar God toekomen. Dat we weerstand bieden tegen de boze machten. Dat we ons niet laten aftrekken van de goede weg.

Dan zullen de volken ook zien, staat in het laatste vers, dat het God is Die eeu­wig leeft en zijn volk Hem voor altoos looft en eert. Dan zullen ze zien dat Hij de enige God is voor de hele wereld, waar recht en gerechtigheid zullen gaan heersen. Glorie voor zijn Naam!




Psalm 46:1-12

22 april [2]



46:2

God is ons een toevlucht en sterkte,…

46:3

Daarom zullen wij niet vrezen, al verplaatste zich de aarde,…

46:6

God is in haar midden, zij zal niet wankelen;…

46:7

Volkeren woedden, koninkrijken wankelden,
Hij verhief zijn stem, de aarde versmolt.

46:8

De HERE der heerscharen is met ons,
een burcht is ons de God van Jakob.

46:10

die oorlogen doet ophouden tot het einde der aarde,…

46:11

Laat af en weet, dat Ik God ben;
Ik ben verheven onder de volken, verheven op de aarde.

46:12

De HERE der heerscharen is met ons,
een burcht is ons de God van Jakob.


Zo, dat is duidelijke taal. Wie wil er nog iets tegen inbrengen? God is God en wij zijn mens. Wie durft zich met God te vergelijken? Als Hij spreekt, dan is het er. Hij spreekt en het regent. Hij spreekt en de aarde komt tot stand. God zeide: “Er zij licht en er was licht.” “In de beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God en alles wat geworden is gewor­den door het Woord van God”. God spreekt ook vandaag. God spreekt, omdat Hij wil dat alle mensen behouden worden. Dat iedereen tot bekering komt. Het zijn de schepselen van God en Hij wil dat zij ook komen bij zijn Koninkrijk. Nog vertoeft Hij te komen, maar Hij haast zich met een onbegrensde snelheid om zijn Koninkrijk van recht en gerechtigheid te grondvesten. Glorie voor zijn Naam! Zijn Naam is niet genoeg te prijzen. Het is geweldig. Als je die waar­heid gaat ontdekken, ga je de psalmen zingen en dan word je enthousiast. Dan wil je niet anders. Dan wil je er ook bij horen. Dan ga je ontdekken hoe heer­lijk het is om er bij te horen. Dan zie je het weer zitten. Heerlijk Evangelie. Prachtig Woord. God is goed.

Wat zal het een mooi lied geweest zijn. Muziek in de tempel was ontzettend belangrijk. Dan word je ook niet bang als er allerlei dingen om je heen gebeu­ren waar je geen touw aan vast kunt knopen. Dan wil je niets anders dan in zijn voetstappen gaan. Dan kan het donderen en razen, dan kan het oorlog hier en oorlog daar zijn. Dan kan het ook heel dicht bij jezelf komen, maar dan weet je je veilig en geborgen. Hier word je rustig en stil aan de meest ruwe wateren. Hij verkwikt je ziel. Hij tilt je boven alle problemen uit. Dan word je gedragen als op adelaarsvleugelen. Dan weet je dat je altijd geborgen bent. God is goed. Want God is in ons midden. De HERE der heerscharen is met ons, een burcht is ons de God van Jakob. Hij verbreekt de haat en de nijd der volkeren.

Stop met dat bezig zijn in eigen kracht. Dat leidt tot niets. Daar komt alleen maar ruzie van. Maar ga met God. Laat je niet door de boze in de war brengen. Begin de dag met Hem en eindig de dag met Hem. En alles wat er tussen in zit, moet je doen in de liefde en de vreze des HEREN. Gaan ze tegen je tekeer en zie je het niet meer zitten, laat je dan niet in de war brengen, maar vertrouw heel eenvoudig op Hem. Ook al kun je je er niets bij voorstellen. Dan blijft toch staan, wat hier geschreven staat: ik blijf op de HERE vertrouwen ook al verplaatste zich de aarde. Nou, nou, dan moet je wel van goede huize komen om een argument te bedenken, waardoor jij in de war zou kunnen raken. Dat kan dus helemaal niet. Dus blijf maar heel eenvoudig gaan, met God. God is goed! De HERE der heerscharen is met ons, een burcht is ons de God van Jakob. God is goed! Dank U, HERE God. Ik loof en prijs uw Naam!




Psalm 47:1-10

23 april [2]



47:2

Alle gij volken, klapt in de handen,
juicht Gode toe met jubelgeroep.

47:3

Want de HERE, de Allerhoogste, is geducht,
een groot Koning over de ganse aarde.

47:4

Hij brengt volken onder ons,
natiën onder onze voeten;

47:5

Hij kiest ons erfdeel voor ons uit,
de trots van Jakob, die Hij liefheeft.

47:6

God is opgevaren onder gejuich,
de HERE onder bazuingeschal.

47:7

Psalmzingt Gode, psalmzingt,
psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!

47:8

Want God is de Koning der ganse aarde,
psalmzingt met een kunstig lied.

47:9

God regeert over de volken,
God is gezeten op zijn heilige troon.

47:10

De edelen der volken zijn bijeenvergaderd,
als volk van Abrahams God.
Want Godes zijn de schilden der aarde;
Hij is hoog verheven.


Hij is hoog verheven. Hij is de hoogste. Zie je Hem komen met al zijn engelen en al zijn macht en majesteit? God troont in de hemel ver boven de mensen. Hij regeert het grote wereldgebeuren. Daar kan niemand tegen op. Hij is machtig. Hem kunnen we loven en prijzen. Als we aan Hem denken, dan welt er een lied op in ons hart; daar worden we vrolijk van. Dan wordt het vrede en blijdschap. Dan voelen we ons goed en dan voelen we ons veilig. Want God is bij ons. Hij beschermt ons. Niets kan ons scheiden van de liefde van Christus, want Hij is onze Burcht. Bij Hem schuilen we. Dan worden we steeds geluk­kiger. Dan zien we het zitten temidden van de grootste strijd in ons leven of om ons heen. Hij heeft het beste met ons voor. Hij houdt van ons. Hij kastijdt ons maar met één doel, n.l. om ons in de schaapskooi van Koning Jezus te houden. God is op de troon. En wij, zijn dienstknechten, mogen Hem volgen en Hem dienen. Dat is een groot voorrecht. Hij wil ons in Zijn dienst hebben en als we dicht bij Hem blijven is het veilig. Dan hoeven we ook niet bang te zijn, want God beschermt ons.

Wat kan het om je heen woeden, wat kan het tekeergaan. Dan denk je dat je er nooit meer uit komt. Maar God ziet het. Hij bergt je in zijn hut. Hij laat je niet in de steek. Dat is een heerlijke gedachte. Want stel je voor dat niemand naar je omkijkt? Daar word je toch verdrietig van? HERE, help ons, om door de moeite van het leven U te blijven vertrouwen. Maak mij dapper om de chaos buiten de deur te houden. De boze probeert de boel in de war te sturen, maar we nemen het niet. Jezus is overwinnaar. Hij gaf zijn leven op het kruis van Golgotha. God is eindeloos goed. God kiest Zich een land en Hij kiest Zich een volk. Dat volk woont op Zijn erfdeel en het kan lang duren of het kan kort duren, maar God blijft bij zijn belofte. Zij zullen terugkeren. Ze zullen door de volken uitgespuugd worden. De vijand ziet geen kans om ze vast te houden. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Zijn plannen falen niet.




Psalm 48:1-15

24 april [2]



48:2

Groot is de HERE en hoog te loven
in de stad van onze God zijn heilige berg.

48:3

is de berg Sion, ver in het noorden,
de stad van de grote Koning.

48:4

God doet in haar paleizen
Zich kennen als een burcht.

48:5

Want zie, koningen kwamen bijeen,
zij trokken gezamenlijk op;

48:6

zodra zij het zagen, stonden ze ontzet,
werden verschrikt, vluchtten weg.

48:10

Wij gedenken, o God, uw goedertierenheid
in het midden van uw tempel.

48:11

Gelijk uw naam, o God, zo is uw lof
tot aan de einden der aarde;
uw rechterhand is vol van gerechtigheid.

48:12

Laat de berg Sion zich verheugen;
laten de dochters van Juda juichen
om uw gerichten.

48:13

Gaat rondom Sion en trekt er omheen,
telt haar torens,

48:14

richt uw aandacht op haar voormuur,
doorwandelt haar paleizen,
opdat gij het aan het volgende geslacht kunt vertellen:

48:15

Waarlijk, zo is God, onze God, voor eeuwig en altoos;
tot de dood toe zal Hij ons leiden.


Ja, waarlijk, dat is God voor eeuwig en altoos. God woont op Sion, dat is de berg van zijn woning. Zijn tempel is prachtig. God doet legers terugdeinzen. God is machtig. Koningen kunnen samensmeden om de stad te veroveren, maar als ze bij de heilige berg komen deinzen ze terug. Dan doet God ze af­druipen. Dan grijpt Hij in. Hoe vaak is dat niet gebeurd in de geschiedenis. Als het volk zijn God zoekt, dan zoekt God zijn volk. Als het volk zondigt, dan komen de vijanden en dan raken ze in de druk. Daar waar God uit de sa­menleving verdwijnt, komt de duivel, die de leegte invult. De boze is de over­ste dezer wereld, hij gaat over de gehele aarde en probeert te verslinden. Hij rooft en steelt, het is oorlog. Het is een wereldoorlog, want hij gaat rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij kan verscheuren. Hij heeft het op Gods kinderen gemunt. Vooral de kinderen van Gods uitverkoren volk. God laat het stormen. God grijpt in. God doet ons beven. God wil dat we in zijn bescher­ming blijven. Dat kan als we in zijn tempel blijven wonen. Het wonder is dat ons lichaam die tempel is, wanneer het de woonplaats van de Heilige Geest is. Het is toch onvoorstelbaar. Dat kan toch niet, als we dat vergelijken met de heilige tempel op de berg Sion? De woning van God, daar waar God troont. Bedenk je dat ons lichaam een tempel van de Heilige Geest is. We hebben geen idee hoe heilig we zijn. Hoe uitverkoren we mogen zijn.

God zond zijn Zoon naar deze wereld, omdat Hij de wereld zo lief had, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga maar eeuwig leven heeft. Verder nog, het is beter voor u dat Ik heen ga, want anders kan de Trooster, de Heili­ge Geest, niet komen. En als Hij komt, zal Hij u alles te binnen brengen, wat gij weten moet, om staande te blijven in de strijd. Ik zal u niet als wezen ach­terlaten. En zo is het. We zijn geborgen in Christus in God, door de kracht van de Heilige Geest. De tempel, dat zijn wij. Wat een grote God, die in zijn liefde en genade omziet naar ons, naar mij als nietig mensenkind en mij vergelijkt met de tempel. Daar gaat het in deze psalm over. Iedereen wist van die machti­ge tempel. Iedereen wist dat God groot was en geducht om te vrezen. Iedereen wist dat de God van Israël wonderen deed. Alle volken wisten van de uittocht uit Egypte. Ze hadden gehoord van het water in de Schelfzee. Ze hadden ge­hoord van de kwakkels.

Groot is de HERE, in de stad van onze God, op Zijn heilige berg. Schoon door zijn verhevenheid. Een vreugde voor de ganse aarde. God denkt wereldwijd. De hele aarde mag het weten dat God de Almachtige is. En ze zullen het ook weten, want God brengt alles weer terug, zoals het geweest is. Het paradijs door Hem geschapen komt terug. Maar het gaat wel door strijd heen. De vij­and gaat tekeer. Wat is er niet een ellende en ziekte en strijd en dood. Kinde­ren worden als een wonder geboren, maar even later sterven ze weer. God gaat dat veranderen. God is goed en niet genoeg te prijzen.

Wat een psalm. Je wordt er toch blij van. Zo is het met elk Woord van God. Het zijn ook de psalmen van God. Wij lezen de Bijbel niet, de Bijbel leest ons. Wel eens over nagedacht? Dat is het geheim. God zendt zijn Licht en zijn Waarheid neder om ons te richten, opdat we op zijn pad van waarheid, liefde en leven blijven. En het werkt. Het werkt niet omdat wij het lezen. Het werkt, omdat Hij door zijn Heilige Geest in ons woont en ons alles te binnen brengt, wat we moeten weten. We hoeven ons dus ook niet bezorgd te maken, want al onze zorgen zijn bij Hem bekend. We hoeven gelukkig slechts te leven vanuit en in zijn bescherming. Dan komen we goed uit en heeft elke dag genoeg aan zijn eigen kwaad. Maar Gode zij dank, door de HERE Jezus Christus, mogen we onze hoofden en harten opwaarts heffen, omdat onze verlossing nabij is. Glorie voor zijn Naam! Prijs de HERE!




Psalm 49:1-21

25 april [2]



49:2

Hoort dit, alle gij volken,
neemt ter ore, alle bewoners der wereld,

49:3

zowel geringen als aanzienlijken,
rijken en armen tezamen.

49:6

Waarom zou ik vrezen in dagen des kwaads,
als de ongerechtigheid van mijn belagers mij omringt;

49:7

van hen, die op hun vermogen vertrouwen,
en op hun grote rijkdommen zich beroemen?

49:8

Niemand kan ooit een broeder loskopen,
noch Gode zijn losprijs betalen,

49:9

te hoog immers is de prijs voor hun leven,
en voor altoos ontoereikend –

49:10

dat hij voor immer zou voortleven,
de groeve niet zou zien.

49:13

Maar de mens met al zijn praal houdt geen stand;
hij is gelijk aan de beesten, die vergaan.

49:15

Als schapen zinken zij in het dodenrijk,
de dood weidt hen;
de oprechten heersen over hen in de morgenstond…

49:16

Maar God zal mijn leven verlossen
uit de macht van het dodenrijk,
want Hij zal mij opnemen.

49:17

Vrees niet, als iemand rijk wordt,…

49:18

want in zijn sterven neemt hij niets van dat alles mede,…

49:21

De mens, die met al zijn praal geen inzicht heeft,
is gelijk aan de beesten, die vergaan.


Als je het nu nog niet begrijpt, moet het dan nog scherper gezegd worden. Het zal je maar gezegd worden. Zo doe je dat toch niet? Je moet toch wel een beetje eerbied hebben en het staat er zelfs twee keer. Dan moet het wel echt zo bedoeld zijn. Daar krijg je moeilijkheden mee. De mens die met al zijn praal geen inzicht heeft, is gelijk aan de beesten die vergaan. Nou, nou. Je zult maar met een beest dat vergaat, vergeleken worden. Een kadaver. Maar het is een scherpe uitspraak over de slaap, waaruit je moet ontwaken om weer tot je po­sitieven te komen. Het is waar, dat de rijken zich gaan verlustigen en zwelgen in hun rijkdom. Daar kunnen ze hun hele leven mee bezig zijn. Hoe houd ik het zaakje bij elkaar? Hoe kan ik nog meer geld verdienen? Wat moet ik doen om te zorgen dat de boel niet achteruit gaat, enz. enz. enz.?

Het gaat almaar over geld. We hebben het wel over waarden en normen, maar als het gaat over ons hebben en houden, dan gaan de waarden en de normen naar de achtergrond. Dan is het: Hoe krijg ik het meeste van de koek? En we hebben al zoveel van de koek. Nou, hier staat het antwoord: Gods wijsheid is er voor armen en rijken, voor geringen en aanzienlijken. Let op! Hier gaat het om. Laat je niet in de war brengen. Vul je leven met de waarheid. De waar­heid van God. En hoe kunnen de belagers om je heen actief zijn om je van je levensvreugde af te halen? Hoe kunnen ze ook hun oog gericht hebben om te nemen wat jij hebt? Maar ze kunnen een prijs voor het leven niet bepalen, want die prijs is nooit te bepalen. Want hoe kan je nu op een schepsel van God een prijs plakken. Dat gaat helemaal niet. Wat een domme gedachte. Iedereen sterft. Wijzen en dwazen. Maar de dwaze, hij die zich vastklampt aan geld en goed, kan niets meenemen naar het dodenrijk. Dan is het over en uit.

