Bijbelteksten over reinheid

Psalmen 24: 4 Die rein is van handen en zuiver van hart, die zijn ziel niet op valsheid richt, noch bedrieglijk zweert.

Psalmen 51: 10 Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest;

Psalmen 73: 13 Maar tevergeefs heb ik mijn hart rein gehouden, mijn handen in onschuld gewassen.

Spreuken 15: 26 De plannen van de boze zijn de Here een gruwel, maar liefelijke woorden zijn rein.

Spreuken 20: 9 Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart rein bewaard, ik ben rein van zonde?

Spreuken 20: 11 Reeds een knaap laat zich door zijn handelingen kennen, of zijn doen zuiver is en recht.

Spreuken 22: 11 Wie reinheid van hart bemint en wiens lippen vriendelijk zijn, de koning is zijn vriend.

Hooglied 2: 7 Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem, bij de gazellen of bij de hinden des velds: wekt de liefde niet op en prikkelt haar niet, voordat het haar behaagt.

2 Corinthiërs 6: 14 Vormt geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeen met wetteloosheid, of welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis?

2 Corinthiërs 6: 15 Welke overeenstemming is er tussen Christus en Belial, of welk deel heeft een gelovige samen met een ongelovige?

2 Corinthiërs 6: 16 Welke gemeenschappelijke grondslag heeft de tempel Gods met afgoden? Wij toch zijn de tempel van de levende God, gelijk God gesproken heeft: Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn.

2 Corinthiërs 6: 17 Daarom gaat weg uit hun midden, en scheidt u af, spreekt de Here, en houdt niet vast aan het onreine.

2 Corinthiërs 6: 18 en Ik zal u aannemen, en Ik zal u tot Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Here, de Almachtige.

Romeinen 12: 2 En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene.

2 Corinthiërs 7: 1 Daar wij nu deze beloften bezitten, geliefden, laten wij ons reinigen van alle bezoedeling des vlezes en des geestes, en zo onze heiligheid volmaken in de vreze Gods.

1 Corinthiërs 7: 2 maar met het oog op de gevallen van hoererij moet ieder zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man.

1 Corinthiërs 7: 34 Zowel zij, die geen man meer heeft, als de jongedochter, wijdt haar zorgen aan de zaak des Heren, om heilig te zijn naar lichaam en geest. Maar zij, die getrouwd is, wijdt haar zorgen aan aardse zaken, om haar man te behagen.

1 Corinthiërs 7: 39 Een vrouw is gebonden, zolang haar man leeft; maar indien haar man is ontslapen, is zij vrij om te trouwen, met wie zij wil, mits in de Here.

Mattheüs 5: 8 Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.

2 Corinthiërs 11: 2 Want met een ijver Gods waak ik over u, want ik heb u verbonden aan een man, om u als een reine maagd voor Christus te stellen.

2 Corinthiërs 11: 3 Maar ik vrees, dat misschien, zoals de slang met haar sluwheid Eva verleidde, uw gedachten van de eenvoudige en loutere toewijding aan Christus afgetrokken zullen worden.

1 Thessalonicenzen 5: 22 Onthoudt u van alle soort van kwaad.

1 Thessalonicenzen 5: 23 En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te blijven.

1 Thessalonicenzen 5: 24 Die u roept, is getrouw; Hij zal het ook doen.

Philippenzen 1: 6 Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus.

Philippenzen 2: 14 Doet alles zonder morren of bedenkingen,

Philippenzen 2: 15 opdat gij onberispelijk en onbesmet moogt zijn, onbesproken kinderen Gods te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder gij schijnt als lichtende sterren in de wereld,

Philippenzen 2: 16 het woord des levens vasthoudende, mij ten roem tegen de dag van Christus, dat ik niet vruchteloos mijn wedloop gelopen, noch vruchteloos mij ingespannen heb.

1 Timotheüs 1: 5 En het doel van alle vermaning is liefde uit een rein hart, uit een goed geweten en een ongeveinsd geloof.

1 Timotheüs 4: 12 Niemand schatte u gering om uw jeugdige leeftijd, maar wees een voorbeeld voor de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloof en in reinheid.

