Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek
en hulp bij zelfdoding
Kamerstuk
2000-2001, 26691, nr. 137, Eerste Kamer
Vergaderjaar
2000-2001 Nr. 137
26 691
Toetsing
van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en wijziging van het
Wetboek van Strafrecht en van de Wet op de lijkbezorging (Wet toetsing
levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding)
GEWIJZIGD
VOORSTEL VAN WET
28 november 2000
Wij Beatrix,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Allen, die
deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen weten: Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is in het Wetboek van Strafrecht een strafuitsluitingsgrond
op te nemen voor de arts die met inachtneming van wettelijk vast te leggen
zorgvuldigheids-eisen levensbeëindiging op verzoek toepast of hulp bij
zelfdoding verleent, en daartoe bij wet een meldings- en toetsingsprocedure
vast te stellen;
Zo is het,
dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
Artikel
1
In deze
wet wordt verstaan onder:
a. Onze
Ministers: de Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b. hulp
bij zelfdoding: het opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam zijn of hem
de middelen daartoe verschaffen als bedoeld in artikel 294, tweede lid, tweede
volzin, Wetboek van Strafrecht;
c. de
arts: de arts die volgens de melding levensbeëindiging op verzoek heeft
toegepast of hulp bij zelfdoding heeft verleend;
d. de
consulent: de arts die is geraadpleegd over het voornemen van een arts om
levensbeëindiging op verzoek toe te passen of hulp bij zelfdoding te verlenen;
e. de
hulpverleners: hulpverleners als bedoeld in artikel 446, eerste lid, van boek 7
van het Burgerlijk Wetboek;
f. de
commissie: een regionale toetsingscommissie als bedoeld in artikel 3;
g. regionaal
inspecteur: regionaal inspecteur van de Inspectie voor de Gezondheidszorg van
het Staatstoezicht op de Volksgezondheid;
HOOFDSTUK
II. ZORGVULDIGHEIDSEISEN
Artikel
2
1. De
zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 293, tweede lid, Wetboek van
Strafrecht, houden in dat de arts:
a. de
overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen
verzoek van de patiënt,
b. de
overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk
lijden van de patiënt,
c. de
patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over
diens vooruitzichten,
d. met
de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze
zich bevond geen redelijke andere oplossing was,
e. ten
minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die de patiënt heeft
gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen,
bedoeld in de onderdelen a tot en met d, en
f. de
levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig heeft uitgevoerd.
2. Indien
de patiënt van zestien jaren of ouder niet langer in staat is zijn wil te
uiten, maar voordat hij in die staat geraakte tot een redelijke waardering van
zijn belangen terzake in staat werd geacht, en een schriftelijke verklaring,
inhoudende een verzoek om levensbeëindiging, heeft afgelegd, dan kan de arts
aan dit verzoek gevolg geven. De zorgvuldigheidseisen, bedoeld in het eerste
lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Indien
de minderjarige patiënt een leeftijd heeft tussen de zestien en achttien jaren
en tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in staat kan worden
geacht, kan de arts aan een verzoek van de patiënt om levensbeëindiging of hulp
bij zelfdoding gevolg geven, nadat de ouder of de ouders die het gezag over hem
uitoefent of uitoefenen dan wel zijn voogd bij de besluitvorming zijn
betrokken.
4. Indien
de minderjarige patiënt een leeftijd heeft tussen de twaalf en zestien jaren en
tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake in staat kan worden
geacht, kan de arts, indien een ouder of de ouders die het gezag over hem
uitoefent of uitoefenen dan wel zijn voogd zich met de levensbeëindiging of
hulp bij zelfdoding kan of kunnen verenigen, aan het verzoek van de patiënt
gevolg geven. Het tweede lid is van overeen-komstige toepassing.
HOOFDSTUK III. REGIONALE TOETSINGSCOMMISSIES VOOR LEVENSBEËINDIGING OP VERZOEK EN HULP BIJ ZELFDODING
1. Er
zijn regionale commissies voor de toetsing van meldingen van gevallen van
levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding als bedoeld in artikel 293,
tweede lid, onderscheidelijk 294, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek
van Strafrecht.
2. Een
commissie bestaat uit een oneven aantal leden, waaronder in elk geval één
rechtsgeleerd lid, tevens voorzitter, één arts en één deskundige inzake
ethische of zingevingsvraagstukken. Van een commissie maken mede deel uit
plaatsvervangende leden van elk van de in de eerste volzin genoemde
categorieën.
1. De
voorzitter en de leden, alsmede de plaatsvervangende leden worden door Onze
Ministers benoemd voor de tijd van zes jaar. Herbenoeming kan eenmaal
plaatsvinden voor de tijd van zes jaar.
2. Een
commissie heeft een secretaris en één of meer plaatsvervangend secretarissen,
allen rechtsgeleerden, die door Onze Ministers worden benoemd. De secretaris
heeft in de vergaderingen van de commissie een raadgevende stem.
3. De
secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de commissie uitsluitend
verantwoording schuldig aan de commissie.