Kijk eens hoe mensen krampachtig tot in hoge ouderdom alles doen om hun hebben en houden te bewaren. Ze worden er ziek van. Er komt haat en nijd en de aasgieren kunnen nauwelijks wachten op de dood. Een mens moet geld hebben, maar laat het je niet beheersen. Houdt het zicht op God gericht. Hij is de Schepper van hemel en aarde. Van Hem is het goud en het vee op duizend bergen. Hij heeft jou geschapen. Hij heeft je een heel klein tijdje rentmeester gemaakt over een heel klein stukje van zijn wijngaard. Dat is pas leven. Daar­om zegt de dichter: “Vrees niet, als iemand rijk wordt. God zal mijn leven ver­lossen uit de macht van het dodenrijk, want Hij zal mij opnemen.” En daar gaat het om. Het is gemakkelijker dat een kameel gaat door een oog van de naald, dan dat een rijke het Koninkrijk van God beërft. Rijkdom is dus een groot gevaar. De zucht naar geld is de bron van alle kwaad. Dat is een letter­lijke gifspuit in het leven. Deze wijsheid van God voor rijken en armen, voor aanzienlijken en geringen, moet wereldwijd verkondigd worden. Het gaat om de eer van God en om niemand anders. We moeten God dienen met ons geld en goed. We moeten Hem aanlopen en Hem gehoorzamen en omzien naar de weduwen en de wezen in hun druk. Hen helpen en niet op ons geld zitten. Dat is pas grote liefde. Dat is gerechtigheid. Dat is de echte rijkdom. Dat is de rijk­dom in Hem. Hij zal ons verlossen van het dodenrijk. We sterven allemaal, maar het gaat erom om te sterven in de HERE. Dat geldt voor de rijke en de arme, de aanzienlijke en de geringe. God is groot en nooit genoeg te prijzen.

Wat kan er dan veel ten goede veranderen als we deze principes toepassen. De rijke zal de arme niet uitbuiten. En de arme zal zijn kansen kunnen benutten. De rijke wordt nog rijker, maar vanuit de liefde en de zegen van God, want waar de liefde toeneemt daar neemt de werkkracht, de productiviteit toe en de samenwerking. Dan gaan daar dingen gebeuren waar we versteld van staan. Omdat de waarde van het leven niet het geld is. Het leven is een geschenk waar je geen prijs aan kunt koppelen. Het leven is het leven door God gescha­pen en we zijn geroepen om te woekeren met de talenten die God heeft gege­ven. Die God moeten we liefhebben en de naaste als ons zelf. Je zult eens zien wat daaruit gaat opbloeien. Dat is een geweldig grote investering in liefde die omgezet wordt in huizen, bomen, beesten en nieuwe mogelijkheden. Aan zo’n investering komt geen einde, omdat er nog zoveel nood in de wereld is, dat we voorlopig niet uitgewerkt zijn. Glorie voor God! Hij is dezelfde nu, en wil ook vandaag voorspoed brengen aan allen, die lijden door de vergaarzucht van de rijken. God is goed! Ga vandaag in die gezindheid en je zult ontdekken dat je zeker deze wijsheid in praktijk kunt brengen.




Psalm 50:1-23

26 april [2]



50:1

De God der goden, de HERE, spreekt en roept de aarde
van waar de zon opgaat tot waar zij ondergaat.

50:5

Vergadert Mij mijn gunstgenoten,

die met Mij het verbond sluiten met offers.

50:6

Daar verkondigt de hemel zijn gerechtigheid,
want God is rechter.

50:14

Offer Gode lof
en betaal de Allerhoogste uw geloften;

50:15

roep Mij aan ten dage der benauwdheid,
Ik zal u redden en gij zult Mij eren.

50:22

Verstaat dit toch, gij, die God vergeet,
opdat Ik niet verscheure, zonder dat iemand redt.

50:23

Wie lof offert, eert Mij,
en baant de weg, dat Ik hem Gods heil doe zien.


God spreekt en het is er. Hij is er van de vroege morgen als de zon opgaat, tot­dat zij nederdaalt. God heerst over het grote wereldgebeuren. Er is niets dat niet aan God onderworpen is. Hij spreekt en het is er. Het is dus ontzettend belangrijk, dat wij het alles van de HERE verwachten, Die troont boven alles. Hij daalt met zijn liefde en almacht op ons neer. Hij wil dat wij Hem loven en prijzen. Hij hoeft niets van ons, maar wij hebben alles van Hem nodig. Hoe zouden we kunnen leven als we het niet van Hem ontvangen hebben? Dat is de geweldige genade en zegen, dat Hij ons altijd nabij is. Dat hij ons nooit in de steek laat. Tot Hem kunnen we roepen in onze benauwdheid en Hij zal naar ons luisteren. Hij laat ons nooit in de steek.

God is goed en nooit genoeg te prijzen. Daarom mogen we en moeten we Hem onze geloften betalen. Hem loven en prijzen. Offer Gode lof, en betaal de Al­lerhoogste uw geloften. Roep Mij aan ten dage der benauwdheid. Ik zal u red­den en gij zult Mij eren. Daar gaat het om. We moeten het in de goede volgor­de zien. God hoeft niets van ons. Hij heeft onze offers niet nodig. Want al het vee en alles wat bestaat, inclusief wijzelf, behoort tot Hem. Wij moeten alles van Hem verwachten. Dat is het grote geheim, dit is de grote ontspanning. Wij denken maar dat wij van alles moeten doen, dat wij God moeten behagen, dat wij ons voor Hem moeten waarmaken. Maar niets is minder waar. Wij kunnen ons niet eens waar maken, want aan ons kleeft de zonde tot in al onze vezels. Het is door de genade van God, Die alles regeert en alles in zijn hand heeft, dat wij kunnen leven van vergeving op vergeving en van genade op genade. Hoe zouden we anders kunnen leven? En zo is het en zo gaat het voort. God is goed! Hij is altijd bij ons. Dat is geweldig.

Als we dat eenmaal goed tot ons laten doordringen, dan beginnen we veel in de juiste proporties te zien. Dan worden we ontspannen. Dan zien we onze tekortkomingen ook in het licht van zijn genade. Want wij kunnen voor Hem niet bestaan. Als we dan ook nog gaan beseffen, dat Hij ons zo lief had dat Hij zijn enig geboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga maar eeuwig leven hebbe, dan beseffen we toch dat het een voor­recht is om tot Hem te behoren. Dan kunnen we Hem wel eeuwig loven en prijzen voor zoveel liefde. Want wie geeft zijn leven nu voor zijn vrienden? Wie kan grotere liefde geven dan Hij Die zijn leven geeft voor zijn vrienden. Dat is toch onvoorstelbaar. Daar ga je toch voor op je knieën. Zo is God. Dat is zijn grote liefde voor ons. Hij heeft ons eerst lief gehad. En wij mogen in die liefde gaan zwemmen, ons erin vermeien. Want Hij trekt ons op. Hij laat ons nooit in de steek. Dat zegt deze psalm, God onze Schepper. Hij heeft ons bijna goddelijk gemaakt. We zijn zijn schepsels en het schepsel, de pot zal zich nooit beroemen tegen de Schepper, de pottenbakker. Heerlijk Evangelie. Wat een zegen. Wat een genade. O HERE God, dank U wel. Het is een ont­dekkingsreis, die je steeds maar hoger voert, die je steeds maar dieper verlan­gen geeft om te schuilen bij Hem. Dank U wel!

Dan is het vanzelfsprekend dat de goddeloze er slecht aan toe is. Hij moet zich haasten om zich te bekeren, want anders loopt het slecht met hem af. Hij slaat de goddelozen. Zij volgen het bedrog. Ze hebben mooie woorden maar ze vol­gen de leugenaar en de zonde en God ziet het allemaal. Hij waarschuwt: Pas op, laat je niet in met zulke lieden. Wat voor mooie woorden ze ook allemaal uiten. Het is één en al leugen en dat kun je weten. Pas op. God maakt het hun duidelijk. Bekeer je dan, want Ik laat niet met Mij spotten. Opdat Ik u niet ver­scheure, zonder dat iemand redt. Daar gaat het om. Wie lof offert, eert Mij, en baant de weg dat Ik hem Gods heil doe zien. Wie wil dat niet? Kom en doe mee met het heilsplan van God, dan kom je goed terecht.



Psalm 51:1-21

27 april [2]



51:2

toen de profeet Nathan bij hem gekomen was…

51:3

Wees mij genadig, o God, naar uw goedertierenheid,
delg mijn overtredingen uit naar uw grote barmhartigheid;

51:4

was mij geheel van mijn ongerechtigheid,
reinig mij van mijn zonde.

51:5

Want ik ken mijn overtredingen,
mijn zonde staat bestendig vóór mij.

51:7

Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren,
in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.

51:11

Verberg uw aangezicht voor mijn zonden,
delg al mijn ongerechtigheden uit.

51:12

Schep mij een rein hart, o God,
en vernieuw in mijn binnenste een vasten geest;

51:13

verwerp mij niet van uw aangezicht,
en neem uw heilige Geest niet van mij;

51:14

hergeef mij de blijdschap over uw heil,
en laat een gewillige geest mij schragen.

51:16

Red mij van bloedschuld, o God, God mijns heils,…

51:19

De offeranden Gods zijn een verbroken geest;
een verbroken en verbrijzeld hart
veracht Gij niet, o God.

51:20

Doe wèl aan Sion naar uw welbehagen,
bouw de muren van Jeruzalem.

51:21

Dan zult Gij behagen hebben in offers naar de eis,…


Hoe kan het ooit weer goed komen tussen God en David? Het is toch ver­schrikkelijk wat hij gedaan heeft? Het is toch ronduit gemeen? Wat een lage streek. Wat een misbruik van macht. Jij valt op de mooie vrouw van een ander en je stuurt haar man naar het front met de kennelijke bedoeling dat hij sneu­velt. Zet hem voor in de gevechtslinie. En ja hoor, de man sneuvelt. Voor het oog is er niets aan de hand. Er is een soldaat gesneuveld. Maar God weet het. David neemt de mooie vrouw, die hij had begluurd toen ze aan het baden was. Dat was al een verwerpelijke zonde. Je verlustigt je niet in de vrouw van een ander. Dan wend je je gezicht af. Of je waarschuwt, dat ze het niet in het openbaar moet doen. Wie weet hoe vaak hij haar begluurd heeft? Hoe vaak is het gluureffect in ieder van ons opgestaan? Hoe vaak komen verkeerde ge­dachten naar boven als we een vrouw zien. Jezus zegt dan ook terecht: Wie een vrouw aanziet om haar te begeren, die pleegt reeds echtbreuk. Echtbreuk begint bij het begeren. En het begeren zit zo aan de oppervlakte van ieder mens. De zonde huist in ons sterfelijk lichaam. Ik ellendig mens, wie zou mij verlossen?

En dan komt de profeet Nathan. Hij vertelt een verhaal over een rijk man, die zijn arme stadgenoot zijn enige schaap ontneemt. David roept: Die man is des doods schuldig. Waarop Nathan zegt: Gij zijt die man. David is des doods schuldig. Het is verschrikkelijk. Hoe kunnen we vaak schijnheilig zijn, de zon­de in de ander radicaal aanwijzen en afwijzen en veroordelen en er tegen te­keergaan, maar dan onze eigen zonde, de balk in ons eigen oog, niet zien of verdoezelen of vergoelijken. De straf is verschrikkelijk. Het kind sterft. David weent en Bathséba natuurlijk ook. Zij weet het nu ook. David heeft gezondigd. Samen staan ze schuldig voor God. Wat een verhaal. En toch wordt David een man naar Gods hart genoemd. De moordenaar wordt een man naar Gods hart. Hij had begrepen dat alleen onvoorwaardelijke overgave aan God, het belijden van je schuld, het verbroken zijn van hart, de weg is waarlangs God zijn dienstknechten kan gebruiken in zijn dienst. En wat is David gebruikt in zijn dienst. De grote daden van David zijn bekend. Of beter de grote daden van God.

Dan dicht David deze psalm. Het is één lofprijzing op de HERE God. Het is één erkenning van de barmhartigheid en de genade en de vergevende liefde van God. Het is geen verdoezelen van de zonde, het is geen goedkope genade. Het is de erkenning van het rechtvaardig oordeel van God. David heeft gezon­digd. Hij is des doods schuldig. Het is de diepe erkenning van de schuld en het weten dat er alleen vergeving is op erkenning van je schuld. De zonde moet gestraft. Zonder straf geen verzoening. De verzoening is bereikt op het kruis van Golgotha. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn enigge­boren Zoon gezonden heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Dat is het grote wonder, waaruit David ook is gaan leven. En dan kan God met de mens op stap. Want we hebben te maken met een grote God. Een God Die het gehele leven en de hele wereld bestuurt. Wiens ogen de ganse aarde doorlopen om krachtig bij te staan hen wier hart volkomen naar Hem uitgaat.

We moeten ons uitstrekken naar God. Het van hem verwachten. Elke dag weer. Hij laat je nooit in de steek. Het komt van Hem. Laat je vullen door Hem. Dat heeft David begrepen. Red mij van de bloedschuld. “Schep mij een rein hart, o God,” “verwerp mij niet van uw aangezicht, en neem uw heiligen Geest niet van mij.” Blijf dicht bij mij. Want: “De offeranden Gods zijn een verbroken geest, een verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o God.” Ontzondig mij met hysop, dan ben ik rein, want ik ben in zonde ontvangen en geboren. Wie had gedacht, dat ik tot zulke zonde in staat zou zijn? Ons hart is arglistig. Maar wat wij denken voor God te verbergen, dat ligt open en bloot voor Hem. Daar komen we niet mee klaar. God is goed! God is geweldig! We hebben niets te vrezen. Als je dat gaat ontdekken en soms door moeite en pijn heen, dan wil je niet anders dan naar God vluchten. Dan zie je hoe krachtig de zonde kan zijn in je leven en dan ontdek je de liefdeskracht van God. Dan wil je alleen maar verder met Hem. Prijs de HERE! Dank u HERE, voor al uw liefde en trouw. Wat een genade bewezen aan David. Zo bent U rechtvaardig en barmhartig. U richt ons op. U geeft ons kracht. U zet ons op onze plaats. U houdt ons vast. Maak mij een willig instrument voor U. Niets kan mij schei­den van de liefde van God. Ik kan er wel de hele dag over doorpraten. Glorie voor zijn Naam!




Psalm 52:1-11

28 april [2]



52:5

Gij hebt het kwade lief boven het goede,
leugen boven waarheid spreken.

52:7

Maar God zal u voor eeuwig verbreken,…

52:8

Dan zullen de rechtvaardigen het zien en vrezen,
en over hem lachen:…

52:10

ik vertrouw op Gods goedertierenheid,
altoos en immer.

52:11

Voor altoos zal ik u loven,
omdat Gij het gedaan hebt;
ik zal uw naam verwachten – want die is goed –
in tegenwoordigheid van uw gunstgenoten.


Doëg beraamde het kwaad. Wat kunnen de tegenstanders gemeen tegen je te­keergaan. En wat kunnen ze ook op wraak, leugen en boosheid zinnen. Het is je niet voor te stellen. Ze verharden zich en willen tegen alles in gaan wat God doet. Ze haten God. Ze doen het eigenlijk niet zelf, maar de boze geest, die in hen is, heeft hen te pakken. Boze geesten zijn de vijanden van God. Die gaan rond als een briesende leeuw, zoekend wie ze kunnen verslinden. Ze zijn uit op de dood. Ze hebben het kwade lief boven het goede. Er deugt niets van. Je moet er voor oppassen, want ze proberen je te pakken. Houd je er verre van. Want je bent in het gebied van de gevaren. Daar moet je je niet in begeven. Weg er mee!

Maar, en dan komt het, zoals steeds. De boze kan tekeergaan, het kan lijken of ze de baas zijn. Maar God laat het er niet bij zitten. Hier staat dan: “Maar God zal u voor eeuwig verbreken.” Zo, dat is duidelijke taal. God zal je uit je hui­zen slepen. Je kunt wel denken dat je alles bezit en dat je je gang kunt gaan, maar dan heb je buiten de rechtvaardige God gerekend, Die afrekent met alle onrechtvaardigheid. Daar is geen wrikken aan. Dat gaat gebeuren. Ze worden ontworteld uit het land der levenden. Ze worden eruit gegooid. De rechtvaar­digen zullen het zien en ze zullen er om lachen. Dan zien ze hoe het werkelijk zit. God zit op de troon. Hij duldt geen onrechtvaardigheid. Hij jaagt ze weg. Hij maakt korte metten met ze. Weg van de aardbodem. Naar de poel van vuur. Daar is het geween en het tandengeknars. Zo gaat het met hen die de zonde liefhebben. Ze denken dat ze sterk zijn in hun rijkdom, maar hun onheil komt over datgene waarin ze denken sterk te zijn.

Maar ik vertrouw op Gods goedertierenheid, altoos en immer. Dat is de weg die we gaan moeten. We kunnen op God vertrouwen. Daar hoeven we niet aan te twijfelen en daar moeten we dan ook niet aan twijfelen, want God is goed. Hij heeft het gedaan. Hij volvoert Zijn plan. Hij laat ons nooit in de steek. En wat heeft David niet in moeilijkheden gezeten. Hoe hebben ze geprobeerd zijn leven te nemen. En dan toch zegt hij, dat hij onvoorwaardelijk op God ver­trouwt. Hij verwacht het van de Naam des HEREN, Die hij verwacht temid­den van de gunstgenoten. Het is ook een verwachting, die je samen mag bele­ven. Met alle heiligen, om samen te zien de hoogte, breedte, diepte en lengte van de almacht, genade en liefde van God. Samen met alle heiligen! Wat een perspectief. Daar kunnen we ons aan vasthouden voor tijd en eeuwigheid en dat moeten we dan ook maar doen. Dat geeft een hoop rust in ons leven. Dan zie je de dingen weer in de juiste proporties. Dan zijn we hemelburgers en verloste zondaren. Jezus is Koning. Hij is de HERE der heren. Glorie voor zijn Naam!