1 Timotheüs 5: 1 Word niet heftig tegen een oude man, maar vermaan hem als een vader; doe het jonge mannen als broeders,

1 Timotheüs 5: 2 oude vrouwen als moeders, jonge vrouwen als zusters, in alle reinheid.

1 Timotheüs 5: 22 Leg niemand overijld de handen op, heb ook geen deel aan de zonden van anderen, houd u rein.

2 Timotheüs 2: 22 Schuw de begeerten der jeugd en jaag naar gerechtigheid, naar trouw, naar liefde en vrede met hen, die de Here aanroepen uit een rein hart.

Genesis 39: 6b Jozef nu was schoon van gestalte en schoon van uiterlijk.

Genesis 39: 7 Hierna sloeg de vrouw van zijn heer haar ogen op Jozef, en zij zeide: Kom bij mij liggen.

Genesis 39: 8 Maar hij weigerde en zeide tot de vrouw van zijn heer: Zie, mijn heer bemoeit zich, met mij naast zich, met niets van wat er in huis is, en alles wat hij heeft, heeft hij in mijn hand gegeven;

Genesis 39: 9 niemand is in dit huis machtiger dan ik, en hij heeft mij niets onthouden dan alleen u, omdat gij zijn vrouw zijt; hoe zou ik dan dit grote kwaad doen en zondigen tegen God?

Genesis 39: 10 En ofschoon zij dag aan dag tot Jozef sprak, voldeed hij niet aan haar wens bij haar te gaan liggen en omgang met haar te hebben.

Genesis 39: 11 Op zekere dag kwam hij het huis binnen om zijn werk te verrichten, terwijl niemand van de huisgenoten daar in huis was.

Genesis 39: 12 Toen greep zij hem bij zijn kleed en zeide: Kom bij mij liggen. Maar hij liet zijn kleed in haar hand achter, vluchtte en liep naar buiten.

Job 31: 1 Ik had met mijn ogen een verbond gesloten, hoe zou ik dan een maagd hebben aangezien?

1 Corithiërs 6: 13 Het voedsel is voor de maag en de maag voor het voedsel, en God zal zowel het een als het ander teniet doen. Maar het lichaam is niet voor de hoererij, doch voor de Here, en de Here voor het lichaam.

1 Corinthiërs 6: 15 Weet gij niet, dat uw lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan leden van Christus wegnemen om er leden ener hoer van te maken? Volstrekt niet!

1 Corinthiërs 6: 16 Of weet gij niet, dat wie zich aan een hoer hecht, een lichaam met haar is? Want, zegt Hij, die twee zullen tot een vlees zijn.

1 Corinthiërs 6: 17 Maar die zich aan de Here hecht, is een geest met Hem.

1 Corinthiërs 6: 18 Vliedt de hoererij. Elke andere zonde, die een mens doet, gaat buiten zijn eigen lichaam om. Maar door hoererij bezondigt men zich aan zijn eigen lichaam.

1 Corinthiërs 6: 19 Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt?

1 Corinthiërs 6: 20 Want gij zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met uw lichaam.

Jakobus 1: 13 Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking.

Jakobus 1: 14 Maar zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking zijner eigen begeerte.

Jakobus 1: 15 Daarna, als die begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort.

Titus 2: 4 zodat zij de jonge vrouwen opwekken man en kinderen lief te hebben,

Titus 2: 5 bezadigd, kuis, huishoudelijk, goed en aan haar man onderdanig te zijn, opdat het woord Gods niet gelasterd worde.

Titus 2: 6 Vermaan evenzo de jonge mannen bezadigd te zijn in alles,

Hebreeën 13: 4 Het huwelijk zij in ere bij allen en het bed onbezoedeld, want hoereerders en echtbrekers zal God oordelen.

Jakobus 1: 27 Zuivere en onbevlekte godsdienst voor God, de Vader, is: omzien naar wezen en weduwen in hun druk en zichzelf onbesmet van de wereld bewaren.

1 Petrus 2: 11 Geliefden, ik vermaan u als bijwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerten, die strijd voeren tegen uw ziel;

1 Petrus 2: 12 en dat gij een goede wandel leidt onder de heidenen, opdat zij, nader toeziende op datgene, waarin zij u als boosdoeners belasteren, op grond van uw goede werken God mogen verheerlijken ten dage der bezoeking.

Genesis 34: 1 Dina, de dochter van Lea, die zij Jakob gebaard had, ging eens uit om de dochters des lands te bezoeken.

