Skip navigation
?
Onbedoeld zwanger?

Pleidooi voor herstel van het evidentie

Dit artikel verscheen in december 2025 in Leef Magazine

G.K. Chesterton (1874–1936) was een Engelse schrijver die bekendstaat om zijn felle verdediging van de traditionele moraal en christelijke waarden. Hoewel abortus in Chestertons eigen tijd niet legaal of wijdverspreid was zoals nu, sprak hij zich in zijn essays en boeken duidelijk uit over verwante thema’s: de waarde van elk menselijk leven, van het gezin, en de gevaren van moderne tendensen als individualisme en materialisme. Hoe zou Chesterton reageren op de moderne abortuswetgeving die het ongeboren kind geen rechtsbescherming biedt?

 

Chesterton vertrok altijd vanuit het idee dat ieder menselijk leven intrinsieke waarde en waardigheid heeft, als schepsel van God. In zijn tijd verzette hij zich krachtig tegen theorieën over eugenetica en elke filosofie die bepaalde groepen mensen minder menselijk zou achten. Hij observeerde dat zulke ideeën hun “voordelen” alleen kunnen behalen door een hele categorie mensen hun menselijkheid te ontzeggen. Waar eugenetici de “minderwaardigen” ontmenselijkten, gebeurt bij abortus iets soortgelijks met een nog kwetsbaardere groep: de zwaksten en meest weerloze mensen, de ongeborenen. Chesterton zou benadrukken dat het ongeboren kind een volwaardig mens is. Hij benoemde abortus dan ook onomwonden als “de afslachting van ongeboren mensen”. Dergelijk sterk taalgebruik laat zien dat hij abortus beschouwde als een directe aanslag op de menselijke waardigheid en het menselijk leven zelf.

Het kind brengt een onbevangen verwondering mee die zelfs de grootste filosofen niet kunnen evenaren.’

 

Voor Chesterton is het kind ook een bron van betekenis voor ouders en de samenleving. Hij bezat een diep respect en bijna eerbied voor de wonderlijke vitaliteit van ieder kind. In zijn essay A Defence of Baby Worship schildert hij hoe elke baby de wereld als het ware opnieuw schept: ‘Met elke nieuwe baby wordt het hele universum opnieuw voor het gerecht gedaagd.’ Het kind brengt een onbevangen verwondering mee die zelfs de grootste filosofen niet kunnen evenaren, ‘alsof met ieder van hen alle dingen opnieuw worden gemaakt’, schrijft hij, ‘en het universum opnieuw op de proef wordt gesteld.’ Deze lyrische benadering onderstreept Chestertons overtuiging dat een nieuw kind een uniek en onherhaalbaar wonder is, een frisse herbevestiging van het leven die de volwassen wereld telkens weer op schokken zet. Chesterton stond kritisch tegenover veel aspecten van de moderniteit, vooral wanneer die botsten met eeuwige waarheden. Hij beschreef de modernistische mentaliteit eens als iemand die zoveel medelijden heeft met bijvoorbeeld dieren, dat hij bereid is mensenlevens te offeren; een griezelige omkering van waarden. Reeds in 1914 voorspelde Chesterton: ‘Overal waar dierenvergoding is, zal mensenoffer volgen.’ Hiermee bedoelde hij dat een sentimentele moderne neiging om bijvoorbeeld abstracte idealen te aanbidden – rechten van de vrouw zijn in het geding, zegt men dan, terwijl het gaat over de rechten van het kind – vaak gepaard gaat met onverschilligheid of wreedheid jegens kwetsbare mensen. In de hedendaagse cultuur zien we echo’s hiervan: men kan meer verontwaardigd raken over dierenleed of milieu dan over de massale abortus van ongeboren kinderen. Chesterton zou zulke prioriteiten als krankzinnig bestempelen – een teken dat moderniteit haar morele kompas is kwijtgeraakt.

 

‘Een ander kenmerk van de moderne tijd dat Chesterton heftig bekritiseerde, is het extreme individualisme.’

Een ander kenmerk van de moderne tijd dat Chesterton heftig bekritiseerde, is het extreme individualisme en materialisme. Hij zag dat mensen in naam van “vrijheid” vaak juist zichzelf gevangenzetten in oppervlakkige genoegens. Nergens wordt dit duidelijker dan in zijn essay Babies and Distributism, waarin hij spot met echtparen die geen kinderen willen om meer tijd en geld te hebben voor entertainment en luxe. Hij schrijft dat zijn minachting het kookpunt bereikt ‘wanneer ik de veelgehoorde suggestie hoor dat men van een kind afziet omdat mensen “vrij” willen zijn om naar de bioscoop te gaan of carrière niet in de weg te staan.’ Het woord “vrij” zet Chesterton hier nadrukkelijk tussen aanhalingstekens, want in feite vindt hij dit helemaal geen werkelijke vrijheid. In plaats van de creatieve, leven gevende vrijheid van het ouderschap te omarmen, onderwerpen ouders zich aan wat Chesterton noemt de dwang van consumptie en technologie – aan
carrières en modegrillen die hen door anonieme machten worden voorgeschoteld. Dit is een valse vrijheid, eentje waarin men zijn eigen diepste roeping (het doorgeven van leven) inruilt voor kortetermijnpleziertjes.