Psalm 53:1-7

29 april [2]



53:1

Voor de koorleider. Op: Mahalath. Een leerdicht van David.

53:2

De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.

53:3

God ziet neder uit de hemel
op de mensenkinderen,
om te zien, of er één verstandig is,
één, die God zoekt.

53:4

Allen zijn zij afgeweken, tezamen ontaard,
er is niemand die goed doet, zelfs niet één.

53:5

Hebben zij dan geen kennis, die bedrijvers van ongerechtigheid,
die mijn volk opeten, als aten zij brood?
God roepen zij niet aan.

53:6

Daar verschrikken zij,
terwijl er geen verschrikking is;
want God verstrooit het gebeente van uw belager
gij doet hen beschaamd staan,
want God heeft hen verworpen.

53:7

Och, dat uit Sion Israëls redding daagde!
Als God een keer brengt in het lot van zijn volk,
dan zal Jakob juichen, Israël zich verheugen.


Ja, dan ben je wel een dwaas. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Dat is de grootste dwaasheid, die je maar kan uiten. Want de hele schepping laat zien, dat er een Schepper is. God is God. Wat een dwaasheid om dat te ont­kennen. En toch wordt het wereldwijd ontkent. Wat een hoogmoed om te den­ken dat het allemaal vanzelf ontstaan is of dat we het zelf gefabriekt hebben. Hoe komen we erbij? Te gek voor woorden. Dwaas. God ziet neder uit de he­melen op de mensenkinderen. Wat moet Hij zijn hoofd schudden. Wat moet het Hem aan Zijn hart gaan. God is in de hemel en wij zijn op de aarde. God is hoogverheven in de hemel. Wat een eerbied. Wat een grootsheid. Niemand kan Gods aangezicht zien en niet sterven. Als de engel nederdaalt, dan vallen de mensen ter aarde. Een verblindend licht. Vrees niet! Dat is onze redding. Want Ik ben met je. God ziet de mensenkinderen. Allen zijn afgeweken, allen zijn ontaard, er is niemand die goed doet, zelfs niet één. En hoe waar is dat? We zijn allen in zonde ontvangen en geboren. De zonde kleeft aan ons. We weten het allemaal. Het is vreselijk. We hebben gezondigd en derven de heer­lijkheid Gods. Vreselijk, wat een ellende en wat een zonde. God had het zo mooi gemaakt. Hij zag dat het goed was. Hij zag dat het zeer goed was. En nu kijk eens? De kinderen worden geboren om na zeventig, tachtig jaar weer te sterven. De dood heerst in ons sterfelijk lichaam. Zijn we daarvoor door God geschapen om al weer heel gauw te sterven? Werden we voor de zondvloed nog achthonderd, negenhonderd jaar, na de zondvloed was het niet meer dan honderd of iets meer. En vandaag aan de dag mag je al blij zijn als je tachtig wordt. In grote delen van de wereld ben je al uitgeschakeld als je vijftig bent.

Hebben zij dan geen kennis, die bedrijvers van ongerechtigheid, die mijn volk opeten als aten zij brood. God roepen zij niet aan. Dan gaat het ook mis. Als je God niet aanroept, die vanuit zijn grote liefde, het meeste lijdt onder het lijden van de mensheid. Die zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar voor ons allen overgeven heeft opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Hij wil wonen in ons hart. Hij zendt de Heilige Geest, opdat Die altijd bij ons kan zijn. God is goed en niet genoeg te prijzen. Maar het is heel simpel. Als we God niet aanroepen, dan worden we een prooi van de duivel. En waar de duivel optreedt, daar is ongerechtigheid. Dat kun je aan je zelf afmeten. Als de zonde, de ongerechtigheid, de boosheid, de vruchten van het vlees, de overhand op je krijgen, dan ga je de kant van de duisternis op. Dan benadeel jezelf en de ander. Dan komt het niet goed met de liefde. Het is zo simpel, dat je er gewoon aan voorbijgaat. Het kan in ons denken niet zo simpel lijken. Maar zo simpel is het. Waar je God niet aanroept, daar komt de duivel in de plaats. Er is geen midden. Er is geen halfweg. Er is geen grijs gebied.

Maar God weet het en Hij rekent af met de belager. Het kan lang duren, het kan kort duren, maar één ding is zeker: God is rechtvaardig. Hij neemt de zon­den niet. Hij komt met zijn Koninkrijk van recht en gerechtigheid. Hij zal ze­gevieren. Het is volbracht. Ik kom spoedig. Waakt dan op, dat die dag je niet overvalt als een dief in de nacht. Wees waakzaam! En twijfel niet. Houd je oog gericht op Jezus. Blijf dicht bij Hem. Want je bent geborgen in Christus, in God, door het bloed van het Lam, dat de zonde der wereld wegnam. “Och, dat uit Sion Israëls redding daagde!” Dat kun je verzuchten. Want wat is er een lijden in de wereld. Wat kan de duivel rondgaan als een briesende leeuw. Maar Hij komt. Hij komt om de aarde te richten, de wereld in gerechtigheid. We kunnen juichen en zingen en de HERE loven en prijzen, want zijn Woord is de waarheid. Hij is de Weg. Hij is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad. Ik zal niet struikelen. Ik mag verblijven in de schuilplaats van de Allerhoogste. God is goed. Prijs de HERE! Wat een vreugde, wat een zeker­heid.

Als God een keer brengt in het lot van zijn volk, dan zal Jakob juichen, Israël zich verheugen. We mogen uitzien naar die dag. Dat God zal komen met al zijn engelen en zijn voeten zal zetten op de Olijfberg en zijn Koninkrijk gaat vestigen en in de laatste slag bij Armageddon, een einde maakt aan de leger­machten van de boze. Dan zal de wet uitgaan van Jeruzalem. En op de bellen van de paarden zal staan; de HERE heilig. Glorie voor zijn Naam! Laten we met reikhalzend verlangen uitzien naar die dag. Beijvert u daarom des temeer, broeders, om uw roeping en verkiezing te bevestigen, want als je dat doet, zal je niet meer struikelen, maar royale toegang krijgen tot dat eeuwige Konink­rijk van God. Wat een profetie. Wat een zekerheid. Het gaat gebeuren. Het staat vast. God is goed!




Psalm 54:1-9

30 april [2]



54:2

Verbergt David zich niet bij ons?

54:3

O God, verlos mij door uw naam,
verschaf mij recht door uw kracht.

54:4

O God, hoor mijn gebed,
neem ter ore de redenen van mijn mond.

54:5

Want vreemden staan tegen mij op,
geweldenaars staan mij naar het leven;
zij houden God niet voor ogen.

54:6

Zie, God is mij een helper,
de HERE is het, die mij schraagt.

54:7

Hij zal het kwaad vergelden aan wie mij benauwen,
verdelg hen in uw trouw.

54:8

Ik zal U vrijwillig offers brengen,
ik zal uw naam loven, HERE, want hij is goed;

54:9

omdat Hij mij gered heeft uit alle benauwdheid,
zodat mijn oog met vreugde op mijn vijanden zag.


Kun je je het voorstellen? Saul zit achter David aan. Hij had het op zijn leven gemunt. Daar is geen twijfel aan. David is op de vlucht. Als jaloersheid en haat zich meester van je maakt, dan ben je in staat tot de meest vreselijke din­gen. Dan sta je de ander graag naar het leven. Hetzij letterlijk, hetzij figuur­lijk. Wat worden er ontzettend veel figuurlijke moorden gepleegd. Ik zou hem dit en ik zou hem dat wel willen aandoen. En meestal is dat niet veel goeds. Wat kunnen andere mensen je aandoen? Ze halen het bloed onder je nagels vandaan. Dat klopt. En dan word je uitgedaagd om ook in die fout te verval­len. Dat zijn de zogenaamde aanleidende oorzaken tot ontzettend veel ellende en soms zelfs tot oorlog, ja tot wereldoorlogen. De zonde, de haat en nijd, is de kanker in de wereld.

Dan komen de mensen die zeggen dat David zich ophoudt in hun gebied. Wat gemeen. Ze verraden je. Je bent de klos. Je bent als opgejaagd wild, je bent als vogelvrij en nu verraden de mensen je ook nog. Om een wit voetje bij Saul te halen. Om niet in de moeilijkheden te komen. Wat kun je je daar veel bij voor­stellen, als je denkt aan wat de Joden in de oorlog, maar ook door de eeuwen heen, is overkomen. Vreselijk. Wat een ellende. Wat een verraad. En wat een verraad vandaag aan de dag.

David roept tot God. Dat is ook de enige redding. Dat is ook de enige schuil­plaats. Waar moet je het anders zoeken. God is je redding. Nou, daar blijkt dan niet veel van in de situatie van David. Saul staat hem naar het leven en de mensen verraden hem. Noem dat nu maar hulp van God. Het lijkt eerder dat God hem in de steek gelaten heeft. Waarom laat God dat toe? Waarom dit en waarom dat? Dat is toch geen werk? Als God echt liefde is, dan laat Hij mij toch niet zo creperen? En vul het maar aan. Het is uit het leven gegrepen. Het is verschrikkelijk. Wat moet God toch ver weg zijn voor David. Hoe vaak be­trekken we dat ook niet op onszelf, als iets ons dwars zit. Wat zijn we toch vreselijk bekrompen mensen. Wat denken we klein van Gods almacht in onze vaak tijdelijke en soms langduriger problemen en situaties, die, in feite geme­ten aan de eeuwigheid die voor ons ligt, niet veel inhouden, al kan het ook heel moeilijk zijn. De geweldenaars staan mij tegen, want zij houden God niet voor ogen. Keer op keer komt dat terug. Als je God niet voor ogen houdt, dan gaat het mis. Dan kom je terecht in de kring der spotters, gewelddienaars, zon­daars, bozen, onrechtvaardigen, enz. Pas op dat je daar ver vandaan blijft.

Maar David slaat om. Hij komt op juiste koers. Hij weet zeker: God is hem een Helper. Psalm 23: De HERE is mijn Herder. Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis…, Gij zijt bij mij. De HERE is het Die mij schraagt. Ik wankel. Ik ben in de druk. De vijanden liggen op de loer. Ze staan mij naar het leven, maar de HERE is het Die mij schraagt. Dwars door alles heen. Hij zal optreden. Kwaad dat ze mij aan doen, zal op hun eigen hoofd terechtkomen. Dat is vast en zeker. Daar hoef je niet aan te twijfelen. Daarom kunnen we de HERE God altijd loven en prijzen. Zelfs temidden van de grote druk. Dat is het geheim van de werkelijkheid van het leven met God. Want God is goed. Hij redt je uit de benauwdheden. Vaak heel letterlijk. En dan zie je op je vij­anden neer. Dan weet je dat God goed is. Soms ook niet zo letterlijk, maar wel letterlijk in geestelijke zin, dat je ondanks je moeilijkheden en de dingen die je niet kunt vatten, zeker weet dat de HERE je Helper, je Goede Herder is.

Dat is het geheim van een leven met God en in God. Want niets kan je schei­den van de liefde van God. Als God zijn eigen Zoon niet gepaard heeft in zijn liefde voor ons, wat kan ons dan nog van Hem scheiden? Dat is het geheim van de verborgen omgang met God. De vijanden snappen dat niet. Die denken dat als ze jou een kopje kleiner maken, dat het wel afgelopen zal zijn, maar niets is minder waar. God is goed! Hij is de Bron en de Kracht van ons leven in alle omstandigheden van ons leven. Want het lijden van deze tijd weegt niet op tegen de eeuwigheid die voor ons ligt. Halleluja.




Psalm 55:1-9

1 mei [2]



55:1

Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een leerdicht van David.

55:2

Neem, o God, mijn gebed ter ore,
verberg U niet voor mijn smeking.

55:3

in mijn onrust zwerf ik kreunend rond,

55:4

vanwege het geschreeuw van de vijand,
vanwege de kwelling van de goddeloze;
want zij storten onheil over mij uit,
en bestoken mij in toorn.

55:5

verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen,…

55:7

zodat ik zeg: O, had ik vleugelen als een duif,
ik zou wegvliegen en een woonplaats zoeken;…

55:9

Ik zou mij haastig een wijkplaats zoeken
tegen de rukwind, tegen de storm.


HERE, God, wat gaat de vijand tekeer. Wat is er een afval om mij heen. Ik neem het gebed van uw knecht David over. Ik leef nu zoveel duizenden jaren later. Uw Woord is niet veranderd. Uw liefde is dezelfde. uw Woord is vast. Het is tijd- en weerbestendig. Maar de vijand is gekomen. Die roept nu andere dingen. Die slaat om zich heen om alles wat van U is, kapot te maken. Ze wijken af van uw Woord. En ze proberen ons kapot te maken. Ze gaan tekeer alsof wij de grootste boosdoeners zijn. Maar HERE, uw Woord is de waar­heid. Ik wil weg gaan van al dat boze geschreeuw. Weg van dat gelal. Het is niet om aan te horen. Hoe durven ze uw Woord te krenken. Hoe durven ze U te beledigen. Ze vloeken en ze tieren. En ze willen niets met mij te maken heb­ben. Maar HERE, God, U bent er en U blijft er. Want uw Woord is de waar­heid. Het is zo waar. Het is zo heerlijk om bij U te schuilen. Naar mijn eigen vlees te werk gaande, zou ik wel willen wegvliegen en een veilige woonplaats zoeken, ver van het geschreeuw en het getier van uw en mijn tegenstanders. Maar met U kan ik verder. HERE, hoor naar mijn stem. Dank U wel.

Uit het leven gegrepen. Want als we zien hoe de vijand tekeer kan gaan tegen het Woord van God, het is onvoorstelbaar. Daar is ook de Bijbel vol van. Het volk dient God en het valt zo maar weer af. Wat toch verschrikkelijk. Het lijkt wel of we niet tegen de aanvallen van de boze bestand zijn. Steeds weer is er afval. En je kunt je vaak niet eens voorstellen hoe verschrikkelijk dat kan zijn. Het gaat goed en dan is er de aanvaller, de mensenmoordenaar van de beginne. Daarom is het ook zo belangrijk om heel dicht bij het Woord van God te blij­ven. Dan ben je veilig. Dan zie je het zitten. Dan worden je gedachten niet verward. HERE, help mij, HERE, help ons om staande te blijven in deze gees­telijke strijd. Dank U, dat U dat ook doet. Want waar zouden we anders moe­ten gaan? Alleen bij U is vergeving. Bij U houden we het vol. Dank U HERE!




Psalm 55:10-24

2 mei [2]



55:10

Verwar hen, HERE, verdeel hun spraak.
Want ik zie geweld en twist in de stad.

55:12

verderf is daarbinnen,…

55:14

Maar gij zijt het, een mens – mijns gelijke,
mijn vriend en vertrouwde:

55:15

wij, die samen vertrouwelijke omgang genoten,
die in het feestgewoel gingen naar Gods huis.

55:17

Maar ik, ik roep tot God,
de HERE zal mij verlossen.

55:18

Hij hoort mijn stem.

55:19

Hij verlost mijn ziel in vrede van de strijd tegen mij,…

55:20

God hoort en Hij zal hen vernederen
– Hij, die van oudsher troont –
hen, die onbekeerlijk zijn en God niet vrezen.

55:21

Hij strekt zijn handen uit tegen hen met wie hij vrede had,…

55:23

Werp uw bekommernis op de HERE,
Hij zal voor u zorgen;
Hij zal nimmermeer toelaten, dat de rechtvaardige wankelt.

55:24

Maar Gij, o God, zult hèn doen neerdalen
in de kuil van het verderf;
de mannen van bloed en bedrog
zullen hun dagen niet ter helfte volbrengen.
Ik echter vertrouw op U.