Genesis 34: 2 Toen zag haar Sichem, de zoon van de Chiwwiet Hemor, de vorst des lands, en hij nam haar en lag bij haar en verkrachtte haar.

Genesis 34: 7 De zonen van Jakob kwamen thuis uit het veld, zodra zij het hoorden; de mannen waren gegriefd en zeer toornig, omdat hij een schandelijke dwaasheid in Israel begaan had door bij de dochter van Jakob te liggen, want zo iets doet men niet.

Genesis 19: 32 Kom, laten wij onze vader wijn te drinken geven en bij hem nederliggen, opdat wij door onze vader aan nakroost het leven geven.

Genesis 19: 33 Toen gaven zij in die nacht haar vader wijn te drinken, en de eerstgeborene ging naar binnen en legde zich bij haar vader neder, zonder dat hij er iets van merkte toen zij zich nederlegde of toen zij opstond.

Genesis 19: 34 En de volgende morgen zeide de eerstgeborene tot de jongste: Zie, ik heb gisterennacht bij mijn vader gelegen; wij zullen hem ook deze nacht wijn te drinken geven, en ga gij dan naar binnen, en leg u bij hem neder, opdat wij door onze vader aan nakroost het leven geven.

Genesis 19: 35 Zo gaven zij haar vader ook die nacht wijn te drinken, en de jongste stond op en legde zich bij hem neder, zonder dat hij er iets van merkte, toen zij zich nederlegde of toen zij opstond.

Genesis 19: 36 En de beide dochters van Lot werden zwanger van haar vader.

Genesis 19: 37 En de eerstgeborene baarde een zoon, en noemde hem Moab; hij is de vader van de tegenwoordige Moabieten.

Genesis 19: 38 Ook de jongste baarde een zoon, en noemde hem Ben-ammi; hij is de vader van de tegenwoordige Ammonieten.

2 Samuël 11: 2 Op zekere avond stond David van zijn rustbed op en wandelde op het dak van het paleis, en hij zag van het dak af een vrouw, bezig zich te baden; en die vrouw was zeer schoon van uiterlijk.

2 Samuël 11: 3 Toen liet David naar die vrouw vragen en men zeide: Wel, dat is Batseba, de dochter van Eliam, de vrouw van de Hethiet Uria.

2 Samuël 11: 4 Daarop zond David boden om haar te halen. Zij kwam tot hem, en hij lag bij haar, (zij had zich van haar onreinheid gezuiverd); daarna keerde zij terug naar haar huis.

2 Samuël 11: 5 En de vrouw werd zwanger en liet David weten: Ik ben zwanger.

2 Samuël 11: 14 Toen schreef David de volgende morgen een brief aan Joab en verzond die door Uria.

2 Samuël 11: 15 En hij schreef in die brief: Plaatst Uria in het heetst van de strijd; trekt u dan van hem terug, opdat hij getroffen worde en sneuvele.

2 Samuël 11: 17 Toen de mannen der stad een uitval deden en met Joab streden, vielen er enigen van het krijgsvolk, van de knechten van David; ook de Hethiet Uria sneuvelde.

2 Samuël 11: 27 Nadat de rouw voorbij was, liet David haar naar zijn huis halen. Zij werd hem tot vrouw en baarde hem een zoon. Maar de zaak, die David gedaan had, was kwaad in de ogen des Heren.

2 Samuël 13: 1 Daarna gebeurde het volgende. Absalom, de zoon van David, had een bekoorlijke zuster, Tamar geheten; en Amnon, de zoon van David, kreeg haar lief.

2 Samuël 13: 2 Amnon leed er zo onder, dat hij ziek werd om der wille van zijn zuster Tamar; want zij was een maagd en het leek Amnon onmogelijk haar iets aan te doen.

2 Samuël 13: 6 Daarop ging Amnon te bed liggen en hield zich ziek. Toen de koning hem kwam bezoeken, zeide Amnon tot de koning: Laat toch mijn zuster Tamar komen om voor mijn ogen een paar koeken te bakken, dat ik die uit haar hand ete.

2 Samuël 13: 8 Toen ging Tamar naar het huis van haar broeder Amnon, die te bed lag, en zij nam deeg, kneedde het, maakte er voor zijn ogen koeken van en bakte ze.

2 Samuël 13: 10 Daarop zeide Amnon tot Tamar: Breng mij het eten in de slaapkamer, opdat ik het uit uw hand ete. En Tamar nam de koeken die zij bereid had, en bracht die aan haar broeder Amnon in de slaapkamer.