De
voorzitter en de leden, alsmede de plaatsvervangende leden kunnen te allen
tijde op hun eigen verzoek worden ontslagen door Onze Ministers.
De
voorzitter en de leden, alsmede de plaatsvervangende leden kunnen door Onze
Ministers worden ontslagen wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid of op andere
zwaarwegende gronden.
De
voorzitter en de leden alsmede de plaatsvervangende leden ontvangen vacatiegeld
alsmede een vergoeding voor de reis- en verblijf-kosten volgens de bestaande
rijksregelen, voor zover niet uit anderen hoofde een vergoeding voor deze
kosten wordt verleend uit 's Rijks kas.
1. De
commissie beoordeelt op basis van het verslag bedoeld in artikel 7, tweede lid,
van de Wet op de lijkbezorging, of de arts die levens-beëindiging op verzoek
heeft toegepast of hulp bij zelfdoding heeft verleend, heeft gehandeld
overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2.
2. De
commissie kan de arts verzoeken zijn verslag schriftelijk of mondeling aan te
vullen, indien dit voor een goede beoordeling van het handelen van de arts
noodzakelijk is.
3. De
commissie kan bij de gemeentelijke lijkschouwer, de consulent of de betrokken
hulpverleners inlichtingen inwinnen, indien dit voor een goede beoordeling van
het handelen van de arts noodzakelijk is.
1. De
commissie brengt haar gemotiveerde oordeel binnen zes weken na ontvangst van
het verslag als bedoeld in artikel 8, eerste lid, schriftelijk ter kennis van
de arts.
2. De
commissie brengt haar oordeel ter kennis van het College van
procureurs-generaal en de regionaal inspecteur voor de gezondheidszorg:
a. indien
de arts naar het oordeel van de commissie niet heeft gehandeld overeenkomstig
de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2; of
b. indien
de situatie zich voordoet als bedoeld in artikel 12, laatste volzin van de Wet
op de lijkbezorging. De commissie stelt de arts hiervan in kennis.
3. De
in het eerste lid genoemde termijn kan eenmaal voor ten hoogste zes weken
worden verlengd. De commissie stelt de arts hiervan in kennis.
4. De
commissie is bevoegd het door haar gegeven oordeel mondeling tegenover de arts
nader toe te lichten. Deze mondelinge toelichting kan plaatsvinden op verzoek
van de commissie of op verzoek van de arts.
De
commissie is verplicht aan de officier van justitie desgevraagd alle
inlichtingen te verstrekken, welke hij nodig heeft:
1°. ten
behoeve van de beoordeling van het handelen van de arts in het geval als
bedoeld in artikel 9, tweede lid; of
2°. ten
behoeve van een opsporingsonderzoek.
Van het
verstrekken van inlichtingen aan de officier van justitie doet de commissie
mededeling aan de arts.
De
commissie draagt zorg voor registratie van de ter beoordeling gemelde gevallen van
levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding. Bij ministeriële regeling
van Onze Ministers kunnen daarom-trent nadere regels worden gesteld.
1. Een
oordeel wordt vastgesteld bij gewone meerderheid van stemmen.
2. Een
oordeel kan slechts door de commissie worden vastgesteld indien alle leden van
de commissie aan de stemming hebben deelgenomen.
De
voorzitters van de regionale toetsingscommissies voeren ten minste twee maal
per jaar overleg met elkaar over werkwijze en functioneren van de commissies.
Bij het overleg worden uitgenodigd een vertegenwoordiger van het College van
procureurs-generaal en een vertegenwoordiger van de Inspectie voor de
Gezondheidszorg van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid.
De leden
en plaatsvervangend leden van de commissie zijn verplicht tot geheimhouding van
de gegevens waarover zij bij de taakuitvoering de beschikking krijgen,
behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of
uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.
Een lid
van de commissie, dat voor de behandeling van een zaak zitting heeft in de
commissie, verschoont zich en kan worden gewraakt indien er feiten of
omstandigheden bestaan waardoor de onpartijdigheid van zijn oordeel schade zou
kunnen lijden.
Een lid,
een plaatsvervangend lid en de secretaris van de commissie onthouden zich van het
geven van een oordeel over het voornemen van een arts om levensbeëindiging op
verzoek toe te passen of hulp bij zelfdoding te verlenen.
1. De
commissies brengen jaarlijks vóór 1 april aan Onze Ministers een gezamenlijk
verslag van werkzaamheden uit over het afgelopen kalenderjaar. Onze Ministers
stellen hiervoor bij ministeriële regeling een model vast.
2. Het
in het eerste lid bedoelde verslag van werkzaamheden vermeldt in ieder geval:
a. het
aantal gemelde gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding
waarover de commissie een oordeel heeft uitgebracht;
b. de
aard van deze gevallen;
c. de
oordelen en de daarbij gemaakte afwegingen.
Onze
Ministers brengen jaarlijks ter gelegenheid van het indienen van de begroting
aan de Staten-Generaal verslag uit met betrekking tot het functioneren van de
commissies naar aanleiding van het in het artikel 17, eerste lid, bedoelde
verslag van werkzaamheden.