We bidden om verwarring. De tegenstanders denken dat ze hun gang kunnen gaan. Maar we bidden om verwarring in het kamp van de tegenstander. God kan verwarring in het leger van de tegenstander zenden. Hoe vaak is het niet gebeurd in de strijd. Dan greep God in en op onverklaarbare onmogelijke wij­ze kwam er verwarring en het leger ging op de vlucht. Daar moeten we eens een studie over maken. Je zult versteld staan. Als God ingrijpt, dan is de vij­and nergens. Dan gaan ze op de loop. Ze zijn bang, ze willen almaar de boel van God kapot te maken. De vreselijkste dingen halen ze uit. Ze schrikken voor niets terug. Het is vreselijk. Hoe halen ze het in hun hoofd. Daar moet een stokje voor gestoken worden. Je vraagt je af hoe dat moet, want wat kun je doen tegen zoveel tegenstand? Tegen zoveel geweld? Ze doen alsof je er niet bent, alsof je een vuiltje bent, die ze zo weg kunnen poetsen. Maar niets is minder waar. De HERE is er. Hij zal ons beschermen. Het allerergste is als je vijand iemand is met wie je vroeger bent opgetrokken in de vreze des HEREN. En hoe vaak komt dat niet voor? Dat zijn vaak de felste tegenstanders. Die proberen je onderuit te halen. Maar dat moeten we niet nemen. Wij moeten de HERE aanroepen. Want de HERE zal verlossen Wij kunnen tegen die grote meerderheid niet op. Maar God zal ons redden. Want Hij heeft er de meeste problemen mee. Hij laat Zijn eer niet roven. Hij neemt het niet. Dat staat vast en zeker. Hij Die van oudsher troont!

Als je volhardt in je zonde, als je onbekeerlijk bent, dan zal Hij straffen. Niet omdat Hij wil straffen, maar omdat jij onbekeerlijk bent. Dat is vreselijk, te vallen in de handen van de HERE God. Maar dan moet je ook luisteren naar de roepstem van God. Hij wil ons helpen. Hij wil ons redden. Hij wil ons alles geven wat we nodig hebben. Hij biedt het heil aan. Hij trekt ons naar Zich toe. Glorie voor zijn Naam!

Dus: Werp uw bekommernissen op de HERE, Hij zal voor je zorgen. Hij zal nimmermeer toelaten, dat de rechtvaardige wankelt. De mannen van bloed en bedrog zullen vallen, maar: “Ik echter, vertrouw op U.”




Psalm 56:1-14

3 mei [2]



56:1

Van David, Een kleinood, toen de Filistijnen te Gath hem gegrepen hadden.

56:2

Wees mij genadig, o God, want de mensen vertrappen mij,…

56:4

Ten dage dat ik vrees, vertrouw ik op U;

56:5

op God, wiens woord ik prijs.
Op God vertrouw ik, ik vrees niet;
wat zou vlees mij aandoen?

56:6

De gansen dag verminken zij mijn woorden;…

56:7

terwijl zij loeren op mijn leven.

56:8

Stort de volken in toorn neder, o God!

56:9

Mijn omzwerving hebt Gij te boek gesteld,
doe mijn tranen in uw kruik;
zijn zij niet in uw boek?

56:10

dit weet ik: dat God met mij is.

56:11

Op God, wiens woord ik prijs,
op de HERE, wiens woord ik prijs,

56:12

op God vertrouw ik, ik vrees niet;
wat zou een mens mij aandoen?

56:13

Op mij, o God, rusten geloften, U toegezegd,
lofoffers zal ik U betalen,

56:14

want Gij hebt mijn leven gered van de dood;
immers ook mijn voet van aanstoot,
zodat ik voor Gods aangezicht mag wandelen
in het licht des levens.


Je zult maar in zo’n gevaarlijke situatie zitten. De Filistijnen hadden David gevangen genomen. Daar kan alleen maar heel veel slechts uitkomen. Ze loerden op zijn leven. David smeekt ook om genade. Want hij zit vreselijk in het nauw. Dat kan niet goed gaan. Maar, wat doet hij? Hij roept in de kerker en prijst de HERE. “Ten dage dat ik vrees, vertrouw ik op U.” Dat is krachtige taal. Hoe kunnen wij soms in het nauw zitten en dan roepen we tot de HERE, maar we vertrouwen niet erg op Hem. We zien het eigenlijk niet zitten. Op God vertrouw ik, zegt David, ik vrees niet; wat zou vlees mij aandoen? Niets toch? Dat is duidelijk. David ziet de almacht van God en daar is niets tegen bestand. Dan kun je in een kerker zitten, maar God is toch sterker.

God weet alles, de vijand kan verschrikkelijk tekeergaan. Ze kunnen op je loe­ren en al je gangen nagaan om je tegen te werken. Maar de vijanden hebben het al verloren. Want God is met mij. “Op God, wiens Woord ik prijs.” We mogen gaan staan op het Woord van God. Dat kan niet stuk. Dat moet je ook doen. Altijd en overal. We moeten er blij van zijn en worden. Want God ver­laat je nooit. Hij is altijd met je. Je mag in de overwinning staan. De HERE is groot. Prijs zijn Naam! Hij is er ook nu. In welke situatie je ook zit. Hij wil je helpen. Hij wil je redden. Prijs de HERE! Wat kan een mens je dan aandoen?

We hebben de verlossing in Christus. De profetieën van God zijn ja en amen. En wat een beloften. Het kan niet stuk. Heerlijk toch? Lofoffers zal ik U beta­len. Want gij hebt mijn leven gered van de dood, zodat ik voor Gods aange­zicht mag wandelen in het licht des levens. Daar word je toch blij van? Daar zit zo’n enorme bescherming in, dat je er steeds meer van wilt weten. Daar kan je het elke dag, dus ook vandaag, mee doen. Lees het nog maar eens. En dan moet je je er niet tegen verzetten, zo in de trant van, het kan toch niet. Wat moet ik er mee? Want daar zitten we vol van. Neen, daar moeten we mee le­ven. De woorden van God komen naar jou toe. We moeten het neer laten da­len in onze ziel. Daar valt het op de bodem van je hart. Daar kan het alleen maar rust brengen. Want ook wij worden aangevallen door de boze, die steeds maar andere dingen in ons hart wil pompen. Onrust, leugen en bedrog, op­stand. We weten er alles van. Maar leer van David dat temidden van de groot­ste nood hij naar God ging en kon prijzen, omdat God hem daar de kracht voor geeft. En dat is vandaag nog zo. Alle kracht komt van God, anders kan het toch niet?




Psalm 57:1-12

4 mei [2]



57:1

Een kleinood, toen hij voor Saul in de spelonk vluchtte.

57:2

Wees mij genadig, o God, wees mij genadig,
want bij U schuilt mijn ziel;
ja, in de schaduw van uw vleugelen zal ik schuilen,
totdat het onheil voorbij is.

57:4

God zal zijn goedertierenheid en waarheid zenden.

57:5

hun tong een scherp zwaard.

57:6

Verhef U boven de hemelen, o God;
uw heerlijkheid zij over de ganse aarde.

57:7

zij groeven een kuil voor mijn aangezicht,
zij vielen daar midden in.

57:8

Mijn hart is gerust, o God, mijn hart is gerust;
ik wil zingen, ja psalmzingen.

57:10

Ik zal U loven, o Here, onder de volken,
Ik zal U psalmzingen onder de natiën;

57:11

want hemelhoog is uw goedertierenheid,
tot aan de wolken reikt uw trouw.

57:12

Verhef U boven de hemelen, o God;
uw heerlijkheid zij over de ganse aarde.


Je zult maar moeten vluchten voor Saul, die je steeds op de hielen zit. Dan heb je je verborgen in een spelonk en dan komt Saul daar ook binnen. Wat een spanning. Ziet u het voor u. Stil, geen enkel geluid maken, want anders ver­raad je je. Dan kost het je je kop. Het is echt een leven op leven en dood. We kennen allemaal de geschiedenis. Op dat moment dicht David deze psalm. Het is uit het leven gegrepen. Hij kent de benauwdheid. Hij kent de dreiging. Maar temidden van alles looft en prijst hij de HERE God. Hij weet zeker dat Die hem zal verlossen. Daar pleit hij op. David weet heel goed, dat alleen God de bescherming tegen de vijand geeft. Hij komt met zijn straf, tegen de vijand, van boven. Dat was toen, maar dat is vandaag, ook hier.

David is temidden van alle spanning en gevaar de rust zelve. Hij laat zich door God opheffen in de hemel. Zijn heerlijkheid is over de ganse aarde. “Mijn hart is gerust, o God, mijn hart is gerust; ik wil zingen, ja psalmzingen.” “Ik zal U loven, o Here, onder de volken, ik zal U psalmzingen onder de natiën; want hemelhoog is uw goedertierenheid, tot aan de wolken reikt uw trouw. Verhef U boven de hemelen, o God; Uw heerlijkheid zij over de ganse aarde.” Wat is het toch een prachtige psalm. Hoe is het mogelijk temidden van zoveel gevaar dit allemaal te zeggen. Dat is toch geweldig. Het is toch geweldig om dat te doen. Dat komt niet van David zelf. Dat komt van boven. Dat is de kracht waaruit wij leven. Dat is de liefde, de barmhartigheid, de genade, de lankmoe­digheid, de goedertierenheid van God. Hij wil ons de kracht geven om boven alle verdrukkingen uit je uit te trekken om boven de problemen van alle dag uit te stijgen, hoe moeilijk die ook kunnen zijn. Dat is toch geweldig. Dat is het leven met God. Als we op onszelf zien, dan komt er niets van terecht. Maar als we het van God verwachten, dan zijn we zalig. Dan hebben we het niet over onze problemen, maar dan zingen we psalmen. Dat is toch precies het tegenovergestelde van wat we ons voorstellen. Maar toch is het zo. Dat is God. Hij wil ons vullen met zijn liefde. Dat is het grote wonder.

Wat kunnen we toch vaak in de weer zijn, vol met vragen of we het wel goed doen, of we de wil van God wel kennen, of we wel bij Hem horen, enz. enz. Maar dat is nu juist het omgekeerde van wat we moeten doen. God is er. Hij wil ons zegenen. We kunnen het zelf ook helemaal niet. We weten ook niet waar we heen moeten. We komen onszelf ook steeds weer tegen, daarom is Hij er. Hij weet de kracht van de zonde. Daarom wil Hij zijn liefde en kracht uitstorten in onze zwakheid. Heerlijk toch? David, dank je wel! HERE God, dank U wel, dat U dit wonder in het leven van David, temidden van de grootst mogelijke moeilijkheden manifesteert. Een les voor ons allemaal. Daar word je blij van. Dan zie je het weer zitten. Hoor ik al de psalmzingers om me heen en in mijn eigen hart? Prijs de HERE!




Psalm 58:1-12

5 mei [2]



58:1

Verderf niet. Van David. Een kleinood.

58:2

Spreekt gij, goden, inderdaad recht?
Richt gij de mensenkinderen rechtmatig?

58:3

Veeleer bedrijft gij euveldaden in het hart,
op aarde weegt gij het geweld uwer handen af.

58:4

De goddelozen zijn van de geboorte aan afvallig,
De leugensprekers dwalen van de moederschoot aan.

58:5

Hun venijn is gelijk het venijn van een slang;…

58:7

O, God, verbrijzel hun tanden in hun mond,…

58:9

laten zij vergaan als een slak die voortkruipend wegsmelt,…

58:11

De rechtvaardige zal zich verheugen,
wanneer hij de wraak aanschouwt;…

58:12

En de mensen zullen zeggen:
Toch is er loon voor de rechtvaardige,
toch is er een God, die recht doet op aarde.


Neen, natuurlijk niet, de goddeloze doet wat recht is in zijn eigen ogen. Hij buigt het recht. Zij zijn van de geboorte af afvallig, ze dwalen van de moeder­schoot aan. Dat is nogal wat. Dat is een harde veroordeling. Durven wij dat te zeggen? Zijn wij niet vaak veel te aardig en vol met compromissen als het gaat om de goddeloze? We weten dat ze de ene goddeloze daad na de andere doen en toch zijn wij nog poeslief. Want je moet vooral aardig blijven. En daar gaat het nu juist om. Wat een ellende richten ze aan. Het is toch vreselijk, wat de goddelozen aanrichten? Kijk nu eens om je heen wat een verloedering. Wat een vreselijke wetten in ons land. Wat een spotternij als het over God gaat. En wij maar aardig zijn. God is het een gruwel. Hij rekent af met dat venijn. God verbrijzelt de ongerechtigheid. Daar mogen, moeten we naar uitzien. Dat moe­ten we van de HERE smeken. Daar moeten we Hem voor aanlopen in gebed en verootmoediging. En we moeten daar geen doekjes om winden. We moeten het aan de kaak stellen. We moeten elkaar opwekken en roepen om er weer­stand aan te bieden. Want voor je het weet is het kwaad ook je eigen hart en huis binnengeslopen. En dan ben je al gauw monddood.

De rechtvaardige zal zich verheugen als hij de wraak van God ziet. Dat is ook grote vreugde als een bolwerk van de boze geslecht is. Daar mogen we op pleiten. Dan zullen de mensen ook zeggen, kijk eens de rechtvaardige ont­vangt loon, toch is er een God, Die recht doet op aarde. En daar gaat het om. Het gaat er niet om dat wij eer behalen voor wat we doen. Maar het gaat om de eer van God. Die eer wordt gekrenkt. En die krenking begint bij onszelf als we de boel de boel maar laten. Hoe vaak doen we dat niet? We laten alles maar gaan. We komen er nauwelijks tegen in verzet. Dat is verkeerd. Dat moe­ten we niet nemen. We moeten opstaan en de eer van God hoog houden. Niet links en niet rechts. Alleen maar Gods naam hoog houden. En God let op de harten van zijn kinderen of die op Hem gericht zijn, want dan komt Hij met zijn kracht om die in onze zwakheid uit te storten en dan zul je nog eens zien wat er kan gebeuren. De Bijbel staat daar vol van. Daar word je blij van. Dan zit je nooit in de put, want je weet dat God aan je kant staat. En met God ben je de meerderheid want niemand is hoger en machtiger dan God.




Psalm 59:1-18

6 mei [2]



59:1

toen Saul zijn huis had laten bewaken om hem te doden.

59:2

Red mij van mijn vijanden, o mijn God;…

59:4

Want zie, zij loeren op mijn leven;…

59:5

zonder dat er ongerechtigheid is,…
Waak op, mij ter hulpe, en zie.

59:7

zij huilen als honden en lopen de stad rond.

59:9

Maar Gij, HERE, belacht hen,
Gij spot met al de heidenen.

59:10

Mijn sterkte, op U wil ik acht slaan,
want God is mijn burcht.

59:11

Mijn goedertieren God trede mij tegemoet…

59:14

Vernietig hen in grimmigheid, vernietig hen…
…opdat zij gewaar worden, dat God heerst in Jakob,
tot aan de einden der aarde.

59:17

Ik echter bezing uw sterkte,
des morgen jubel ik over uw goedertierenheid;
want Gij waart mij een burcht,
een toevlucht ten dage toen ik benauwd was.

59:18

Mijn sterkte, U wil ik psalmzingen;
want God is mijn burcht,
mijn goedertieren God.


Ik heb het eigenlijk nog nooit zo sterk gezien als nu. Stel je voor je zit in je huis en de vijanden liggen rondom je huis. Ze staan je naar het leven. Het ziet er naar uit dat ze je zullen pakken, want wat zal je doen tegen zo’n overmacht? Zo moet David zich gevoeld hebben toen Saul in de gaten had waar hij zich schuilhield. En wat doet David? Hij loopt God aan en roept zijn hulp in. Dat God de goddelozen maar mag verdelgen. Dat hij hen doet struikelen. Wat doen ze vreselijke dingen? Ze smaden God. Ze zondigen. David loopt God aan. Want anders kan hij ook niet doen. Hoe moet hij anders gered worden dan door de kracht van God? Zo is het toch altijd in ons leven. We leven uit de kracht en de bescherming van God. Als we dan in de benauwdheid komen, door wat voor reden dan ook, dan moeten we heel eenvoudig op de HERE ver­trouwen, dat Hij ons beschermt en ons redt dwars door alles heen. Het kan soms heel anders lopen dan wij ons voor ogen stellen, maar we zien achteraf altijd dat God een positieve bedoeling heeft om ons te redden en te beveiligen. Heerlijk toch? Wat een les kunnen we hieruit leren. En dan gaan we de HERE psalmzingen.

De vijanden lopen rond de stad. Ze loeren en ze loeren op zijn leven. Wat doe je dan als je ’s morgens opstaat? Dan houd je je hart vast wat er nu weer gaat gebeuren. Maar dat doet David niet. Hij bezingt Gods sterkte en jubelt over de goedertierenheid van God. “Want Gij waart mij een burcht.” En over die ster­ke God wil hij psalmzingen. “Want God is mijn burcht, mijn goedertieren God.” Heerlijk toch? Daar kun je mee verder. Dat is Godsvertrouwen. Dat is de werkelijkheid die God je wil geven. Heerlijk en nog eens heerlijk.




Psalm 60:1-14

7 mei [2]



60:2

en Joab op de terugtocht de Edomieten in het Zoutdal had verslagen, twaalfduizend man.

60:3

Gij zijt verbolgen geweest; herstel ons!

60:5

Gij hebt uw volk harde dingen doen zien,…

60:6

Gij hebt hun die U vrezen, een banier gegeven,…

60:7

Geef overwinning door uw rechterhand en antwoord ons.

60:8

God heeft gesproken in zijn heiligdom.
Ik wil juichen, ik wil Sichem verdelen,…

60:10

op Edom werp ik mijn schoen,
over Filistea juich ik.