2 Samuël 13: 11 Toen zij hem het eten aanreikte, greep hij haar vast en zeide tot haar: Kom ga bij mij liggen, mijn zuster.

2 Samuël 13: 12 Maar zij zeide tot hem: Neen, mijn broeder, onteer mij niet, want zo iets doet men niet in Israel; doe toch niet zulk een schandelijke dwaasheid.

2 Samuël 13: 13 En ik, waarheen zou ik met mijn schande gaan? En gij, gij zoudt in Israel voor een dwaas gehouden worden. Nu dan, spreek toch met de koning, want hij zal u mij niet weigeren.

2 Samuël 13: 14 Hij wilde echter naar haar niet luisteren, maar overweldigde haar, onteerde en verkrachtte haar.

2 Samuël 13: 15 Daarna kreeg Amnon een zeer grote afkeer van haar; ja, de afkeer die hij tegen haar kreeg, was groter dan de liefde waarmee hij haar had liefgehad; en Amnon zeide tot haar: Sta op, ga weg!

2 Samuël 13: 16 Toen sprak zij tot hem met het oog op dit grote kwaad: Mij weg te zenden is erger dan het andere dat gij mij aangedaan hebt. Maar hij wilde naar haar niet luisteren,

2 Samuël 13: 17 en riep zijn knecht, die hem bediende, en zeide: Breng ze bij mij vandaan, naar buiten, en grendel de deur achter haar.

2 Samuël 13: 18 Zij nu droeg een pronkgewaad; want in zulke lange gewaden gingen de dochters van de koning, zolang zij maagden waren, gekleed. En zijn dienaar bracht haar naar buiten en grendelde de deur achter haar.

2 Samuël 13: 19 Toen strooide Tamar as op haar hoofd, scheurde het pronkgewaad dat zij droeg, legde haar hand op haar hoofd en ging al jammerend heen.

1 Thessalonicenzen 4: 1 Voorts dan, broeders, vragen wij en vermanen wij u in de Here Jezus, dat gij, zoals gij van ons vernomen hebt, hoe gij moet wandelen en Gode behagen, zoals gij ook inderdaad wandelt, dat nog meer doet.

1 Thessalonicenzen 4: 2 Want gij weet, welke voorschriften wij u gegeven hebben door de Here Jezus.

1 Thessalonicenzen 4: 3 Want dit wil God: uw heiliging, dat gij u onthoudt van de hoererij,

1 Thessalonicenzen 4: 4 dat ieder uwer in heiliging en eerbaarheid zijn vat wete te verwerven,

1 Thessalonicenzen 4: 5 niet in hartstochtelijke begeerlijkheid, zoals ook de heidenen, die van God niet weten,

1 Thessalonicenzen 4: 6 en dat men zijn broeder niet slecht behandele of bedriege in deze zaak, want de Here is een wreker van dit alles, zoals wij u ook vroeger gezegd en nadrukkelijk betuigd hebben.

1 Thessalonicenzen 4: 7 Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar in heiliging.

1 Thessalonicenzen 4: 8 Daarom, wie dit verwerpt, verwerpt niet een mens, maar God, die u immers ook zijn Heilige Geest geeft.

1 Koningen 11: 1 Koning Salomo nu had behalve de dochter van Farao vele vreemde vrouwen lief: Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonische en Hethitische,

1 Koningen 11: 2 behorende tot die volken, van wie de Here tot de Israelieten had gezegd: Gij zult u met hen niet inlaten, en zij zullen zich met u niet inlaten, voorwaar, zij zouden uw hart meevoeren achter hun goden; haar hing Salomo met liefde aan.

1 Koningen 11: 3 En hij heeft als vrouwen gehad zevenhonderd vorstinnen en driehonderd bijvrouwen; en zijn vrouwen verleidden zijn hart.

1 Koningen 11: 4 Het geschiedde namelijk, toen Salomo oud geworden was, dat zijn vrouwen zijn hart meevoerden achter andere goden, zodat zijn hart de Here, zijn God niet volkomen was toegewijd gelijk dat van zijn vader David.