1. Op
voordracht van Onze Ministers worden bij algemene maatregel van bestuur met
betrekking tot de commissies regels gesteld betreffende
a. hun
aantal en relatieve bevoegdheid;
b. hun
vestigingsplaats.
2. Bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen Onze Ministers met betrekking
tot de commissies nadere regels stellen betreffende
a. hun
omvang en samenstelling;
b. hun
werkwijze en verslaglegging.
HOOFDSTUK
IV. WIJZIGINGEN IN ANDERE WETTEN
Artikel
20
Het
Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd.
A
Artikel
293 komt te luiden:
Artikel
293
1. Hij
die opzettelijk het leven van een ander op diens uitdrukkelijk en ernstig
verlangen beëindigt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste
twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Het
in het eerste lid bedoelde feit is niet strafbaar, indien het is begaan door
een arts die daarbij voldoet aan de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2
van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en
hiervan mededeling doet aan de gemeentelijke lijkschouwer overeenkomstig
artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging.
B
Artikel
294 komt te luiden:
Artikel
294
1. Hij
die opzettelijk een ander tot zelfdoding aanzet, wordt, indien de zelfdoding volgt,
gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de
vierde categorie.
2. Hij
die opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam is of hem de middelen
daartoe verschaft, wordt, indien de zelfdoding volgt, gestraft met een
gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde
categorie. Artikel 293, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
C
In artikel
295 wordt na «293» toegevoegd: , eerste lid,.
D
In artikel
422 wordt na «293» toegevoegd: , eerste lid,.
Artikel 21
De Wet op
de lijkbezorging wordt als volgt gewijzigd.
A
Artikel 7
komt te luiden:
Artikel 7
1. Hij
die de schouwing heeft verricht geeft een verklaring van overlijden af, indien
hij ervan overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van een
natuurlijke oorzaak.
2. Indien
het overlijden het gevolg was van de toepassing van levensbeëindiging op
verzoek of hulp bij zelfdoding als bedoeld in artikel 293, tweede,
onderscheidenlijk artikel 294, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van
Strafrecht, geeft de behandelende arts geen verklaring van overlijden af en
doet hij van de oorzaak van dit overlijden onverwijld door invulling van een
formulier mededeling aan de gemeentelijke lijkschouwer of een der gemeentelijke
lijkschouwers. Bij de mededeling voegt de arts een beredeneerd verslag inzake
de inachtneming van de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet
toetsing levens-beëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.
3. Indien
de behandelende arts in andere gevallen dan die bedoeld in het tweede lid meent
niet tot afgifte van een verklaring van overlijden te kunnen overgaan, doet hij
hiervan onverwijld door invulling van een formulier mededeling aan de
gemeentelijke lijkschouwer of een der gemeentelijke lijkschouwers.
B
Artikel 9
komt te luiden:
Artikel 9
1. De
vorm en de inrichting van de modellen van de verklaring van overlijden, af te
geven door de behandelende arts en door de gemeentelijke lijkschouwer, worden
geregeld bij algemene maatregel van bestuur.
2. De
vorm en de inrichting van de modellen van de mededeling en het verslag, bedoeld
in artikel 7, tweede lid, van de mededeling bedoeld in artikel 7, derde lid en
van de formulieren bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, worden geregeld
bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Justitie
en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
C
Artikel 10 komt te luiden:
Artikel 10
1. Indien
de gemeentelijke lijkschouwer meent niet tot afgifte van een verklaring van
overlijden te kunnen overgaan, brengt hij door invulling van een formulier
onverwijld verslag uit aan de officier van justitie en waarschuwt hij
onverwijld de ambtenaar van de burgerlijke stand.
2. Onverminderd
het eerste lid brengt de gemeentelijke lijkschouwer, indien sprake is van een
mededeling als bedoeld in artikel 7, tweede lid, door invulling van een
formulier onverwijld verslag uit aan de regionale toetsingscommissie bedoeld in
artikel 3 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij
zelfdoding. Hij zendt het beredeneerd verslag als bedoeld in artikel 7, tweede
lid, mee.
D
Aan
artikel 12 wordt een volzin toegevoegd, luidende: Indien de officier van
justitie in de gevallen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, meent niet tot de
afgifte van een verklaring van geen bezwaar tegen begraving of verbranding te
kunnen overgaan, stelt hij de gemeentelijke lijkschouwer en de regionale
toetsingscommissie bedoeld in artikel 3 van de Wet toetsing levensbeëindiging
op verzoek en hulp bij zelfdoding, hiervan onverwijld in kennis.
E
In artikel
81, eerste onderdeel, wordt «7, eerste lid» vervangen door: 7, eerste en tweede
lid,.
Artikel 22
De Algemene
wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd. In artikel 1:6 wordt aan het slot
van onderdeel d de punt vervangen door een puntkomma en wordt een vijfde
onderdeel toegevoegd, luidende:
e. besluiten en handelingen ter uitvoering van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.
HOOFDSTUK
V. SLOTBEPALINGEN
Artikel
23
Deze wet
treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Deze wet
wordt aangehaald als: Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij
zelfdoding.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle
ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De
Minister van Justitie,
De
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,