60:12

Zijt Gij het niet, o God, die ons verstoten hadt;
zult Gij, o God, niet uittrekken met onze heerscharen?

60:14

Met God zullen wij kloeke daden doen,
want Hij zelf zal onze tegenstanders vertreden.


Hier is het volk in strijd gewikkeld geweest. David heeft ze verslagen. Hij roept God aan. Het volk heeft kwade dagen gehad. Waarschijnlijk zijn ze op het verkeerde pad gegaan en is God met de straf gekomen. Nu zijn ze ten strij­de getrokken met David en David heeft de overwinning behaald. Hij geeft God de eer. God had hen verstoten en toen ging het mis. Maar nu is God met hen opgetrokken en hebben ze de overwinning behaald. Weer een les. Zorg dat je in Gods bescherming blijft, dan gaat het je goed. Dan kan God iets met je doen. Anders gaat het verkeerd. Dan gaat het niet goed. Dan lukt het niet. God laat niet met zich spotten. Hij wil ons de overwinning geven, maar we moeten dan wel in zijn spoor blijven wandelen. Mensenhulp is ijdel. Het moet Gods hulp zijn. Heerlijk om dat steeds maar weer te ontdekken. Want we den­ken zo vaak te menselijk. Alsof we het zelf allemaal wel redden. Maar zo is het niet. God wil ons helpen. Hij redt!

En met God zullen we kloeke daden doen, want Hij zelf zal onze tegenstan­ders vertreden. Zo zit het, en niet anders. We moeten dat steeds voor ogen houden. We moeten ons wel toerusten tot de strijd. Maar dan moeten we het wel van Hem verwachten. Wat is ook hier weer het Godsvertrouwen van Da­vid groot. Hij ziet het zitten met God. Hij heeft een goede kijk op de dingen. Daar kunnen we van leren. Dan gaan er dingen gebeuren die we zelf niet voor mogelijk houden. Maar met God zien we het zitten. Heerlijk toch? Glorie voor zijn Naam! Dank U HERE! U bent onze Helper en Redder. Inderdaad, met U doen we kloeke daden omdat U het doet.




Psalm 61:1-9

19 juli [2]



61:2

Hoor toch, o God, mijn smeking,
sla acht op mijn gebed.

61:3

Van het einde des lands roep ik tot U,
omdat mijn hart bezwijkt;…

61:4

Want Gij zijt mij een schuilplaats geweest,
een sterke toren tegen de vijand.

61:5

laat mij schuilen, geborgen onder uw vleugelen.

61:7

Voeg dagen toe aan de dagen van de koning,…

61:8

moge hij voor altoos tronen voor Gods aangezicht.

61:9

Dan wil ik uw naam voor immer psalmzingen,
terwijl ik dag aan dag mijn geloften betaal.


Waar zou David geweest zijn? Wat zou er gebeurd zijn? Zou Saul achter hem aan zitten? Hij zit in de druk. Hij bidt. Hij roept tot God. Hij zit in moeilijk­heden. Hij pleit op God. HERE, hoor naar mijn smeking. HERE, sla acht op mijn gebed. Want Gij zijn mij een schuilplaats geweest. Ik weet het heel ze­ker. Zet mij op een rots en leidt mij uit de moeilijkheden. Laat mij niet in de steek. Ik weet niet meer hoe het moet. U alleen kunt mij redden. Laat mij toch voor altoos in uw tent vertoeven. Luister naar mijn geloften. Ik ben altijd trouw aan U geweest. Luister naar mij. U kunt mij redden. U bent mijn schuil­plaats.

We zien het voor ons. Het is ook een bede die ons op de lippen kan komen, als we het niet meer zien zitten. Als tegenslagen ons overvallen. Als het lijkt dat God ver weg is. Niets is minder waar. Dat weet David ook wel. Want aan de ene kant roept hij tot God: HERE, hoor toch! Aan de andere kant weet hij heel zeker dat hij bij God alleen veilig kan schuilen. Hij pleit op de beloften dat God eens de grote koning op de troon zal bevestigen. Het is een belofte aan Abraham gedaan. Het is een eeuwigdurende belofte. Dat weet David en daar pleit hij op. Het kan lijken of er niets van die belofte uitkomt, maar David weet dat dat niet zo is. Hij woont bij God en God woont bij hem.

Midden door onze smekingen heen blijft de eeuwige waarheid staan, dat God God is en dat Hij nooit genoeg te prijzen is, zelfs niet in de grootste nood. Maar onze smeking mag zijn of God ons wil redden uit al deze nood. Want Gij hebt het erfdeel gegeven aan hen die uw Naam vrezen. Het gaat er dus om, om in alle omstandigheden op God te blijven vertrouwen. Hij belooft ons het eeuwige leven. Hij laat ons nooit in de steek. Hij zond de Heilige Geest, de Trooster, om altijd bij ons te zijn. Om ons te binnen te brengen wat wij moe­ten spreken als de nood groot is. Om ons de weg te wijzen, die we moeten gaan. Om ons te leren, dat het lijden wordt gedragen door het lijden van de Messias. Zijn lijden is groter dan alles wat ons kan overkomen.

De schepping zucht en ziet met reikhalzend verlangen uit naar de openbaar­making van de zonen Gods. Maar niets kan ons scheiden van de liefde Gods. Want als God dan zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar voor ons allen overgegeven heeft, dan kan ons toch ook niets meer scheiden van de liefde Gods? Wat zou ons dan kunnen scheiden? Vul het zelf maar in. Denk er eens over na. Dat kan toch niet? Hoe is het mogelijk dat de heilige, hoogverheven God zijn Zoon geeft om te sterven voor mij, nietig mensenkind? Dat kan toch helemaal niet? Dat is onmogelijk! Zouden wij dat doen? Zouden wij ons leven willen geven voor die zondige, steeds weer tegen mij rebellerende mensen? Zouden wij niet allang de boel de boel gelaten hebben en gezegd hebben: laten ze het zelf maar uitzoeken, ik bemoei me er niet meer mee? Maar zo niet God! Hij heeft ons zo lief, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. Dat is je toch niet voor te stellen? Zouden wij dan maar niet een toontje lager zingen en God aanroepen en Hem op onze knieën danken. Omdat Hij zeker het beste met ons voor heeft en omdat Hij ons dwars door de nood en zelfs dwars door de dood, vasthoudt en opneemt in zijn eeuwig paradijs, het Koninkrijk van recht en gerechtigheid, dat met duizelingwekkende vaart komende is? Glorie voor zijn Naam. Prijs de HERE!




Psalm 62:1-13

20 juli [2]



62:2

Waarlijk, mijn ziel keert zich stil tot God,
van Hem is mijn heil;

62:3

waarlijk, Hij is mijn rots en mijn heil,
mijn burcht, ik zal niet te zeer wankelen.

62:5

Waarlijk, zij beraadslagen
om hem van zijn hoogte af te stoten,
zij scheppen behagen in leugen;
zij zegenen met hun mond,
maar in hun binnenste vloeken zij.

62:8

Op God rust mijn heil en mijn eer,
mijn sterke rots, mijn schuilplaats is in God.

62:9

Vertrouwt op Hem te allen tijde, o volk,
stort uw hart uit voor zijn aangezicht;
God is ons een schuilplaats.

62:10

Waarlijk een ademtocht zijn de geringen,…
tezamen lichter dan een ademtocht.

62:11

als het vermogen aanwast,
zet er het hart niet op.

62:12

de sterkte is Godes.

62:13

Ook de goedertierenheid, o HERE, is uwe,
want Gij zult ieder vergelden naar zijn werk.


Van Hem is mijn heil. Waarlijk, Hij is mijn rots en mijn heil. Mijn sterke rots, mijn schuilplaats is in God. Dat is duidelijke taal. Je weet waar je moet schui­len. Je weet waar je je heil van kunt verwachten. Het is in de HERE God, en nergens anders. Je kunt in de druk zitten. Ze kunnen je achtervolgen. Ze kun­nen je naar het leven staan. Ze kunnen proberen je van een hoogte af te goo­ien. Ze kunnen proberen je het leven moeilijk te maken. Het doet er niet toe. Ik blijf in stilheid de HERE verwachten. Ik vertrouw op de HERE te allen tijde. Dat is geloofstaal. Dat is zekerheidstaal. Dat is geen twijfeltaal. Dat is niet heen-en-weer-slinger- taal. Dat is een vast fundament. Dat is de rots. Daar kun je op bouwen. Daar wankel je niet. Daar sta je vast. Daar kan het stormen, maar je blijft staande. En wat kan het stormen! Wat kan het tekeergaan! Wat kan het leven je tegen zitten. Op vele manier dan ook. Het kan je gezondheid zijn, het kan je baan zijn, het kunnen andere omstandigheden zijn, het kunnen je vijanden zijn, vul het maar in. Maar het gaat erom dat je je heil blijft ver­wachten van de HERE. Hij laat je niet in de steek. Op Hem kun je vertrouwen. Het leven met Hem is grote vreugde en veiligheid en heil. Keer in stilte tot de HERE God. Daar zul je pas rust vinden, en elders niet. Je kunt de hele wereld afzoeken, maar je zult alleen terecht kunnen bij God. Heerlijk evangelie. Wat een zegen. Wat een genade. Daar word je blij van. Daar kun je mee verder. Glorie voor God.

Om je heen kunnen ze je zegenen met hun mond, maar van binnen vervloeken ze je. Uit het leven gegrepen. Met de vroomste woorden kunnen ze je te lijf gaan. Je denkt er heel wat van, maar ondertussen steken ze een dolk in je rug. Vroomheid en bedriegerij. De Bijbel, de geschiedenis en het leven zit er vol van. Keer je daar van af. Doe er zelf niet aan mee. Bezondig je niet. Ontmas­ker die leugen. Weersta de vijand. En zoek je heil bij God, de schuilplaats, de rots. Stort je hart uit voor zijn aangezicht, want Hij is onze schuilplaats. Het is een ademtocht, dat we hier zijn. Hij blaast en we zijn er niet meer. Het is zo voorbij. Laten we ons niets verbeelden. God is goed.

Stel geen ijdele hoop op de dingen die je niet toebehoren. Alles is van God. Het is geleend goed. Als je vermogen aanwast, zet dan je hart er niet op. Maar zet je hart op God en dankt Hem dat je er een tijdje rentmeester van mag zijn. Je hebt het tweemaal gehoord. God heeft gesproken, stel je vertrouwen op de HERE God. Blijf daarbij. De sterkte is Godes en niemand anders. Niets en niemand anders kan de plaats van God innemen. Dat is ijdelheid en bedrog. Geloof het niet. De goedertierenheid is van U, o HERE. En Gij zult ieder ver­gelden naar zijn werk. Het veiligste is om je vertrouwen op de HERE God te stellen. Ga je je vertrouwen stellen op mensen en/of geld, dan kom je verkeerd uit. Want God blaast erin en het is voorbij. Maar het heil bij de HERE God is voor eeuwig. Prijst de HERE. Dank U wel. Wat een zegen. Wat een rust te­midden van welke strijd dan ook.




Psalm 63:1-12

21 juli [2]



63:1

toen hij in de woestijn van Juda was.

63:2

O God, Gij zijt mijn God, U zoek ik,
mijn ziel dorst naar U,
mijn vlees smacht naar U,
in een dor en dorstig land, zonder water.

63:3

Zo heb ik U in het heiligdom aanschouwd,
ziende uw sterkte en uw heerlijkheid.

63:4

Want uw goedertierenheid is beter dan het leven;
mijn lippen zullen U roemen.

63:5

Zo wil ik U prijzen mijn leven lang,
in uw naam mijn handen opheffen.

63:6

Als met vet en merg word ik verzadigd,
mijn mond looft met jubelende lippen,

63:7

wanneer ik Uwer gedenk op mijn legerstede,
in nachtwaken over U peins.

63:8

Want Gij zijt mij een hulp geweest,
in de schaduw van uw vleugelen jubel ik.

63:9

Mijn ziel is aan U verkleefd,
uw rechterhand houdt mij vast.

63:10

Maar wie mijn leven zoeken te verderven,
zullen komen in de diepten der aarde.

63:11

Men zal hen overleveren aan de macht van het zwaard,
zij zullen een prooi der vossen worden.

63:12

Maar de koning zal zich in God verheugen;
ieder die bij Hem zweert, zal zich beroemen,
omdat de mond der leugensprekers wordt gestopt.


David is in de woestijn van Juda. Daar zal hij wel zijn, omdat Saul hem naar het leven staat. Wat heeft David een psalmen gedicht vanuit de nood. De nood leert bidden. Je wordt vanzelf naar God toe gedreven, omdat je eigen moge­lijkheden uitgeput zijn. Zolang we het zelf wel kunnen redden, komt steeds ons eigen geredeneer, ons eigen ik, onze eigen trots, onze eigen hoogmoed om de hoek kruipen om God weg te duwen. Wat onteren we God daarmee! Wat moet Hij daarvan een verdriet hebben. Hij schept ons bijna goddelijk, en wij maar een beetje om Hem heen proberen te lopen. Wat moet de pot tegen de pottenbakker zeggen?! Hij heeft ons gemaakt! Wij zijn het leem. Hij kneedt ons. Wat denken we wel? God geeft de overwinning! God leidt ons leven. David heeft het geweten. Hij getuigt ervan, ook in deze psalm. Lees maar mee: Mijn ziel dorst naar U als een hert naar de waterstromen, in een dorstig land zonder water.

En dan gaat zijn blik naar het heiligdom. Zijn hart en ogen aanschouwen God, om zijn sterkte en heerlijkheid te zien. Wat was het een heerlijkheid! Alles was door God zelf heel precies omschreven. Het was vanuit het heiligdom dat God met Mozes sprak. God sprak en er was water. God sprak en de overwin­ning was daar. God sprak en de zee week uiteen. God sprak en de muren van Jericho vielen. Enzovoort, enzovoort, enzovoort. Er komt geen einde aan. En ook vandaag is dat nog net zo. God spreekt en het is er. En het is het grote geheim om te blijven in de goedertierenheid van God. Dat is zelfs beter dan het leven. Want leven doe je eeuwig vanuit de goedertierenheid van God. Dan wellen de lofzangen op in je hart. Dan word je blij. Dan zie het zitten, zelfs in de grootste nood als ze je naar het leven staan. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Het is alsof je met het mooiste verzadigd wordt. Je lippen loven Hem je leven lang. “In de schaduw van uw vleugelen jubel ik.” Wat kun je daar mooie liederen op maken. Wat zijn de psalmen geweldig om te zingen. Ze komen aan in de hemel. Ze vullen je hart met blijdschap en duwen de donkere plekken weg. Of nog beter: ze reinigen en helen je hart. Daar hebben we alle­maal dringend behoefte aan. God is goed. Hij wil het goede voor alle mensen. Niemand uitgezonderd. En dat moeten we proclameren. Glorie voor zijn Naam.

“Mijn ziel is aan U verkleefd.” Zo moet het zijn. Je wilt niet anders. En als je je in je eigenwijsheid ervan los wilt maken, dan heb je daar een hele klus aan, want trek jij maar eens iets dat verkleefd is van elkaar. Het is net als bij het huwelijk: die twee worden één. En wat God samengevoegd heeft, scheide de mens niet. Glorie voor zijn Naam. God is goed. Dank U, HERE. Op deze morgen gaat mijn hart van vreugde op, om ook dicht bij U te schuilen. Want het is waar. U leest mij vanmorgen en ik kom onder het beslag van uw Heilige Geest, die mij vult met blijdschap en liefde. Dank U wel.

Wie proberen de rechtvaardigen te verdelgen, die zullen slecht uitkomen. Ze komen in de diepten der aarde. Daar is de poel des verderfs. Daar moet je niet terecht komen.

Maar wij en de koning zullen zich in God verheugen; ieder die bij Hem zweert, zal zich beroemen, omdat de mond der leugensprekers is gestopt. Het kan het omgekeerde lijken voor onze ogen, maar de werkelijkheid is het leven te zien vanuit Gods ogen. En God ziet de rechtvaardigen aan, Hij zoekt de oot­moedigen op. Hij gaat uit van de zaligsprekingen. Hij kwam om te redden en niet om de macht te vestigen vanuit het aardse gedoe. Daar moeten wij ook steeds van bekeerd worden. Hij vestigt zijn rijk van recht en gerechtigheid. “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeu­wig leven hebbe.” Glorie voor zijn Naam! Wie wil nu niet het eeuwige leven uit genade ontvangen, waar recht en gerechtigheid heerst en waar alle tranen van je ogen worden afgewist en we eeuwig zullen zingen voor Gods troon?




Psalm 64:1-11

22 juli [2]



64:2

behoed mijn leven voor de verschrikking van de vijand;…

64:3

voor het woelen van de bedrijvers der ongerechtigheid,

64:4

die hun tongen wetten als een zwaard;…

64:5

plotseling schieten zij op hem, zonder iets te ontzien.