1 Koningen 11: 5 Zo liep Salomo Astarte, de godin der Sidoniers, achterna, en Milkom, de gruwel der Ammonieten,

1 Koningen 11: 7 Toentertijd bouwde Salomo een hoogte voor Kemos, de gruwel van Moab, op de berg ten oosten van Jeruzalem, en voor Moloch, de gruwel der Ammonieten.

1 Koningen 11: 8 Hetzelfde deed hij voor al zijn vreemde vrouwen, die reukoffers en slachtoffers aan haar goden brachten.

1 Koningen 11: 9 Derhalve werd de Here vertoornd op Salomo, omdat zijn hart zich afgewend had van de Here, de God van Israel, die hem tweemaal verschenen was,

Openbenbaringen 2: 14 Maar Ik heb enkele dingen tegen u: dat gij daar sommigen hebt, die vasthouden aan de leer van Bileam, die Balak leerde de kinderen Israels een strik te spannen, dat zij afgodenoffers zouden eten en hoereren.

Openbenbaringen 2: 15 Zo hebt ook gij sommigen, die op gelijke wijze aan de leer der Nikolaieten vasthouden.

Openbenbaringen 2: 20 Maar Ik heb tegen u, dat gij de vrouw Izebel laat begaan, die zegt, dat zij een profetes is, en zij leert en verleidt mijn knechten om te hoereren en afgodenoffers te eten.

Openbenbaringen 2: 21 En Ik heb haar tijd gegeven om zich te bekeren, maar zij wil zich niet bekeren van haar hoererij.

Openbenbaringen 2: 22 Zie, Ik werp haar op het ziekbed en hen, die met haar overspel bedrijven, breng ik in grote verdrukking, indien zij zich niet van haar werken bekeren.

Openbenbaringen 2: 23 En haar kinderen zal Ik de dood doen sterven en alle gemeenten zullen inzien, dat Ik het ben, die nieren en harten doorzoek; en Ik zal u vergelden, een ieder naar uw werken.

Openbenbaringen 17: 1 En een van de zeven engelen, die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij, zeggende: Kom hier, ik zal u tonen het oordeel over de grote hoer, die zit aan vele wateren,

Openbenbaringen 17: 2 met wie de koningen der aarde gehoereerd hebben, en zij, die op de aarde wonen, zijn dronken geworden van de wijn harer hoererij.

Openbenbaringen 21: 8 Maar de lafhartigen, de ongelovigen, de verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars, en alle leugenaars; hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood.

Johannes 14: 6 Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.

Johannes 8: 36 Wanneer dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult gij werkelijk vrij zijn.

Johannes 8: 31 Jezus dan zeide tot de Joden, die in Hem geloofden: Als gij in mijn woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij

Johannes 8: 32 en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.

Johannes 14: 21 Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.

Hebreeën 7: 26 Immers, zulk een hogepriester hadden wij ook nodig: heilig, zonder schuld of smet, gescheiden van de zondaren en boven de hemelen verheven;

Psalmen 1: 1 Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen, die niet staat op de weg der zondaars, noch zit in de kring der spotters;

Psalmen 1: 2 maar aan des Heren wet zijn welgevallen heeft, en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht.

Psalmen 1: 3 Want hij is als een boom, geplant aan waterstromen, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, welks loof niet verwelkt; al wat hij onderneemt, gelukt.

Psalmen 1: 4 Niet alzo de goddelozen: die toch zijn als kaf dat de wind verstrooit.

Psalmen 1: 5 Daarom houden de goddelozen geen stand in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen,

Psalmen 1: 6 want de Here kent de weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddelozen vergaat.

Psalmen 19: 10 Kostelijker zijn zij dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig, ja dan honigzeem uit de raat.

Psalmen 119: 9 Waarmede zal de jongeling zijn pad rein bewaren? Als hij dat houdt naar uw woord.

Psalmen 119: 10 Ik zoek U met mijn ganse hart, laat mij niet van uw geboden afdwalen.

Psalmen 119: 11 Ik berg uw woord in mijn hart, opdat ik tegen U niet zondige.

Philippenzen 4: 8 Voorts, broeders, al wat waar, al wat waardig, al wat rechtvaardig is, al wat rein, al wat beminnelijk, al wat welluidend is, al wat deugd heet en lof verdient, bedenkt dat;

Philippenzen 4: 9 wat u geleerd en overgeleverd is, wat gij van mij gehoord en gezien hebt, breng dat in toepassing en de God des vredes zal met u zijn.