 

Voor Chesterton is het gezin de eerste en belangrijkste rechtseenheid. Het ongeboren kind is al deel van dat gezin. Het recht zou zich daar dienstbaar aan moeten opstellen, niet als heer en meester die beslist of dat nieuwe gezinslid mag leven. Hij zag al in zijn tijd tendensen waarbij de staat of de zogenaamde “wetenschap” zich
tot een afgod verhief ten koste van de menselijke maat. ‘Het is in de moderne wereld precies andersom: niet religie vervolgt de wetenschap, maar de wetenschap tiranniseert via de overheid’, schreef Chesterton in 1922. Hij doelde daarbij op de eugenetica-wetgeving die toen opkwam. Maar dezelfde redenering geldt voor abortuswetgeving. Een kille, materialistische logica – of het nu onder het mom van wetenschap, gezondheid of rechten van de vrouw gebeurt – die bepaalt dat
een ongeboren kind geen persoon met rechten is, zou hij beschouwen als een vreselijke bureaucratische gruwel. Het is de triomf van wat hij spottend “terrorisme door derderangs professoren” noemde: ‘Technocratische prietpraat die fundamentele morele intuïties ondermijnt.’

‘Voor Chesterton is het gezin de eerste en belangrijkste rechtseenheid.’

 

Ten diepste zou Chesterton stellen dat geen enkel menselijk gezag het recht kan geven om een onschuldig mens opzettelijk te doden. Wetgeving die abortus toestaat, verstoort de wezenlijke verhouding tussen vrijheid en leven. Zoals eerder aangehaald verwoordde hij het zo: ‘The only object of liberty is life.’ Vrijheid die het ongeboren kind – het meest onschuldige leven denkbaar – niet beschermt, maar uitlevert, is in Chestertons ogen een vrijheid die haar doel en moraal heeft verloren. Hij zou de huidige situatie dan ook zien als een regressie vermomd als recht. Waar authentiek recht ooit de Vox Dei probeerde te volgen (het idee dat elk mens door God gegeven is), zendt modern positief recht over abortus de boodschap uit dat sommige mensenlevens er niet toe doen. Dit is niet alleen onrechtvaardig, maar ook onredelijk. Het is het ultieme verlies van gezond verstand dat kenmerkend is voor veel van wat hij bij zijn modernistische tijdgenoten “ketterijen” noemde. Gezien het bovenstaande is het duidelijk dat Chesterton met scherpe afkeuring en morele verontwaardiging zou reageren op abortuswetgeving die ongeboren kinderen geen bescherming biedt. Op grond van zijn diepe respect voor menselijke waardigheid, zijn liefde voor het kind en het gezin en zijn afkeer van modern egoïsme, zou hij zo’n wet als een teken van beschavingsverval bestempelen. Elke hoge beschaving vervalt door het vergeten van voor de hand liggende waarheden, en de waarheid dat een ongeboren kind een mens met rechten is, is juist zo’n evidente waarheid. Het uitwissen daarvan acht hij een gevaarlijke mystificatie. Chesterton zou de moderne wereld oproepen om haar morele kompas te hervinden. In plaats van zichzelf op de borst te kloppen om vermeende vooruitgang, zou hij de maatschappij een spiegel voorhouden: wat voor vooruitgang is het, als zelfs de meest weerloze niet meer veilig is in de meest natuurlijke haven: de moederschoot?

‘Hij zag in het kind een nieuw avontuur voor de mensheid.’

 

Uit Chestertons geschriften rijst het beeld op van een man die het opnam voor de kleinste, armste en meest kwetsbare mensen. Hij zag in het ongeboren kind niet een rechteloos hoopje cellen, maar “a fresh free will”, een nieuw avontuur voor de mensheid en een belofte dat de wereld door mag gaan. Het verlies van juridische erkenning voor dat jonge leven ervoer hij als een diepe schande. Hij zou waarschijnlijk met zijn kenmerkende combinatie van logica en sarcasme ageren: als de samenleving meent dat comfort en keuze zó absoluut zijn dat we baby’s mogen doden, waarom dan niet consequent zijn? ‘Let all the babies be born. Then let us drown those we do not like’, schreef hij bitter, om de absurditeit van zo’n houding te laten zien. Natuurlijk is dat voorstel afschuwelijk. En precies dát is Chestertons punt: enkel een mystiek en moreel bezwaar weerhoudt ons ervan om geboren baby’s te verdrinken. Datzelfde bezwaar geldt ook voor het doden van ongeborenen.

 

Alleen door terug te keren naar wat hij de “obvious things” noemde – de evidente waarheid dat elk mensenleven, vanaf de conceptie, een geschenk van onschatbare waarde is – kan onze samenleving weer gezond verstand en rechtvaardigheid hervinden. In Chestertons ogen is het ongeboren kind immers niets minder dan Gods opinie dat de wereld moet doorgaan. Het is aan ons rechtsgevoel en onze wetgeving om die opinie te bevestigen en te verdedigen.

 

 

 


< Terug naar kennisbank overzicht