64:6

zij zeggen: wie ziet ze?

64:7

Zij zinnen op euveldaden:
“Wij zijn gereed, het plan is goed bedacht.”

64:8

Maar plotseling treft God hen met een pijl;

64:9

Hun tong doet hen over zichzelf struikelen;…

64:11

De rechtvaardige zal zich in de HERE verheugen
en bij Hem schuilen,
alle oprechten van hart zullen zich beroemen.


Wat kan de vijand tekeergaan. Wat kunnen ze gemene dingen doen. Als het kwaad je te pakken heeft, dan ben je niet meer te houden. Want de vijand van God wil niets anders dan de boel van God kapot maken. Niets weerhoudt hem om de vreselijkste dingen te doen. En wij, als kleine door God geschapen kin­deren, hebben daar alles mee te maken. Want de boze heeft het met name op het hart en het leven van Gods kinderen gemunt. Als je dicht bij God wilt le­ven, dan kun je er zeker van zijn dat de boze je probeert aan te vallen. David weet daar alles van. Hij roept dan ook tot de HERE: “Behoed mijn leven voor de verschrikking van de vijand… want ze wetten hun tong als een zwaard.” Ze zinnen op euveldaden. En plotseling vallen ze je aan. Maar plotseling komt dan God en treft hen met een pijl. Ze struikelen over hun eigen tong. Daarna is het afgelopen. Het is gebeurd. God treedt op. Dat staat vast. Ze denken: God ziet het niet. Maar God ziet het en doorgrondt het. Hij laat hen struikelen over hun eigen boze plannen. Ze vallen in hun eigen strik. Het kan kort duren of het kan lang duren, maar dat is de weg van de onrechtvaardigen. Maar zij die de HERE verwachten schuilen bij Hem. Zij zullen zich in de HERE verheugen.

Daar ligt weer de nadruk op de schuilplaats des HEREN. Er is kennelijk ge­vaar. We worden kennelijk bedreigd. Waarom moet er anders een schuilplaats zijn? Want God wil ons beschermen. Hij weet hoe venijnig en gemeen de aan­vallen van de vijand zijn. Die leven zonder God en die beramen de gemeenste plannen en denken ook nog dat God het niet ziet. Ook wij kunnen dat soms denken, want hoe is het mogelijk dat God niet ingrijpt bij de bedrijvers der ongerechtigheid? Wat is er een ongerechtigheid in de wereld! Het is onvoor­stelbaar! Het is verschrikkelijk! Wat een ellende! Wat een toestand. Je wordt er toch beroerd van. Maar we moeten oppassen om niet het zicht kwijt te ra­ken op de weg van God. We mogen net als David het uitschreeuwen tot de HERE, dat Hij ons uitredt uit de verschrikking van de vijand. Want God wil gebeden zijn. Hij wil aangeroepen zijn. We mogen Hem aanroepen of Hij ons wil verbergen voor de raadslag der boosdoeners. En Hij wil de gebeden ver­horen. Soms heel anders dan wij ons voorstellen, maar Hij heeft het alleen maar gemunt op de redding en de bescherming van ons hart. Soms gaat dat door kastijding heen. Hij wil ons bijschaven en ons kneden naar zijn wil. We doen er goed aan om ons onvoorwaardelijk aan Hem over te geven. Waarom moeten we het Hem moeilijk maken om ons te kastijden? Een vader kastijdt zijn zoon uit liefde. Maar hij heeft er geen plezier in. Hij heeft liever dat hij hem gehoorzaamt, want dan wordt het allemaal wel een beetje gezelliger. Dat moeten we ons bij elke stap in ons leven voor ogen houden.

Blijf dicht bij Hem. Blijf in zijn liefde. Schuil bij Hem. Zelfs al gaat het soms tegen je eigen gevoel in. God is goed. Daar hoef je niet aan te twijfelen. God redt ons uit de grootste nood. Wat staat de Bijbel daar niet vol van. God is al­tijd daar waar de nood is. Zijn Zoon de HERE Jezus is altijd daar waar men­sen in de druk zijn. Hij kwam om te redden. Hij kwam om de verbrokenen van hart te ondersteunen. Hij liet de gevangenen vrij. Hij is er voor de weduwe en de wees. Hij is er voor de armen. Hij laat hen niet in de steek. Zo kun je op de vuilnisbelt van dit leven de HERE God loven en prijzen, omdat je dwars door de nood van deze wereld heen ontdekt hebt, dat God oneindig goed is en met een duizelingwekkende vaart aanstormt op het eeuwige Koninkrijk van recht en gerechtigheid, waar vrede en liefde en geluk en blijdschap en alles wat goed is heersen. Daar proeven we al iets van als we ons leven veilig weten in de schuilplaats des Allerhoogsten.

Dan kan het onvoorstelbare gebeuren, dat we midden in de grootste nood en strijd van het leven toch de onvoorstelbare en ondoorgrondelijke vrede van God in ons leven ervaren. Hij is dan heel dichtbij. Hij zal ons dan de woorden te binnen brengen, die we moeten spreken. Als ze Hem vervolgd hebben, dan moeten we ons niet voorstellen dat wij niet vervolgd zouden kunnen worden. Dan ontdek je dat het een eer en een voorrecht is om om Jezus wil in zijn lij­den te mogen delen. Dat is een groot geheim, maar dat is het leven met God en uit God. Want het is zijn genade en liefde die vanuit zijn heiligdom zo dicht bij ons komt, dat het woont in ons hart. Het is niet voor te stellen dat die hoge, heilige God kwam om door zijn Zoon Jezus en de Heilige Geest in ons hart te wonen?! Dank U, HERE God. Bij U wil ik schuilen voor altijd. Prijs de HERE.




Psalm 65:1-14

23 juli [2]



65:2

U komt stilheid toe, een lofzang, o God in Sion;
U worde gelofte betaald.

65:3

Hoorder van het gebed,
tot U komt al wat leeft.

65:4

Ongerechtigheden hadden de overhand over mij;
onze overtredingen – Gij verzoent ze.

65:5

Welzalig hij, die Gij verkiest en doet naderen,
opdat hij wone in uw voorhoven.
Wij zullen verzadigd worden met het goede van uw huis,
het heilige van uw tempel.

65:6

Met geduchte daden antwoordt Gij ons in gerechtigheid,
o God van ons heil,
Gij, vertrouwen van alle einden der aarde
en van de verste zeeën;

65:7

Gij, die de bergen vastzet door uw kracht,
met sterkte omgord;

65:8

die het bruisen der zeeën doet bedaren,
het bruisen van haar golven en het rumoer der natiën.

65:9

Daarom vrezen zij die de einden bewonen
voor uw tekenen;
waar de morgen gloort en de avond daalt,
brengt Gij gejuich.

65:10

Gij bezoekt het land en verleent het overvloed,
Gij maakt het zeer rijk.
De beek Gods is vol water,
Gij bereidt hun koren. Ja, zo bereidt Gij alles.

65:11

Gij drenkt zijn voren, Gij doorvochtigt zijn kluiten,
door regenstromen maakt gij het week; Gij zegent zijn gewas.

65:12

Gij kroont het jaar van uw goedheid,
uw sporen druipen van vet;

65:13

de dreven der steppe druipen,
de heuvelen omgorden zich met gejuich;

65:14

de landouwen zijn bekleed met kudden,
de dalen tooien zich met koren:
zij jubelen elkander toe, ook zingen zij.


Ja, zo is het. De beek Gods is vol water. Daar waar water is, daar geeft de HERE zijn zegen. Daar groeien de gewassen. Daar is overvloed. De dreven der steppe druipen, de heuvelen omgorden zich met gejuich. Zo is het. Alleen als er groei en bloei is, dan zullen we kunnen eten. De koeien grazen. De aren wuiven. De vruchten rijpen. En wij kunnen het eten. Maar komt de regen niet, dan is er geen eten. Dan gaan de planten en de dieren dood. Dan heerst er de dood. En hoe heerst de dood in de verzengende woestijn! Dat heeft het volk Israël geweten, toen ze in de woestijn van water omkwamen. Maar God gaf hen het water. God hield hen in leven. Het komt allemaal van God, want God doet de zeeën bruisen en bedaren. God doet het gewas groeien en doet het gewas uitspruiten. Hij heeft het grote wereldgebeuren in zijn hand.

Het wordt tijd dat we het vanuit God gaan zien en niet steeds maar weer den­ken dat we het zelf wel kunnen regelen. Het allerbelangrijkste is dat we een toontje lager zingen en in vertrouwen de HERE lofzingen. Hoorder van het gebed, tot U komt al wat leeft. Ongerechtigheden hadden de overhand op mij, maar Gij vergeeft ze. Met geduchte daden antwoordt Gij ons in gerechtigheid. We moeten niet denken dat we het zelf allemaal in de hand hebben. We doen wel vaak alsof, maar zo is het niet. Daar halen we het oordeel mee over ons. God laat zijn eer niet roven. Hij lacht en veegt de vloer met ons aan. Daar waar de liefde Gods wegebt uit je leven, komt leegheid en ellende. Ook al kun je dan nog zoveel geld en welvaart hebben, het leven is leeg. Je bent niet meer geborgen in Gods hand, maar overgeleverd aan de speelbal van de boze. Het is onvoorstelbaar naïef om te denken, dat wij de bergen vastzetten en de zee be­daren kunnen. Het is een leugen van de bovenste plank, als de mensen met hoogverheven stem verkondigen dat het allemaal best goed komt. Want ze hebben nog niet gesproken of de volgende ramp dient zich al weer aan. Het is de hoogmoed die de mensen naar het hoofd stijgt en hen in het oordeel doet belanden. Hoe vaak is de hoogmoed met kerkelijke vroomheid en eigengereid­heid omringd! Het kan alleen maar goed komen als er onvoorwaardelijke eer­bied is voor het woord van God. En niet andersom. God is goed. God is groot. God is heilig.

Daarom moeten we steeds weer opnieuw zien, hoe Hij van boven naar ons toekomt en ons zijn levensregels, zijn geboden ten leven voorhoudt. Het is met je verstand heel eenvoudig te doorzien dat de geboden van God goed zijn. Het is dom om eraan voorbij te gaan. Het is zo simpel en zo eenvoudig, dat we ge­neigd zijn het niet te geloven, want we kunnen de simpele dingen niet geloven. En toch is het zo. Je hoeft er niet voor naar de overkant van de zee om het te halen. Nee, je hebt de geboden van God in je mond en in je hart. Het werkt als je het doet. God staat erachter. Het is het heerlijkst om in die leefregels te blij­ven en daar je leven mee te vullen. Glorie voor zijn Naam. Deze psalm staat er vol van. Je hoeft er niet aan te twijfelen. Wat weer een heerlijk vergezicht. Prijs de HERE.




Psalm 66:1-20

24 juli [2]



66:1

Juicht Gode, gij ganse aarde,

66:2

psalmzingt de heerlijkheid van zijn naam;
maakt zijn lof heerlijk.

66:3

Zegt tot God: Hoe geducht zijn uw werken;…

66:4

De ganse aarde aanbidde U,
en psalmzinge U, zij psalmzinge uw naam.

66:5

Komt en ziet Gods daden;…

66:6

Hij veranderde de zee in het droge,…

66:7

die door zijn sterkte voor eeuwig heerst,…

66:9

en niet toeliet dat onze voet wankelde.

66:10

Want Gij hebt ons getoetst, o God,…

66:12

maar Gij voerdet ons uit in de overvloed.

66:15

Brandoffers van mestkalveren zal ik U brengen,…

66:16

Komt, hoort,…
wat Hij gedaan heeft aan mijn ziel.

66:17

of er was een lofzang onder mijn tong.

66:19

Voorwaar, God heeft gehoord,
Hij heeft gelet op mijn luid gebed.

66:20

Geprezen zij God, die mijn gebed niet afwees,
noch mij zijn goedertierenheid onthield.


De daden van de HERE God zijn geducht. Kijk toch en je ziet het. Je bent ge­wild stekeblind als je het niet wilt zien. Je hebt een blinddoek voor als je er aan voorbij wilt gaan. De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U. Dat is de richting die we moeten gaan. Want als we de daden zien, dan kunnen we al­leen maar onze lof uiten. Want Hij wil ons zegenen. Hij wil ons in deze aardse tent vasthouden en redden en beschermen tegen de boze die ons in de onge­rechtigheid wil storten. Pas op. Let op God en laat je niet verleiden. Hij veran­derde toch de zee in het droge. Dat was toch een machtig wonder. Durf je dan nog te twijfelen aan de macht en de majesteit van God?

God toetst ons. Hij loutert ons. Soms door pijn en moeite heen. Want wij zijn zo vaak afgeweken. We gaan zo vaak onze eigen weg. Maar dat moeten we niet doen. Dan roept God en wil ons toch weer bij de hand nemen. Hij roept: Bekeer je. Laat je niet verleiden. Blijf op de weg. Ga met God, dan ga je goed. Pas op de valkuilen, de verleiding. Hij toetst ons. Hij laat ons soms door moei­lijke wegen gaan om ons in de overvloed te leiden. Want aan zijn hand komen we in zijn eeuwig Koninkrijk. Dan gaan we zingen en Hem loven en prijzen. Want Hij heeft ons uitgeleid uit de zonde en ons gered. Door het bloed van de HERE Jezus, de middelaar tussen God en de mensen. Dat wil je wel uitbazui­nen aan allen die het willen horen. Je vertelt wat God aan je gedaan heeft. Dat zijn de grote wonderen in het leven. Het is een wonder. Het komt niet in je eigen kracht. Het is Gods kracht, die uitgestort wordt in jouw zwakheid. Je wordt opgericht naar God toe, om bij Hem te schuilen en vanuit zijn heilig­dom Hem te loven en te prijzen. Daar gaat het steeds maar om in de psalmen van David. Mensen, doe toch niet zo dom om het van je zelf te verwachten! Mensen, pas toch op dat je niet meegaat met de zonde en de ongerechtigheid. Je weet toch wat er van terechtkomt! Je weet toch ook van de geschiedenis van Gods volk? Hoe zij steeds weer in zonde zijn gevallen en van Gods weg zijn afgeweken en wat voor ellende er uit is voortgekomen? Blijf dan dicht bij de geboden van God. Schuil bij Hem. En roep met luide stem tot God in je benauwdheid. Hij wil je horen. Hij wil je redden. Blijf dicht bij Hem, dan word je uitgered. Dan laat Hij je niet in de steek. Dan kun je je blij en veilig voelen in de grootste strijd. Want in Hem word je onaantastbaar. Je bent dan niet meer van deze wereld, maar in de andere wereld. Het Koninkrijk der hemelen is al aangebroken in je leven, hier in je sterfelijk lichaam, dat in een punt des tijd veranderd wordt in een onsterfelijk lichaam. Dan zullen we altijd bij Hem zijn.

Dat is ons leven. Dat is pas leven. En dat leven wordt aan iedereen aangebo­den. Niet één uitgezonderd. Het is de roepstem, die steeds maar klinkt. Kom en maak haast, want deze dag gaat voorbij. Glorie voor zijn Naam. Stel niet uit wat je vandaag kunt doen. Vandaag is de dag dat de rest van je leven be­gint. Hoe wil je dat doen? Geef je onvoorwaardelijk over aan de macht van Jezus. Heerlijk evangelie. Wat een aanbod van genade. Dank U Here Jezus.




Psalm 67:1-8

25 juli [2]



67:2

God zij ons genadig en zegene ons,
Hij doe zijn aanschijn bij ons lichten;

67:3

opdat men op aarde uw weg kenne,
onder alle volken uw heil.

67:4

Dat de volken U loven, o God;
dat de volken altegader U loven.

67:5

Dat de natiën zich verheugen en jubelen,
omdat Gij de volken in rechtmatigheid richt,
en de natiën op de aarde leidt.

67:6

Dat de volken U loven, o God,
dat de volken altegader U loven.

67:7

De aarde gaf haar gewas,
God, onze God, zegent ons;

67:8

God zegent ons,
opdat alle einden der aarde Hem vrezen.


Waar komt het graan vandaan? Hoe groeit het gras? Hoe komen de appels, hoe de gewassen? Waar komt de groei vandaan? Hoe is het mogelijk dat het bo­venste blaadje in de boom het water krijgt, diep uit de wortels in de grond? Hoe komt alles tot stand? Het gras verdort, de bloem valt af, maar toch geeft God die zo’n wonderschone vorm. Wat een pracht en een praal in de schep­ping. Ga het maar eens na hoe het allemaal tot stand komt. Daar kom je niet achter. Je kunt van alles onderzoeken en verklaringen vinden, maar hoe meer je onderzoekt, hoe meer je tot de conclusie komt dat het toch allemaal wel heel mooi en als een wonder in elkaar zit. Dat is geen evolutie. Dat is een scheppende hand die met de grootst mogelijke precisie en liefde het zo ge­schapen heeft dat alles tot zijn recht komt. Hoe meer men doordringt in de diepten der schepping, hoe meer men ontdekt, dat er nog veel meer achter zit.

Als de oogst er is dan kunnen we er van eten. Dan zijn we dankbaar dat er weer een winter te eten is. Dan slaan we alles in de schuren op. Dan wordt het verdeeld onder de mensen. Dan zijn we blij dat de oogst er weer is. De boer zaait, maar God geeft de wasdom. De gelijkenis van de zaaier en de maaier. God geeft de wasdom. De graankorrel valt in de aarde en moet sterven, opdat er veel vrucht aan kan komen. Een groter wonder is er niet. We nemen het als vanzelfsprekend aan, want we weten niet anders, maar als je er over nadenkt, dan word je stil van het grote wonder, het grote geheim, dat zich daar in de grond afspeelt. Wat kan er nu in de grond zijn? Maar de sappen en het vocht en het gehele proces speelt zich af daar in dat kleine holletje waar de graan­korrel terecht gekomen is. En kijk eens naar het mosterdzaadje. Het is het kleinste zaadje onder de gewassen en kijk eens, wat een grote boom komt er­uit! Het is je niet voor te stellen. God is groot. Daar moeten we allemaal van getuigen. Het is onvoorstelbaar. Daarom komt David tot de blijde uitspraak, dat God dit wonder en deze genade en dit voedsel laat groeien, opdat de vol­ken der aarde Hem zullen loven. Het begint bij onszelf. Als we daaraan den­ken dan is er niets meer in ons dat niet de HERE, onze God, wil loven en prij­zen. Want we kunnen Hem wel eeuwig danken en loven en prijzen voor zo­veel zorg en liefde. Hij zegent ons en is ons genadig. Hij doet zijn aanschijn over ons lichten, opdat de volken zijn weg kennen en tot erkentenis der waar­heid komen. Het is een zegen. Het is Gods genade. Het is zijn liefde voor de mensen. Hij wil dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waar­heid komen. En dit is de waarheid: God richt de volken in rechtmatigheid. Hij haat de zonde. Hij wil dat de mensen zien dat Hij goed is. Hij straft de zonda­ren en de onrechtmatigen. Kijk maar hoe Hij dat doet. Hij zegent de rechtvaar­digen. God zegent ons, opdat de einden der aarde Hem vrezen. Met deze bood­schap van heil kunnen we, nu de oogst binnen is, Hem loven en prijzen.

Wat een grote kracht zit er in deze boodschap. Het is een heerlijk evangelie. Want ook bij de mens is het dat de graankorrel sterft en in de aarde valt en dat God nieuw leven in ons geeft, opdat wij groeien en bloeien en vrucht dragen. We mogen opstaan in zijn genade en kracht en ons leven gevuld weten met zijn kracht en genade. Het is een heerlijk evangelie. Het is zijn kracht en lief­de. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Glorie voor zijn Naam. Prijst de HERE. Wat een dag. Wat een psalm. Je wordt er blij van.




Psalm 68:1-19

26 juli [2]



68:2

God staat op, zijn vijanden worden verstrooid,
zijn haters vluchten voor zijn aangezicht.

68:4

Maar de rechtvaardigen verheugen zich,
zij juichen voor Gods aangezicht
en zijn blijde met vreugdebetoon.

68:5

Zingt Gode, psalmzingt zijn naam,
baant de weg voor Hem die door de vlakten rijdt;
HERE is zijn naam, juicht dan voor zijn aangezicht.

68:6

Hij is de vader der wezen en de rechter der weduwen,
God in zijn heilige woning;

68:7

God, die eenzamen in een huisgezin doet wonen,
die gevangene uitleidt in voorspoed;
doch weerspanningen wonen in een dor land.

68:8

O God, toen Gij vóór uw volk uittoogt,…

68:9

beefde de aarde, ook dropen de hemelen…

68:10

Een regen van milde gaven storttet Gij uit, o God,…

68:12

De Here deed het machtwoord weerklinken;…

68:13

De koningen der legerscharen vluchtten, zij vluchtten,…

68:17

waarom ziet gij afgunstig, gij veeltoppige bergen,
naar de berg die God Zich ter woning begeerde?
Waarlijk, de HERE zal er voor eeuwig wonen.

68:18

Gods wagens zijn twee maal tienduizend,
duizenden bij duizenden;
de HERE is van de Sinaï het heiligdom binnengegaan.

68:19

om daar te wonen, o HERE God.


Als God opstaat, dan worden de vijanden verstrooid. God is machtig. Nie­mand kan daar tegenop. God spreekt en de bergen wankelen. Hij is de over­winnaar. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. Kijk eens wat God deed toen Hij sprak in de woestijn. De grootste wonderen gebeurden. Voedsel was er en het schoeisel aan hun voeten versleet niet. Veertig jaar lang! Wie heeft daar ooit van gehoord? God sprak op de Sinaï en Hij is in Jeruzalem komen wonen. De bergen rondom waren jaloers en het gebergte van Basan met zijn vele top­pen. Maar God koos zich de berg Sion uit om daar te wonen. Om voor eeuwig daar te zijn. God is goed en nooit genoeg te prijzen. De rechtvaardigen zullen juichen, nee jubelen, Gode psalmzingen. Ze zullen Hem loven en danken voor zoveel goedheid. “Baant de weg voor Hem die door de vlakten rijdt; HERE is zijn naam, juicht dan voor zijn aangezicht.” Heerlijk evangelie. Wat een vreugde. Wat een zekerheid. Het druipt van deze psalm af.

De onrechtvaardigen kunnen tegen je tekeergaan. Maar God is rechter. Hij doet zijn machtswoord weerklinken en het is afgelopen met de onrechtvaardi­gen. Hij verslaat hun legers. En zo zal het gaan. Hij leidt zijn volk uit de woes­tijn. Hij laat het wonen in het door Hem uitverkoren land. Gods wagens zijn duizenden en duizenden. Daar is geen leger tegen opgewassen. De mensen proberen er van alles aan te doen om zich tegen God te verzetten, maar het baat niets. Ze gaan allemaal te gronde. Het kan een tijd lijken, alsof ze de overhand hebben, maar dat zal niet eeuwig duren. God komt om zijn Konink­rijk van recht en gerechtigheid te grondvesten. Dat is het vaste, eeuwige pers­pectief waar we ons aan mogen en kunnen vasthouden. Want Hij geeft ons ook de kracht en de genade en de vrede en de hulp. “Hij is de vader der wezen en de rechter der weduwen.” Hij is er juist voor hen die zwak zijn. Hij doet de eenzamen in een huisgezin wonen, Hij leidt gevangenen uit in voorspoed. Dat is de Messias. Hij kwam voor de verbrokenen van hart, de armen van geest, de gevangenen, de weduwen en de wezen. Hij redt hen uit alle nood. Hij doet hen heel dicht en veilig bij Hem wonen.

Het geheim is dat we dicht bij Hem moeten blijven wonen. Hij wil in ons hart, in ons leven komen. Hij wil heel dicht bij ons zijn. Hij is gekomen om ons te redden. Hij had ons lief. Hij leidt ons uit het diensthuis. En wat was dat niet een groot wonder. Zo wil Hij ons ook vandaag redden en dichtbij zijn. Het enige dat wij mogen doen en door genade kunnen doen is om gehoorzaam te zijn aan zijn roepstem en dicht bij Hem te schuilen. Dan vult Hij ons leven en ons hart. Dan worden we blij temidden van de grootste stormen en teleurstel­lingen. Dan roepen we tot Hem om uitredding en genade. Want waar moet het anders vandaan komen? Dan weten we zeker, dat Hij geen stenen voor brood zal geven. Dan ervaren we de vrede Gods die alle verstand te boven gaat. God is goed. Dank U, HERE, voor zoveel overweldigende kracht en liefde, die uit deze psalm spreekt. We zullen hem met volle borst zingen. Het is één van mijn lievelingspsalmen. Kun je zingen, zing dan mee.



Psalm 68:20-36

27 juli [2]



68:20

Geprezen zij de Here.
Dag aan dag draagt Hij ons; die God is ons heil.

68:21

Die God is ons een God van uitreddingen,
bij de HERE Here zijn uitkomsten tegen de dood.

68:22

Waarlijk, God verplettert het hoofd van zijn vijanden,…

68:23

Ik breng weder uit de diepten der zee,…

68:25

Men ziet uw feeststoet, o God,…

68:27

In koren prijzen zij God,
de HERE, die immers de springader Israëls is.

68:30

Vanwege uw tempel, ter wille van Jeruzalem
bieden koningen U geschenken.

68:31

verstrooi de volken die behagen scheppen in strijd.

68:33

Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode,
psalmzingt de Here;

68:34

Hem, die door de aloude hemel der hemelen rijdt.
Hoor, Hij laat zijn machtige stem weerklinken!

68:35

Geeft Gode sterkte;
zijn majesteit is over Israël,
zijn sterkte in de wolken.

68:36

Geducht zijt Gij, o God, uit uw heiligdom;
Hij, Israëls God, verleent sterkte
en volheid van kracht aan zijn volk.
Geprezen zij God!


Geprezen zij de HERE. Dag aan dag draagt Hij ons; die God is ons heil.” Hij redt ons uit. Hij laat ons nooit in de steek. Hij is de God van Israël, de spring­ader Israëls. En dan zal Hij hen ook uitredden. Dat kan toch niet anders? Hij is het die Israël heeft laten ontstaan. Hij leidt hen door de tijd heen. Hij heeft hen uit Egypte uitgeleid. Hij heeft hen doen wonen in het land. Hij heeft zijn troon voor eeuwig gevestigd. Er zal altijd een afstammeling van David op de troon van zijn vader David zitten. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. Totdat Silo komt. De lijdende knecht des HEREN van Jesaja 53. Hij kwam om de zonden te verzoenen en niet alleen voor zijn volk maar voor die van de gehele wereld. Want zo lief heeft God de wereld gehad. Het gaat om Israël en de volkeren. Hij zal alles richten in gerechtigheid. Dat is het grote plan van God. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Glorie voor zijn Naam. Prijst de HERE.

Zie je de overwinningsstoet, de zangers en de reidansen, de vreugde? Zie je ze dansen als Jezus Jeruzalem binnentrekt? Daar komt de feeststoet. Maar dat wordt door de tegenstanders tegengehouden. Neen, het kan niet de Messias zijn. Dat moet een overwinnende Messias zijn, want God zal toch komen met al zijn engelen om de vijand te verslaan? Daar past geen lijdende knecht des HEREN in. Zij begrepen niet dat alleen op schuld en verzoening de overwin­ning kan worden behaald. Waar zonde is, daar is schuld en daar moet verzoe­ning en vergeving plaatsvinden. En niet andersom. God is rechtvaardig en goed. Zie je ze drommen? Hij brengt zijn volk weer, uit de diepten van de zee. Waarheen en hoe ze ook onder de volken verspreid zijn. Hij brengt ze terug. Hij voert ze op een hoge berg. Vanwege Jeruzalem, zijn heilige berg.

Koningen komen van de volkeren en brengen geschenken. Ze zullen erkennen dat de HERE God is. En elk jaar zullen ze komen en het Loofhuttenfeest vieren. Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode, psalmzingt de HERE. Hoor hoe God zijn machtige stem laat klinken. Verwacht het van Hem. Hij regeert het grote wereldgebeuren. Nu is de tijd dat Hij komt op de wolken om de wereld te regeren in recht en gerechtigheid. Om de nieuwe hemel en de nieuwe aarde te grondvesten waar gerechtigheid heerst. Zijn majesteit is over de volken. Zijn majesteit is vol van kracht. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Het is een heerlijke zekerheid om bij die God te schuilen. Dan wellen de psalmen en de lofzangen op in je hart. Dan word je blij. Dan zie je het zitten. Dan wil je verder gaan. HERE God, dank U wel voor al uw liefde en trouw. Voor uw grote daden. Voor uw kracht en macht en majesteit. Help mij om in uw liefde te blijven en mijn dag met uw macht en majesteit te vullen. Dank U HERE voor alles wat U doet.




Psalm 69:1-13

28 juli [2]



69:2

Verlos mij, o God, want het water
is gekomen, tot aan de lippen;…

69:3

ik ben gekomen in diepe wateren,
een vloed overstroomt mij.

69:4

Ik ben moede door mijn roepen, mijn keel is hees,
mijn ogen zijn bezweken van het uitzien naar mijn God.

69:6

O God, gij kent mijn verdwaasdheid,
mijn schuldige daden zijn voor U niet verborgen.

69:7

Laat om mij niet beschaamd worden wie U verwachten,…

69:8

Want om uwentwil draag ik smaad,
bedekt schaamte mijn gelaat.

69:10

want de ijver voor uw huis heeft mij verteerd,
en de smaadwoorden van wie u smaden, kwamen op mij neder.

69:12

ik maakte een rouwgewaad tot mijn kleed,
maar ik werd hun tot een spreekwoord.


David moet het nu toch wel heel moeilijk hebben. Ze zitten hem op de hielen. Hij voelt zich gezonken in een diepe put. Hij roept het uit naar de HERE. Hij heeft er een hese keel van. Maar het lijkt of niemand hem hoort. Zijn vijanden roepen de grofste dingen naar hem. Ze luisteren niet naar hem. Ze proberen hem een kopje kleiner te maken. Waar is nu God die David kan redden? David roept het uit dat zijn ongerechtigheden vele zijn. Hij roept het uit, dat toch de rechtvaardigen er niet onder lijden, omdat David zondigt. Hij weet dat geen mens volmaakt is voor God. Wij allen derven de heerlijkheid Gods. David is een vreemde geworden onder zijn broeders. De mensen moeten niets meer van hem hebben. Dat is uit het leven gegrepen. God wil gebeden zijn. Hij wil dat de mensen Hem aanroepen. Je moet blijven bidden en volharden. Ook al lijkt het er helemaal niet op. Want het allerbelangrijkste dat je in je leven kunt doen, is God zoeken en dicht bij Hem blijven. Daar ben je veilig. God heeft de touwtjes in handen. We moeten niet denken dat wij het allemaal wel even zul­len regelen. God zit op de troon. En wij, wij moeten Hem gehoorzamen, waar de weg ook naar toe leidt. Het kan soms zo moeilijk lijken dat je je afvraagt: Hoe kom ik hier ooit weer uit? David beseft dat hij om Gods wil de smaad draagt. Er is zonde, dus is er straf. Soms weten we niet waar we de oorzaak moeten zoeken, als we het leed en de rampen om ons heen zien. Maar duide­lijk is dat God ons er iets mee wil zeggen. We kunnen wel uitroepen en naar God schreeuwen om hulp en erbarming, maar de wortel van de zonde ligt in de mens zelf. En alleen door het bloed van Jezus zullen we daar weer herstel in kunnen brengen.

De vijanden kunnen nog zo vele zijn, maar Gods legerscharen overtreffen al­les. Daar mogen wij ons aan vasthouden, ook al is de vijand soms akelig dicht­bij. Dat is onze troost, beide in leven en sterven. De mensen kunnen over je roddelen in de poort. Dat kan pijn doen, want de mensen liegen er maar op los. Ze hebben het nergens over, als ze jou maar kunnen krenken. Om dan nog in rust en vrede dicht bij de HERE te blijven, valt niet mee. Dan kun je het soms wel uitschreeuwen: God, waar bent U? Red mij, want mijn belagers zit­ten me op de hielen. HERE, red! Dat mag allemaal. God wil gebeden zijn. Hij heeft een open oor voor de luide smekingen van zijn kinderen. Hij wil ons al­tijd helpen ook al lijkt Hij ver weg. Blijf roepen, want Hij hoort.




Psalm 69:14-37

29 juli [2]



69:14

Maar mijn gebed is tot U, HERE,
ten tijde des welbehagens;…

69:15

Red mij uit het slijk, opdat ik niet verzinke,…

69:17

Antwoord mij, o HERE, want rijk is uw goedertierenheid,
wend U tot mij naar uw grote barmhartigheid,…

69:19

Nader tot mijn ziel, bevrijd haar,
verlos mij om mijner vijanden wil.

69:21

De smaad heeft mij het hart gebroken,
en ik ben verzwakt.

69:22

Ja, zij gaven mij gif tot spijze,
en lieten mij in mijn dorst azijn drinken.

69:24

Laten hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien,
doe hun lendenen bestendig wankelen;

69:25

stort over hen uw gramschap uit,
en de gloed van uw toorn achterhale hen.

69:28

Voeg schuld bij hun schuld,
zodat zij niet komen tot uw rechtvaardiging.

69:29

Laten zij uit het boek des levens worden uitgedelgd,
met de rechtvaardigen niet worden opgeschreven.

69:31

Ik zal de naam van God prijzen met een lied,
Hem verheerlijken met een lofzang;…

69:33

De ootmoedigen zullen het zien, zij zullen zich verheugen;
gij, die God zoekt, uw hart leve op.

69:34

Want de HERE hoort naar de armen,
en zijn gevangenen veracht Hij niet.

69:35

Dat hemel en aarde Hem loven,
de zeeën en al wat daarin wemelt.

69:36

Want God zal Sion verlossen
en de steden van Juda bouwen,…

69:37

het kroost van zijn knechten zal het beërven,
en wie zijn naam liefhebben zullen daarin wonen


Hoe kan dat nou? De psalm begint in mineur. David heeft het vreselijk moei­lijk. Hij ziet het niet meer zitten. Iedereen spot met hem. Ze proberen hem te pakken op allerlei manieren. Ze drijven de spot met hem. Ze geven hem gif, ze troosten hem niet. Hij probeert enige troost te vinden, maar hij vindt het niet. En nu dit laatste stuk van de psalm: “ik zal de naam van God prijzen met een lied.” Dat kan toch niet? Je kunt toch niet zo in de misère zitten en dan de Naam van God prijzen met een lied, terwijl je keel schor is van het schreeu­wen om hulp tot God die niet antwoordt? Hoe zit dat dan? David komt vanuit de diepte van zijn ellende naar boven om de macht en de majesteit van de HERE God te erkennen. Hij weet dat hij ook de dood verdient. Dat hij niet rechtvaardig is en dat hij smaad lijdt om zijn eigen zonden. Maar God zal rechtvaardigheid uitoefenen. De vijanden kunnen nog zo tekeergaan, maar God zal hen uitdelgen uit zijn boek. Als zij zich niet bekeren, dan komt er niets terecht van hen. Dan zal God zijn toorn over hen uitstoten, omdat zij de rechtvaardigen hebben gekweld en de naam van God hebben gelasterd. Dat staat voor David zo vast als een huis. Dat mag ook voor ons zo vast staan als een huis. God laat niet met zich spotten en Hij zal zichzelf de machtige tonen en zijn kinderen redden.

David is ellendig en in smart, maar in zijn hart weet hij: “uw heil, o God, be­scherme mij.” Dat is het geheim. Je kunt het ellendig hebben. En wat is er niet een ellende! Het kan zo maar om de hoek komen. En dan zit je er midden in. Maar het heil van God dat vast en zeker is, dat beschermt je dwars door alles heen. Als je temidden van je ellende en je zelfbeklag dan weer opgetrokken wordt in de schuilplaats van de Allerhoogste, waar je veilig bent en een deel bent van zijn rijk dat komt, dan besef je weer de werkelijke werkelijkheid. Dan kun je weer een psalm over je lippen krijgen. Want midden in de nood is er die diepe intense vrede en rust waar je zelf versteld van kunt staan. Dat is God die je nooit in de steek laat. Hij redt je uit. De ootmoedigen zullen het zien en zich verheugen. Het zijn niet degenen die brallen en hoogmoedig zijn die het rijk in hun pacht hebben. Als God spreekt, spreekt hij vanuit de liefde voor de ootmoedigen en de verbrokenen van hart, de weduwen en de wezen, hen die God nodig hebben. Hij is daar waar het lijden het zwaarst is. Hij hoort de armen en zijn gevangenen veracht Hij niet. Hij is bij hen in de gevangenis. Hij geeft hen gedachten van vrede en geluk. Een wonder, een onmogelijkheid, maar vanuit het hart van God komt de onoverwinnelijke liefde die alle ver­stand te boven gaat. Een werkelijkheid waar tot op de dag van vandaag heel velen van kunnen getuigen.

Want God zal Sion verlossen en de steden van Juda bouwen, opdat zij daar wonen en het bezitten. Het kroost van zijn knechten zal het beërven, en wie zijn Naam liefhebben, zullen daarin wonen. Glorie voor zijn Naam. God zij geloofd en geprezen. Hij is er altijd. Hij is onoverwinnelijk. Wat een heerlijke gedachte dat niets ons kan scheiden van de liefde van God. Prijs de HERE.





Psalm 70:1-6

30 juli [2]



70:2

O God, haast U om mij te redden,
o HERE, mij ter hulpe!

70:3

Laten beschaamd en schaamrood worden,
wie mij naar het leven staan;
terugdeinzen en te schande worden,
wie mijn onheil begeren;

70:4

laten zich omkeren van schaamte,
wie roepen: Ha, ha!

70:5

Laten in U jubelen en zich verheugen
allen die U zoeken;
laten wie uw heil liefhebben,
bestendig zeggen: God is groot!

70:6

Ik ben wel ellendig en arm –
o God, haast U tot mij!
Gij zijt mijn hulp en mijn bevrijder;
o HERE, vertoef niet!


God is groot. God is groot. God is groot. Dat moeten we keer op keer zeggen. Want als we dat maar blijven zeggen en zien, dan zien we de zaak in de juiste proporties. Want je kunt arm zijn en ellendig, zoals David hier. En dan mag je het uitroepen om hulp en bevrijding. Want God is onze grote bevrijder. Hij weet wat goed voor ons is. Zij die de rechtvaardigen kwellen, die moeten het oordeel ontvangen. Zij die spotten en je achterna roepen, die je te schande proberen te maken. En wat kunnen ze dan allemaal uithalen. Maar God zal hen oordelen. Daar hoeven wij ons niet druk over te maken. Wij moeten ons druk maken dat, in welke omstandigheden we ook verkeren, we onze blik op de HERE Jezus gericht houden. Wat heeft Hij niet allemaal meegemaakt! En hoe was Hij staande gebleven tot in de bittere dood aan het kruis! Als Hij dat dan voor ons over gehad heeft, wat kan ons dan scheiden van de liefde van Chris­tus? Zelfs de dood niet. Dat is het geheim van het leven in Christus. Dat is het geheim van het leven in de verdrukking. Want ze hebben de HERE Jezus vervolgd, waarom zullen ze ons dan niet vervolgen? Maar maak je niet be­zorgd tegen de dag van morgen, want elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. En in de ure der benauwdheid, maak je dan niet bezorgd wat je moet zeggen, want de HERE Jezus zelf zal je de woorden in de mond leggen. Dat is een groot wonder. Dat is je niet voor te stellen. Maar het is waar. Daarom mo­gen we in Hem jubelen. En dan kunnen we bestendig zeggen: God is groot! Ik ben wel ellendig en arm – o God, red mij en help mij. Haast U, o God, vertoef niet. U bent mijn bevrijder. We mogen erop pleiten. Hoe dan ook.

Wat komt dit thema ontzettend vaak terug in de Bijbel. Het is ook uit het leven gegrepen. We komen zoveel lijden tegen in ons leven en in het leven der mensheid, dat je je afvraagt: Hoe verhoudt zich dat tot de liefde van God? Maar het geheim is, dat je door de liefde van God juist in staat bent door dat lijden heen gedragen te worden. Want we zijn allen onderdeel van dat lijden. We zijn allemaal onderdeel van de zonde. We hebben allemaal gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Wij zijn des doods schuldig. Maar Hij heeft onze zonden op Zich genomen. Wij hebben de dood verdiend, maar Hij heeft de dood en de verzoening op Zich genomen. Dat is het grote geheim. Zonder Messias Jezus komen we geen stap verder. Dat is het grote aanbod van gena­de. Een heerlijk evangelie. Dat mag je proclameren. Dat mag je van de daken roepen. Dat gebeurt ook in deze psalm. God is groot. God is groot. God is groot. Dat moet je bestendig blijven roepen. En Hij heeft de regie in handen. Hij wil je vasthouden op zijn weg. Hij wil je uitredden. Hij laat je niet in de steek. Dat is het grote geheim. Prijs de HERE.




Psalm 71:1-24

31 juli [2]



71:1

Bij U, o HERE, schuil ik;…

71:3

Wees mij tot een rots ter woning,…

71:4

O God, bevrijd mij uit de hand van de goddeloze,…

71:6

op U heb ik gesteund van de moederschoot aan,
van het ingewand mijner moeder aan zijt Gij mijn helper;…

71:9

Verwerp mij niet ten tijde des ouderdoms,
begeef mij niet, nu mijn kracht vergaat.

71:13

Laten beschaamd worden en vergaan,
wie mijn leven belagen;…

71:17

O God, gij hebt mij onderwezen van mijn jeugd aan,
tot nu toe verkondig ik uw wonderen;

71:18

wil mij dan ook tot mijn ouderdom en grijsheid,
o God, niet verlaten,…

71:20

Gij, die mij vele benauwdheden en rampen hebt doen zien,
zult mij weder levend maken,…

71:22

Dan zal ook ik U met de harp prijzen,…

71:24

Ook zal mijn tong de ganse dag
van uw gerechtigheid gewagen,
want zij worden beschaamd en schaamrood,
die mijn onheil zoeken.


De Here HERE is mijn verwachting. God heeft de dichter gesteund vanaf de moederschoot aan. Hij heeft zijn hulp op de HERE gesteld. Zijn leven lang heeft hij de HERE zijn God gediend. Hij heeft het van Hem verwacht. Nu vraagt hij ook om bescherming nu hij oud geworden is. Hij wil tot het einde van zijn leven bij de HERE God blijven. Hij heeft heel wat ellende en be­proeving in zijn leven gezien. Maar hij smeekt om Gods bescherming, ook voor de rest van zijn leven. Want hij weet hoe arglistig de tegenstanders zijn om je op hoge leeftijd nog uit te laten glijden, als je krachten minder worden en je gedachten misschien iets minder stabiel. God is er ook dan. God be­schermt ook dan. God laat je nooit in de steek. Het is alsof deze dichter dat ook heel goed weet. Hij wil het alleen bevestigd hebben. Hij vraagt naar de bekende weg. Hoe vaak doen wij dat niet? We weten het wel, maar we willen het dan toch graag nog bevestigd zien. En dat geeft ook niets. Hoe vaak wor­den de woorden van de dichter niet weer herhaald. Er is steeds dezelfde vraag om bevestiging en bemoediging. Dat heb je ook nodig. Zeker als je behoorlijk in de druk zit. Dan wil je steeds opnieuw bevestigd hebben, dat het waar is dat de HERE God leeft, dat je niet hoeft te twijfelen. Dat is het heerlijke leven met God. Wat een genadige en ontfermende God.

Hij weet dat je krachten in de ouderdom afnemen. Hij weet hoe erg het is om met de dood geconfronteerd te worden. Hij weet wat het is om een ziekbed te hebben in de ouderdom. Hoeveel wordt er in de ouderdom niet geleden? Want de dood is de laatste prikkel. De dood wordt verzwolgen. En dan zullen we onvergankelijkheid aandoen. Daar is het wachten op. Dat is onze bestemming. Dan weet de dichter ook dat, als hij opgetrokken is uit het dodenrijk, hij dan ook de harp zal bespelen en zal zien de grootheid en de volmaaktheid van God. Dan zullen zijn lippen jubelen. Dan zullen we psalmen zingen. Dan zul je de hele dag jubelen. Er komt geen einde aan. Want rondom de troon van God wordt het eeuwige Halleluja gezongen. Daar is ons zingen een voorproef­je van. Maar dan zullen we verbijsterd staan van zoveel schoonheid en liefde en blijdschap. Dan zullen alle tranen van je ogen afgewist worden. Dan is er geen ziekte en geen dood meer. Dan zul je de machtige daden van God ver­kondigen. Heerlijk is zijn Naam.

We komen steeds weer op hetzelfde terug. Het is onze opdracht om in Gods nabijheid te blijven, wat ons ook overkomt in dit leven. We moeten niet van het spoor van Hem afraken. We moeten ons inspannen om bij Hem te blijven schuilen. We moeten steeds weer ontdekken, dat we nooit uit zijn hand kun­nen vallen. Hij regeert het grote wereldgebeuren. Ze kunnen wel tegen je te­keergaan, maar Hij is overwinnaar en in Hem ben je absoluut veilig. Daarom, verheug je, want je leven is verzekerd in Christus in God. Glorie voor zijn Naam.




Psalm 72:1-20

1 augustus [2]



72:1

Van Salomo.
O God, verleen de koning uw recht,
en uw gerechtigheid de zoon des konings.

72:2

Hij richte uw volk met gerechtigheid,
uw ellendigen met recht.

72:3

Mogen voor het volk de bergen vrede dragen,
ook de heuvelen, in gerechtigheid.

72:4

Hij verschaffe recht aan de ellendigen des volks,
Hij redde de armen, maar verbrijzele de verdrukker.

72:5

Men vreze U, zolang de zon er is,
en zolang de maan er is, van geslacht tot geslacht.

72:6

Hij zij als de regen die neerdaalt op het grasland,
als regenbuien die de aarde besproeien.

72:7

In zijn dagen bloeie de rechtvaardige
en grote vrede, totdat er geen maan meer is.

72:8

Hij heerse van zee tot zee,
van de Rivier tot de einden der aarde.

72:10

de koningen van Scheba en Seba
hem schatting offeren,…

72:12

Voorwaar, hij zal de arme redden, die om hulp roept,
de ellendige, en wie geen helper heeft;

72:13

hij zal zich ontfermen over de geringe en de arme,
hij zal de zielen der armen verlossen.

72:15

En hij zal leven;…

72:16

Een overvloed van koren zij in het land;…
…en de stedelingen mogen opbloeien als het kruid der aarde.

72:18

Geloofd zij de HERE God, de God van Israël,
die alleen wonderen doet

72:19

En geloofd zij zijn heerlijke naam voor eeuwig,
en zijn heerlijkheid vervulle de ganse aarde.
Amen, ja, amen.


De koning oefene gerechtigheid. Dat is de opdracht van de koning. Hij regeert zijn onderdanen. Hij is aller dienaar. Hij moet het voorbeeld geven. Hij helpt de ellendigen en zij die geen helper hebben. Hij helpt de armen. Hij wil ge­vreesd worden. Hij heerst van zee tot zee en van rivier tot rivier. De koningen brengen hem geschenken. Ze weten dat de God van Israël met de koning is. Het is God die regeert. Ze weten dat de God van de koning van Israël een machtige God is en ze kunnen hem beter te vriend houden dan zich voor de zoveelste keer aan dat volk te stoten.

En weer komt de arme naar voren. De koning zal hem helpen. Want de koning duldt geen armen. Voor iedereen moet er te eten zijn. Daar zijn we samen ver­antwoordelijk voor. Hij zal hen van de schatten van Scheba geven. Wie veel heeft dele het met de arme. Dan worden ze er beiden beter van. Dat is het ge­heim. Dan zal er een overvloed zijn aan oogst. En iedereen kan ervan mee-eten. Daar moet voor gebeden worden. Er moet een voortdurende lof voor God zijn. Want Hij wil vereerd en geprezen worden. Daar moeten we dan ook aan meedoen. God is groot. En nooit genoeg te prijzen.

Wat een heerlijke liederen. Ze zijn hier op aarde al mooi, laat staan in de he­mel. Het gaat allemaal komen. En het lijkt erop, dat het allemaal dichterbij is dan we denken. God is goed. Zolang de zon opgaat en hij ondergaat zal de Naam des HEREN worden geprezen. Dat kan toch heel mooi in de kerken in ons land. Daar hebben we al een voorpoefje van het hemelse. Wat kan de zang en de muziek mooi zijn. Je wordt helemaal meegenomen als er goed gespeeld of gezongen wordt. Het hart van de gemeente resoneert in de lofzang naar God. Daarom is het woord belangrijk, maar zeker ook zijn de gezangen en de gesprekken daarover belangrijk. Alle volkeren zullen gaan ontdekken dat zij te maken hebben met de God van hemel en aarde.

Wat zullen de booswicht, de lasteraar, de dief en allen die het van zichzelf verwachten, lelijk op de koffie komen. De zonde heerst in ons sterfelijk lichaam, maar we mogen op God vertrouwen. Hij laat ons nooit in de streek. Het is een alsmaar loven en prijzen van de HERE God, die in het leven van Salomo zo krachtdadig is opgetreden, maar ook in het leven van de profeten. HERE, help ons dat onze ogen steeds meer geopend worden voor de schoon­heid en de almacht van U en uw schepping. Dank U wel voor zoveel liefde voor ons en onze schepping. Ik verkies om te blijven schuilen in uw gemeen­schap.



Psalm 73:1-28

25 augustus [2]



73:1

Waarlijk, God is goed voor Israël,
voor hen die rein van hart zijn.

73:3

Want ik was afgunstig op de hoogmoedigen,
toen ik de voorspoed der goddelozen zag.

73:7

hun ogen puilen uit van vet,
de inbeeldingen van hun hart lopen over;…

73:9

ze zetten een mond op tegen de hemel,
en hun tong roert zich op de aarde.

73:12

Zie, zo zijn de goddelozen,
altijd onbezorgd vermeerderen zij het bezit.

73:16

Ik tobde erover om het te begrijpen,…

73:17

totdat ik in Gods heiligdommen inging,
en op hun einde